Vocabulaireverzameling Voedselbereidingstechnieken - Mechanisch in Bereiding van voedsel en drank: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling 'Voedselbereidingstechnieken - Mechanisch' in 'Bereiding van voedsel en drank' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren(verb) snijden, knippen, hakken;
(noun) snede, knippen, coupe;
(adjective) gesneden, geknipt
Voorbeeld:
(noun) dobbelsteen;
(verb) in blokjes snijden, dobbelen
Voorbeeld:
(verb) raspen, kraken, schuren;
(noun) rooster, haardrooster
Voorbeeld:
(verb) julienne, fijne reepjes;
(noun) julienne, fijne reepjes
Voorbeeld:
(verb) hakken, fijnhakken, trippelen;
(noun) gehakt
Voorbeeld:
(verb) schillen, pellen, bladderen;
(noun) schil, schillen
Voorbeeld:
(verb) scheren, terugdringen, verminderen;
(noun) scheerbeurt
Voorbeeld:
(verb) kneden, masseren
Voorbeeld:
(noun) molen, fabriek, bedrijf;
(verb) malen, vermalen, frezen
Voorbeeld:
(verb) mengen, mixen, socialiseren;
(noun) mix, mengsel
Voorbeeld:
(verb) mengen, blenden, passen bij;
(noun) melange, mengsel
Voorbeeld:
(noun) room, slagroom, crème;
(verb) kloppen, purere;
(adjective) crèmekleurig, roomkleurig
Voorbeeld:
(verb) baggeren, uitbaggeren, opbaggeren;
(noun) baggermachine, dredge, bestrooiing
Voorbeeld:
(verb) garneren, versieren, beslag leggen op;
(noun) garnering, versiering
Voorbeeld:
(noun) sap, stroom, elektriciteit;
(verb) persen, sap maken
Voorbeeld:
(verb) ontdoen van, pellen;
(noun) schil, dop
Voorbeeld:
(verb) skimmen, vluchtig lezen, afscheppen;
(noun) laag, vlies
Voorbeeld:
(noun) spullen, dingen, materiaal;
(verb) proppen, vullen, opvullen
Voorbeeld:
(verb) mals maken, verzachten
Voorbeeld:
(noun) levenslust, enthousiasme, pit;
(verb) raspen, schillen
Voorbeeld:
(noun) Frans, Fransen;
(adjective) Frans
Voorbeeld:
(noun) curry, kerrie, kerriepoeder;
(verb) kerrieën, met kerrie bereiden
Voorbeeld:
(phrasal verb) snel klaarmaken, in elkaar flansen, bij elkaar krijgen
Voorbeeld:
(verb) klauteren, kruipen, verwarren;
(noun) klauterpartij, strijd, roerei
Voorbeeld:
(verb) zoeten, zoeter maken, verzachten
Voorbeeld:
(phrasal verb) snel klaarmaken, in elkaar flansen, opwekken
Voorbeeld:
(verb) slaan, afranselen, verslaan;
(noun) beat, ritme, slag;
(adjective) uitgeput, moe
Voorbeeld:
(noun) bot, been, botmateriaal;
(verb) ontbenen
Voorbeeld:
(noun) slager;
(verb) slachten, uitbenen, afslachten
Voorbeeld:
(noun) boter;
(verb) boteren, besmeren met boter
Voorbeeld:
(verb) snijden, houwen, trancheren
Voorbeeld:
(noun) blitz, bliksemoorlog, campagne;
(verb) blitz, overweldigen
Voorbeeld:
(noun) splinter, stukje, afgebroken stuk;
(verb) afbreken, afbladderen
Voorbeeld:
(verb) karnen, woelen, draaien;
(noun) karn, woeling, verloop
Voorbeeld:
(adjective) schoon, rein, zuiver;
(verb) schoonmaken, reinigen;
(adverb) schoon, helemaal
Voorbeeld:
(noun) kern, essentie, klokhuis;
(verb) ontkernen;
(adjective) kern, essentieel
Voorbeeld:
(noun) kubus, klontje, blokje;
(verb) tot de derde macht verheffen, kuberen, in blokjes snijden
Voorbeeld:
(noun) jurk;
(verb) aankleden, dresseren, bereiden
Voorbeeld:
(noun) motregen;
(verb) motregenen, druppelen, besprenkelen
Voorbeeld:
(noun) vlok, schilfer, onbetrouwbaar persoon;
(verb) schilferen, afbladderen, afhaken
Voorbeeld:
(phrasal verb) doorheen vouwen, voorzichtig mengen
Voorbeeld:
(noun) buik, ingewanden, onderbuikgevoel;
(verb) ontweiden, schoonmaken, uitbranden;
(adjective) instinctief, onderbuik
Voorbeeld:
(noun) romp, schil, dop;
(verb) doppen, schillen
Voorbeeld:
(noun) gewricht, verbinding, voeg;
(adjective) gezamenlijk, gemeenschappelijk;
(verb) verbinden, samenvoegen
Voorbeeld:
(noun) pollepel;
(verb) scheppen, opscheppen
Voorbeeld:
(verb) stampen, fijnstampen;
(noun) puree, stampot
Voorbeeld:
(verb) schillen, afschaven, trimmen
Voorbeeld:
(noun) peper, paprika, chilipeper;
(verb) peperen, kruiden met peper, bestoken
Voorbeeld:
(noun) pijp, buis, fluit;
(verb) leiden, pompen, fluiten
Voorbeeld:
(noun) kuil, put, pit;
(verb) deuken, aantasten, laten vechten
Voorbeeld:
(verb) plukken, uittrekken, redden;
(noun) moed, lef
Voorbeeld:
(noun) peul, capsule, houder;
(verb) doppen, schillen
Voorbeeld:
(verb) voorbereiden, klaarmaken, zich voorbereiden
Voorbeeld:
(verb) drukken, persen, strijken;
(noun) pers, media, drukpers
Voorbeeld:
(noun) zout, chemische verbinding;
(verb) zouten, pekelen
Voorbeeld:
(noun) schaal, omvang, schub;
(verb) beklimmen, bestijgen, schubben
Voorbeeld:
(verb) schrapen, krabben, schaven;
(noun) schraap, schaafwond, kraak
Voorbeeld:
(noun) seizoen, jaargetijde;
(verb) kruiden, op smaak brengen
Voorbeeld:
(noun) zaad, pit, kiem;
(verb) zaaien, inzaaien, ontpitten
Voorbeeld:
(noun) schaal, dop, schelp;
(verb) pellen, doppen, bombarderen
Voorbeeld:
(noun) reepje, flard, spoor;
(verb) versnipperen, verscheuren
Voorbeeld:
(verb) zeven, doorzoeken, uitzoeken
Voorbeeld:
(noun) huid, schil;
(verb) villen, schillen
Voorbeeld:
(phrasal verb) opfleuren, interessanter maken
Voorbeeld:
(verb) verspreiden, uitbreiden, uitspreiden;
(noun) verspreiding, uitbreiding, broodbeleg
Voorbeeld:
(verb) roeren, bewegen, opwekken;
(noun) beweging, opschudding
Voorbeeld:
(noun) steen, pit;
(verb) ontpitten, ontstenen
Voorbeeld:
(verb) top and tailen, schoonmaken
Voorbeeld:
(verb) gooien, werpen, woelen;
(noun) worp, gooi
Voorbeeld:
(noun) spant, vakwerk, breukband;
(verb) vastbinden, opbinden
Voorbeeld:
(noun) zweep, slagroom, mousse;
(verb) geselen, zweepslagen geven, kloppen
Voorbeeld:
(noun) garde;
(verb) kloppen, garde, snel verplaatsen
Voorbeeld:
(verb) zoeven, flitsen, suizen;
(noun) gezoef, suis, wonder
Voorbeeld:
(noun) filet, haarband, band;
(verb) fileteren
Voorbeeld: