Vocabulaireverzameling Oxford 5000 - C1 - Letter S in Oxford 5000 - C1: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling 'Oxford 5000 - C1 - Letter S' in 'Oxford 5000 - C1' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren(noun) zak, ontslag, de zak;
(verb) ontslaan, de zak geven, tackelen
Voorbeeld:
(adjective) heilig, gewijd, onaantastbaar
Voorbeeld:
(noun) offer, opoffering, offering;
(verb) opofferen, offeren, slachten
Voorbeeld:
(noun) heilige, goed mens;
(verb) heilig verklaren, canoniseren
Voorbeeld:
(noun) omwille van, ten behoeve van
Voorbeeld:
(noun) goedkeuring, toestemming, sanctie;
(verb) sanctioneren, goedkeuren, straffen
Voorbeeld:
(verb) zeggen, uitspreken, betekenen;
(noun) zegje, inspraak
Voorbeeld:
(adjective) verspreid, verstrooid, sporadisch;
(past participle) verspreidde, strooide
Voorbeeld:
(adjective) sceptisch, twijfelachtig
Voorbeeld:
(noun) scope, bereik, omvang;
(verb) verkennen, beoordelen, onderzoeken
Voorbeeld:
(noun) schroef, draai, omwenteling;
(verb) schroeven, vastschroeven, draaien
Voorbeeld:
(noun) onderzoek, inspectie, controle
Voorbeeld:
(noun) afdichting, zegel, stempel;
(verb) verzegelen, afdichten, bezegelen
Voorbeeld:
(adjective) seculier, wereldlijk, wereldgeestelijk
Voorbeeld:
(adverb) ogenschijnlijk, schijnbaar
Voorbeeld:
(noun) segment, deel, stuk;
(verb) segmenteren, verdelen
Voorbeeld:
(verb) grijpen, in beslag nemen, pakken
Voorbeeld:
(adverb) zelden
Voorbeeld:
(adjective) selectief, kieskeurig, beperkt
Voorbeeld:
(noun) senator
Voorbeeld:
(noun) gevoel, sensatie, opwinding
Voorbeeld:
(noun) gevoeligheid, responsiviteit, empathie
Voorbeeld:
(noun) gevoel, sentiment, mening
Voorbeeld:
(noun) scheiding, afscheiding, echtscheiding
Voorbeeld:
(adjective) serieel, opeenvolgend, in afleveringen;
(noun) serie, feuilleton
Voorbeeld:
(noun) schikking, regeling, nederzetting
Voorbeeld:
(phrasal verb) opzetten, instellen, oprichten
Voorbeeld:
(noun) seksualiteit, seksuele geaardheid, seksuele gevoelens
Voorbeeld:
(noun) aandeelhouder
Voorbeeld:
(verb) verbrijzelen, versplinteren, vernietigen;
(noun) verbrijzeling, versplintering
Voorbeeld:
(noun) schuur, loods;
(verb) afwerpen, verliezen, afstoten
Voorbeeld:
(adjective) puur, volledig, absoluut;
(adverb) loodrecht, steil;
(verb) afbreken, afscheuren, uitwijken
Voorbeeld:
(noun) verzending, scheepvaart, zeevervoer;
(verb) verzenden, binnenlaten
Voorbeeld:
(verb) schieten, neerschieten, snellen;
(noun) schot, scheut, spruit;
(exclamation) verdorie, zeg op
Voorbeeld:
(verb) krimpen, verkleinen, terugdeinzen;
(noun) psychiater
Voorbeeld:
(verb) schouders ophalen;
(noun) schouderophalen
Voorbeeld:
(noun) zucht;
(verb) zuchten
Voorbeeld:
(verb) simuleren, nabootsen, veinzen
Voorbeeld:
(noun) simulatie, nabootsing, veinzerij
Voorbeeld:
(adverb) tegelijkertijd, simultaan
Voorbeeld:
(noun) zonde, schande;
(verb) zondigen
Voorbeeld:
(adjective) gelegen, gesitueerd
Voorbeeld:
(noun) schets, voorstudie, overzicht;
(verb) schetsen, tekenen, uiteenzetten
Voorbeeld:
(verb) hinkelen, springen, overslaan;
(noun) hink, sprong, overslag
Voorbeeld:
(verb) dichtgooien, dichtslaan, smijten;
(noun) klap, dreun, poëzieslam
Voorbeeld:
(noun) klap, tik;
(verb) slaan, klappen, gooien;
(adverb) recht, direct
Voorbeeld:
(noun) snede, insnijding, schuine streep;
(verb) snijden, doorsnijden, verlagen
Voorbeeld:
(noun) slavernij, slavernijsysteem
Voorbeeld:
(noun) gleuf, spleet, plek;
(verb) invoegen, schuiven
Voorbeeld:
(verb) verbrijzelen, inslaan, botsen;
(noun) klap, botsing, hit
Voorbeeld:
(verb) knappen, breken, dichtklappen;
(noun) knak, klik, foto;
(adjective) spontaan, gemakkelijk;
(adverb) abrupt, plotseling;
(exclamation) knak, klik
Voorbeeld:
(verb) weken, doorweken, opnemen;
(noun) week, bad
Voorbeeld:
(verb) zweven, stijgen, snel stijgen
Voorbeeld:
(noun) socialist;
(adjective) socialistisch
Voorbeeld:
(noun) voetzool, zool, tong;
(adjective) enig, alleen;
(verb) verzolen
Voorbeeld:
(adverb) alleen, uitsluitend
Voorbeeld:
(noun) advocaat, jurist, verkoper
Voorbeeld:
(noun) solidariteit, eenheid
Voorbeeld:
(noun) solo, alleen;
(adverb) alleen, solo;
(verb) solo spelen, alleen uitvoeren;
(adjective) solo, alleen
Voorbeeld:
(noun) geluid, klank, zeestraat;
(verb) klinken, luiden, lijken;
(adjective) gezond, deugdelijk, verstandig;
(adverb) diep, grondig
Voorbeeld:
(noun) soevereiniteit, oppergezag, soevereine staat
Voorbeeld:
(noun) spam, ongewenste e-mail, Spam;
(verb) spammen, ongewenste e-mail versturen
Voorbeeld:
(noun) overspanning, duur, bereik;
(verb) overspannen, bestrijken
Voorbeeld:
(adjective) reserve, extra, mager;
(verb) missen, ontberen, sparen;
(noun) reserveonderdeel, reservewiel
Voorbeeld:
(noun) vonk, spoor;
(verb) ontsteken, aansteken, stimuleren
Voorbeeld:
(adjective) gespecialiseerd, specifiek
Voorbeeld:
(noun) specificatie, omschrijving, precisering
Voorbeeld:
(noun) exemplaar, monster, type
Voorbeeld:
(noun) schouwspel, vertoning, spektakel
Voorbeeld:
(noun) spectrum, bereik, scala
Voorbeeld:
(verb) spellen, betekenen, voorspellen;
(noun) spreuk, betovering, periode
Voorbeeld:
(noun) bol, sfeer, gebied
Voorbeeld:
(verb) draaien, rondtollen, spinnen;
(noun) draai, rondje, interpretatie
Voorbeeld:
(noun) ruggengraat, wervelkolom, rug
Voorbeeld:
(noun) spotlight, schijnwerper, schijnwerpers;
(verb) uitlichten, belichten
Voorbeeld:
(noun) echtgenoot, echtgenote, partner;
(verb) trouwen, huwen
Voorbeeld:
(noun) spion, geheim agent;
(verb) spioneren, bespioneren, ontwaren
Voorbeeld:
(noun) ploeg, team, eenheid
Voorbeeld:
(verb) knijpen, persen, wringen;
(noun) knijp, druk, knel
Voorbeeld:
(verb) steken, prikken;
(noun) steek, prik
Voorbeeld:
(noun) stabiliteit, vastheid, evenwicht
Voorbeeld:
(verb) stabiliseren
Voorbeeld:
(noun) paal, staak, inzet;
(verb) afbakenen, vastzetten, inzetten
Voorbeeld:
(noun) status, aanzien, reputatie;
(adjective) staand, permanent, vast
Voorbeeld:
(adjective) grimmig, kaal, strak;
(adverb) helemaal, volledig
Voorbeeld:
(adjective) statistisch
Voorbeeld:
(verb) sturen, leiden;
(noun) os, stier
Voorbeeld:
(noun) stengel, stam, woordstam;
(verb) voortkomen uit, ontspringen, stoppen
Voorbeeld:
(noun) stereotype;
(verb) stereotyperen
Voorbeeld:
(noun) stimulus, prikkel, stimulans
Voorbeeld:
(verb) roeren, bewegen, opwekken;
(noun) beweging, opschudding
Voorbeeld:
(noun) opslag, bewaring, opslagcapaciteit
Voorbeeld:
(adjective) eenvoudig, simpel, direct
Voorbeeld:
(noun) spanning, verrekking, stam;
(verb) inspannen, verrekken, zeven
Voorbeeld:
(noun) draad, streng, strand;
(verb) stranden, vastzetten, aan de grond lopen
Voorbeeld:
(adjective) strategisch, militair
Voorbeeld:
(adjective) opvallend, treffend, indrukwekkend
Voorbeeld:
(verb) strippen, ontdoen van, uitkleden;
(noun) reep, strook, strip
Voorbeeld:
(adjective) structureel, constructief
Voorbeeld:
(verb) streven, zich inspannen, strijden
Voorbeeld:
(verb) struikelen, wankelen, haperen;
(noun) struikelpartij, wankeling
Voorbeeld:
(verb) verdoven, verbijsteren, verbluffen;
(noun) verdoving, verbijstering
Voorbeeld:
(noun) inzending, indiening, onderwerping
Voorbeeld:
(noun) abonnee, inschrijver, donateur
Voorbeeld:
(noun) abonnement, lidmaatschap, inschrijving
Voorbeeld:
(noun) subsidie, toelage
Voorbeeld:
(adjective) aanzienlijk, substantieel, belangrijk
Voorbeeld:
(adverb) aanzienlijk
Voorbeeld:
(noun) vervanger, plaatsvervanger;
(verb) vervangen, in de plaats stellen;
(adjective) vervangend, plaatsvervangend
Voorbeeld:
(noun) vervanging, wissel, substitutie
Voorbeeld:
(adjective) subtiel, fijn, delicaat
Voorbeeld:
(adjective) voorstedelijk, suburbaan
Voorbeeld:
(noun) opeenvolging, reeks, successie
Voorbeeld:
(adjective) opeenvolgend, achtereenvolgend
Voorbeeld:
(noun) opvolger, erfgenaam
Voorbeeld:
(verb) zuigen, sabbelen, waardeloos zijn;
(noun) zuig, sabbel
Voorbeeld:
(verb) aanklagen, vervolgen
Voorbeeld:
(noun) zelfmoord;
(verb) zelfmoord plegen
Voorbeeld:
(noun) suite, appartement, set
Voorbeeld:
(noun) top, bergtop, topconferentie;
(verb) de top bereiken, beklimmen
Voorbeeld:
(adjective) uitstekend, geweldig, subliem
Voorbeeld:
(adjective) superieur, hoger, beter;
(noun) meerdere, superieur
Voorbeeld:
(verb) superviseren, toezicht houden op, begeleiden
Voorbeeld:
(noun) toezicht, supervisie, leiding
Voorbeeld:
(noun) supervisor, leidinggevende
Voorbeeld:
(noun) supplement, aanvulling;
(verb) aanvullen, toevoegen
Voorbeeld:
(adjective) ondersteunend, steunend, bevestigend
Voorbeeld:
(adverb) naar verluidt, vermoedelijk, zogenaamd
Voorbeeld:
(verb) onderdrukken, neerslaan, bedwingen
Voorbeeld:
(adjective) opperste, hoogste, uitmuntend
Voorbeeld:
(noun) golf, stroom, stijging;
(verb) stromen, golven, stijgen
Voorbeeld:
(adjective) chirurgisch, precies, nauwkeurig
Voorbeeld:
(noun) overschot, surplus;
(adjective) overtollig, overbodig
Voorbeeld:
(verb) overgeven, opgeven, zich overgeven;
(noun) overgave, capitulatie
Voorbeeld:
(noun) bewaking, toezicht
Voorbeeld:
(noun) schorsing, opschorting, onderbreking
Voorbeeld:
(noun) verdenking, argwaan, wantrouwen
Voorbeeld:
(adjective) achterdochtig, wantrouwig, verdacht
Voorbeeld:
(verb) ondersteunen, steunen, handhaven
Voorbeeld:
(verb) zwaaien, schommelen, klimmen;
(noun) schommel, verschuiving, omslag
Voorbeeld:
(noun) zwaard
Voorbeeld:
(adjective) symbolisch
Voorbeeld:
(noun) syndroom, gedragspatroon
Voorbeeld:
(noun) synthese, combinatie, samenvoeging
Voorbeeld:
(adjective) systematisch, methodisch, regelmatig
Voorbeeld: