Avatar of Vocabulary Set B2 - Letter S

Vocabulaireverzameling B2 - Letter S in Oxford 3000 - B2: Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'B2 - Letter S' in 'Oxford 3000 - B2' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

sample

/ˈsæm.pəl/

(noun) monster, voorbeeld;

(verb) bemonsteren, proeven

Voorbeeld:

Please provide a sample of your work.
Gelieve een voorbeeld van uw werk te geven.

satellite

/ˈsæt̬.əl.aɪt/

(noun) satelliet, maan, natuurlijke satelliet;

(adjective) satelliet, afhankelijk

Voorbeeld:

The communication satellite relays signals around the globe.
De communicatiesatelliet stuurt signalen de hele wereld rond.

satisfied

/ˈsæt̬.ɪs.faɪd/

(adjective) tevreden, voldaan

Voorbeeld:

She felt satisfied with her performance.
Ze voelde zich tevreden met haar prestatie.

satisfy

/ˈsæt̬.ɪs.faɪ/

(verb) bevredigen, voldoen aan, overtuigen

Voorbeeld:

The new policy aims to satisfy both employees and management.
Het nieuwe beleid is erop gericht zowel werknemers als management te bevredigen.

saving

/ˈseɪ.vɪŋ/

(noun) spaargeld, besparingen, redding;

(preposition) behalve, uitgezonderd

Voorbeeld:

I put all my savings into a high-interest account.
Ik heb al mijn spaargeld op een hoogrentende rekening gezet.

scale

/skeɪl/

(noun) schaal, omvang, schub;

(verb) beklimmen, bestijgen, schubben

Voorbeeld:

The Richter scale measures the magnitude of earthquakes.
De schaal van Richter meet de omvang van aardbevingen.

schedule

/ˈskedʒ.uːl/

(noun) schema, rooster, tijdschema;

(verb) plannen, inplannen

Voorbeeld:

I need to check my schedule for next week.
Ik moet mijn schema voor volgende week controleren.

scheme

/skiːm/

(noun) plan, regeling, complot;

(verb) complotteren, beramen

Voorbeeld:

The government launched a new scheme to help the unemployed.
De regering lanceerde een nieuw plan om werklozen te helpen.

scream

/skriːm/

(noun) schreeuw, gil;

(verb) schreeuwen, gillen

Voorbeeld:

She let out a loud scream when she saw the spider.
Ze slaakte een luide schreeuw toen ze de spin zag.

screen

/skriːn/

(noun) scherm, paravent, hor;

(verb) vertonen, uitzenden, screenen

Voorbeeld:

The movie was projected onto a large screen.
De film werd op een groot scherm geprojecteerd.

seat

/siːt/

(noun) zitplaats, stoel, zetel;

(verb) plaatsen, doen zitten

Voorbeeld:

Please take a seat.
Neem alstublieft plaats.

sector

/ˈsek.tɚ/

(noun) sector, gebied, cirkelsector

Voorbeeld:

The technology sector has seen rapid growth.
De technologiesector heeft een snelle groei doorgemaakt.

secure

/səˈkjʊr/

(adjective) stevig, veilig, vast;

(verb) bevestigen, vastzetten, verzekeren

Voorbeeld:

Make sure the ladder is secure before you climb it.
Zorg ervoor dat de ladder stevig staat voordat je erop klimt.

seek

/siːk/

(verb) zoeken, trachten, vragen

Voorbeeld:

They came to seek refuge from the war.
Ze kwamen toevlucht zoeken voor de oorlog.

select

/səˈlekt/

(verb) kiezen, selecteren;

(adjective) select, uitgekozen

Voorbeeld:

She needs to select a dress for the party.
Ze moet een jurk uitkiezen voor het feest.

selection

/səˈlek.ʃən/

(noun) selectie, keuze, collectie

Voorbeeld:

The selection of candidates for the job was rigorous.
De selectie van kandidaten voor de baan was rigoureus.

self

/self/

(noun) zelf, ik;

(adjective) zelfgekleurd, eenvormig;

(prefix) zelf

Voorbeeld:

He needs to find his true self.
Hij moet zijn ware zelf vinden.

senior

/ˈsiː.njɚ/

(noun) senior, oudere, laatstejaars;

(adjective) senior, ouder, hoger in rang

Voorbeeld:

She is a senior manager in the company.
Zij is een senior manager in het bedrijf.

sense

/sens/

(noun) zintuig, gevoel, besef;

(verb) voelen, waarnemen

Voorbeeld:

Our five senses help us understand the world.
Onze vijf zintuigen helpen ons de wereld te begrijpen.

sensitive

/ˈsen.sə.t̬ɪv/

(adjective) gevoelig, overgevoelig, reagerend

Voorbeeld:

He's very sensitive about his weight.
Hij is erg gevoelig over zijn gewicht.

sentence

/ˈsen.təns/

(noun) zin, straf, veroordeling;

(verb) veroordelen, straffen

Voorbeeld:

Please write a complete sentence.
Schrijf alstublieft een volledige zin.

sequence

/ˈsiː.kwəns/

(noun) volgorde, opeenvolging, sequentie;

(verb) sequencen, ordenen

Voorbeeld:

The events occurred in a specific sequence.
De gebeurtenissen vonden plaats in een specifieke volgorde.

session

/ˈseʃ.ən/

(noun) sessie, zitting

Voorbeeld:

The training session lasted for two hours.
De trainingssessie duurde twee uur.

settle

/ˈset̬.əl/

(verb) regelen, oplossen, vestigen;

(noun) nederzetting, kolonie, schikking

Voorbeeld:

They decided to settle the dispute out of court.
Ze besloten het geschil buiten de rechtbank te regelen.

severe

/səˈvɪr/

(adjective) ernstig, hevig, streng

Voorbeeld:

The patient is experiencing severe pain.
De patiënt ervaart ernstige pijn.

shade

/ʃeɪd/

(noun) schaduw, tint, nuance;

(verb) schaduwen, afschermen, nuanceren

Voorbeeld:

We sat in the shade of a large tree.
We zaten in de schaduw van een grote boom.

shadow

/ˈʃæd.oʊ/

(noun) schaduw, schim;

(verb) schaduwen, volgen

Voorbeeld:

The tree cast a long shadow on the grass.
De boom wierp een lange schaduw op het gras.

shallow

/ˈʃæl.oʊ/

(adjective) ondiep, oppervlakkig;

(verb) ondieper maken, verondiepen

Voorbeeld:

The children were playing in the shallow end of the pool.
De kinderen speelden in het ondiepe gedeelte van het zwembad.

shame

/ʃeɪm/

(noun) schaamte, schande, jammer;

(verb) beschamen, te schande maken

Voorbeeld:

He felt a deep sense of shame for his actions.
Hij voelde een diep gevoel van schaamte voor zijn daden.

shape

/ʃeɪp/

(noun) vorm, gestalte, structuur;

(verb) vormen, modelleren

Voorbeeld:

The artist molded the clay into a beautiful shape.
De kunstenaar vormde de klei tot een prachtige vorm.

shelter

/ˈʃel.t̬ɚ/

(noun) onderdak, schuilplaats, toevluchtsoord;

(verb) beschermen, onderdak bieden, schuilen

Voorbeeld:

We sought shelter from the storm in an old barn.
We zochten onderdak tegen de storm in een oude schuur.

shift

/ʃɪft/

(noun) verschuiving, verandering, dienst;

(verb) verschuiven, verplaatsen, schakelen

Voorbeeld:

There has been a significant shift in public opinion.
Er is een aanzienlijke verschuiving in de publieke opinie geweest.

ship

/ʃɪp/

(noun) schip, vaartuig;

(verb) verzenden, vervoeren

Voorbeeld:

The cargo ship sailed across the ocean.
Het vrachtschip zeilde over de oceaan.

shock

/ʃɑːk/

(noun) schok, verbazing, shock;

(verb) schokken, verbazen

Voorbeeld:

The news of his death came as a complete shock.
Het nieuws van zijn dood kwam als een complete schok.

shocked

/ʃɑːkt/

(adjective) geschokt, verbijsterd;

(verb) schokken, verbijsteren

Voorbeeld:

She was shocked by the news of his sudden death.
Ze was geschokt door het nieuws van zijn plotselinge dood.

shooting

/ˈʃuː.t̬ɪŋ/

(noun) schietpartij, schieten, opname;

(adjective) stekend, vallend

Voorbeeld:

The police responded to a report of a shooting.
De politie reageerde op een melding van een schietpartij.

shot

/ʃɑːt/

(noun) schot, afvuren, poging;

(past tense) schoot, opgenomen;

(past participle) schoot, opgenomen

Voorbeeld:

We heard a loud shot in the distance.
We hoorden een luid schot in de verte.

significant

/sɪɡˈnɪf.ə.kənt/

(adjective) significant, belangrijk, aanzienlijk

Voorbeeld:

There was a significant increase in sales this quarter.
Er was een aanzienlijke stijging van de verkoop dit kwartaal.

significantly

/sɪɡˈnɪf.ə.kənt.li/

(adverb) aanzienlijk, significant, opmerkelijk

Voorbeeld:

The company's profits increased significantly last quarter.
De winst van het bedrijf is vorig kwartaal aanzienlijk gestegen.

silence

/ˈsaɪ.ləns/

(noun) stilte, rust, zwijgen;

(verb) tot zwijgen brengen, doen zwijgen;

(exclamation) stilte, zwijgen

Voorbeeld:

The sudden silence in the room was unsettling.
De plotselinge stilte in de kamer was verontrustend.

silk

/sɪlk/

(noun) zijde;

(adjective) zijden

Voorbeeld:

The dress was made of pure silk.
De jurk was gemaakt van pure zijde.

sincere

/sɪnˈsɪr/

(adjective) oprecht, eerlijk

Voorbeeld:

He made a sincere apology for his mistake.
Hij bood een oprechte verontschuldiging aan voor zijn fout.

slave

/sleɪv/

(noun) slaaf, verslaafde;

(verb) zwoegen, hard werken

Voorbeeld:

Historically, many people were forced to live as slaves.
Historisch gezien werden veel mensen gedwongen als slaven te leven.

slide

/slaɪd/

(noun) glijbaan, slip, glijbeweging;

(verb) glijden, schuiven, sluipen

Voorbeeld:

The children loved playing on the slide at the park.
De kinderen speelden graag op de glijbaan in het park.

slight

/slaɪt/

(adjective) licht, gering, klein;

(verb) negeren, minachten, beledigen;

(noun) belediging, minachting, veronachtzaming

Voorbeeld:

There's a slight chance of rain today.
Er is een lichte kans op regen vandaag.

slip

/slɪp/

(verb) uitglijden, slippen, glippen;

(noun) fout, vergissing, briefje

Voorbeeld:

Be careful not to slip on the wet floor.
Pas op dat je niet uitglijdt op de natte vloer.

slope

/sloʊp/

(noun) helling, glooiing;

(verb) hellen, afhellen

Voorbeeld:

The house is built on a steep slope.
Het huis is gebouwd op een steile helling.

solar

/ˈsoʊ.lɚ/

(adjective) zonne-, zon, op zonne-energie

Voorbeeld:

The Earth revolves around the sun in a solar orbit.
De aarde draait in een zonnebaan om de zon.

somewhat

/ˈsʌm.wɑːt/

(adverb) enigszins, tamelijk

Voorbeeld:

I was somewhat surprised by his reaction.
Ik was enigszins verrast door zijn reactie.

soul

/soʊl/

(noun) ziel, gevoel, passie

Voorbeeld:

Many believe the soul continues to exist after death.
Velen geloven dat de ziel na de dood blijft bestaan.

specialist

/ˈspeʃ.əl.ɪst/

(noun) specialist, deskundige;

(adjective) gespecialiseerd, specifiek

Voorbeeld:

She is a specialist in ancient Roman history.
Zij is een specialist in de oude Romeinse geschiedenis.

species

/ˈspiː.ʃiːz/

(noun) soort

Voorbeeld:

The giant panda is an endangered species.
De reuzenpanda is een bedreigde soort.

speed

/spiːd/

(noun) snelheid, versnelling, gang;

(verb) snel, haasten

Voorbeeld:

The car reached a high speed on the highway.
De auto bereikte een hoge snelheid op de snelweg.

spiritual

/ˈspɪr.ə.tʃu.əl/

(adjective) spiritueel, geestelijk, religieus;

(noun) spiritual, gospelnummer

Voorbeeld:

She finds great comfort in spiritual practices like meditation.
Ze vindt veel troost in spirituele praktijken zoals meditatie.

split

/splɪt/

(verb) splitsen, verdelen, splijten;

(noun) splitsing, scheiding, spagaat;

(adjective) gespleten, verdeeld

Voorbeeld:

The company decided to split into two separate entities.
Het bedrijf besloot zich te splitsen in twee afzonderlijke entiteiten.

sponsor

/ˈspɑːn.sɚ/

(noun) sponsor, geldschieter, indiener;

(verb) sponsoren, financieren, ondersteunen

Voorbeeld:

The company is a major sponsor of the local charity run.
Het bedrijf is een belangrijke sponsor van de lokale liefdadigheidsloop.

spot

/spɑːt/

(noun) vlek, stip, plek;

(verb) zien, opmerken

Voorbeeld:

There's a grease spot on your shirt.
Er zit een vetvlek op je shirt.

spread

/spred/

(verb) verspreiden, uitbreiden, uitspreiden;

(noun) verspreiding, uitbreiding, broodbeleg

Voorbeeld:

The fire spread rapidly through the forest.
Het vuur verspreidde zich snel door het bos.

stable

/ˈsteɪ.bəl/

(adjective) stabiel, vast, stevig;

(noun) stal, paardenstal;

(verb) stallen, onderbrengen

Voorbeeld:

The country's economy is now stable.
De economie van het land is nu stabiel.

stage

/steɪdʒ/

(noun) podium, toneel, fase;

(verb) opvoeren, organiseren

Voorbeeld:

The band took the stage to a cheering crowd.
De band betrad het podium voor een juichende menigte.

stand

/stænd/

(verb) staan, plaatsen, zetten;

(noun) standaard, rek, standpunt

Voorbeeld:

Please stand when the judge enters.
Gelieve te staan wanneer de rechter binnenkomt.

stare

/ster/

(verb) staren, aangapen;

(noun) blik, staar

Voorbeeld:

It's rude to stare at people.
Het is onbeleefd om naar mensen te staren.

status

/ˈsteɪ.t̬əs/

(noun) status, positie, toestand

Voorbeeld:

He achieved high status in the company.
Hij bereikte een hoge status in het bedrijf.

steady

/ˈsted.i/

(adjective) stabiel, vast, constant;

(verb) stabiliseren, kalmeren;

(adverb) gestaag, stabiel

Voorbeeld:

Make sure the ladder is steady before you climb it.
Zorg ervoor dat de ladder stabiel is voordat je erop klimt.

steel

/stiːl/

(noun) staal;

(verb) harden, versterken

Voorbeeld:

The bridge was constructed with high-strength steel.
De brug is gebouwd met hoogwaardig staal.

steep

/stiːp/

(adjective) steil, abrupt, hoog;

(verb) weken, trekken

Voorbeeld:

The mountain path was very steep.
Het bergpad was erg steil.

step

/step/

(noun) stap, trede, opstapje;

(verb) stappen, lopen

Voorbeeld:

He took a step forward.
Hij deed een stap naar voren.

sticky

/ˈstɪk.i/

(adjective) plakkerig, kleverig, lastig

Voorbeeld:

The candy was so sticky that it got stuck to my teeth.
De snoep was zo plakkerig dat het aan mijn tanden bleef plakken.

stiff

/stɪf/

(adjective) stijf, rigide, streng;

(noun) lijk, dode, gierigaard;

(verb) niet betalen, afzetten;

(adverb) erg, zeer

Voorbeeld:

The old door was stiff and hard to open.
De oude deur was stijf en moeilijk te openen.

stock

/stɑːk/

(noun) voorraad, goederen, aandeel;

(verb) voorraad hebben, op voorraad houden;

(adjective) op voorraad, beschikbaar

Voorbeeld:

The store has a large stock of electronics.
De winkel heeft een grote voorraad elektronica.

stream

/striːm/

(noun) beek, stroom, vloed;

(verb) stromen, vloeien, streamen

Voorbeeld:

The children played by the stream.
De kinderen speelden bij de beek.

stretch

/stretʃ/

(verb) strekken, uitrekken, rekken;

(noun) rek, strekking, stuk

Voorbeeld:

She woke up and began to stretch her arms above her head.
Ze werd wakker en begon haar armen boven haar hoofd te strekken.

strict

/strɪkt/

(adjective) streng, strik, strikt

Voorbeeld:

My parents were very strict about bedtime.
Mijn ouders waren erg streng over bedtijd.

strike

/straɪk/

(verb) slaan, treffen, staken;

(noun) staking, slag, aanval

Voorbeeld:

He raised his hand to strike the ball.
Hij hief zijn hand op om de bal te slaan.

structure

/ˈstrʌk.tʃɚ/

(noun) structuur, opbouw, bouwwerk;

(verb) structureren, opbouwen

Voorbeeld:

The structure of the human body is incredibly complex.
De structuur van het menselijk lichaam is ongelooflijk complex.

struggle

/ˈstrʌɡ.əl/

(verb) worstelen, zich verzetten, zich inspannen;

(noun) worsteling, strijd, moeite

Voorbeeld:

He tried to struggle free from the ropes.
Hij probeerde zich los te worstelen van de touwen.

stuff

/stʌf/

(noun) spullen, dingen, materiaal;

(verb) proppen, vullen, opvullen

Voorbeeld:

I need to pack all my stuff before I move.
Ik moet al mijn spullen inpakken voordat ik verhuis.

subject

/ˈsʌb.dʒekt/

(noun) onderwerp, thema, vak;

(verb) onderwerpen, blootstellen;

(adjective) onderhevig aan, afhankelijk van

Voorbeeld:

The main subject of the meeting was the new budget.
Het hoofdonderwerp van de vergadering was de nieuwe begroting.

submit

/səbˈmɪt/

(verb) onderwerpen, overgeven, indienen

Voorbeeld:

He refused to submit to their demands.
Hij weigerde zich te onderwerpen aan hun eisen.

sum

/sʌm/

(noun) som, bedrag, totaal;

(verb) optellen, berekenen, samenvatten

Voorbeeld:

He paid a large sum for the painting.
Hij betaalde een grote som voor het schilderij.

surgery

/ˈsɝː.dʒər.i/

(noun) operatie, chirurgie, praktijk

Voorbeeld:

She had to undergo emergency surgery for appendicitis.
Ze moest een spoedoperatie ondergaan voor blindedarmontsteking.

surround

/səˈraʊnd/

(verb) omringen, omsingelen

Voorbeeld:

The police quickly surrounded the building.
De politie omsingelde snel het gebouw.

surrounding

/səˈraʊn.dɪŋ/

(adjective) omliggend, omringend;

(noun) omgeving, omstreken

Voorbeeld:

The police cordoned off the area and the surrounding streets.
De politie zette het gebied en de omliggende straten af.

survey

/ˈsɝː.veɪ/

(noun) onderzoek, enquête, overzicht;

(verb) overzien, inspecteren, bekijken

Voorbeeld:

The architect conducted a survey of the building's structural integrity.
De architect voerde een onderzoek uit naar de structurele integriteit van het gebouw.

suspect

/səˈspekt/

(noun) verdachte;

(verb) vermoeden, argwaan hebben, aannemen;

(adjective) verdacht

Voorbeeld:

The police questioned the main suspect for hours.
De politie ondervroeg de hoofdverdachte urenlang.

swear

/swer/

(verb) vloeken, schelden, zweren

Voorbeeld:

He tends to swear a lot when he's angry.
Hij heeft de neiging veel te vloeken als hij boos is.

sweep

/swiːp/

(verb) vegen, buigen, bestrijken;

(noun) veeg, veegbeurt, bocht

Voorbeeld:

She used a broom to sweep the kitchen floor.
Ze gebruikte een bezem om de keukenvloer te vegen.

switch

/swɪtʃ/

(noun) schakelaar, verandering, overstap;

(verb) omschakelen, wisselen, aan-/uitzetten

Voorbeeld:

Flip the switch to turn on the light.
Zet de schakelaar om om het licht aan te doen.

sympathy

/ˈsɪm.pə.θi/

(noun) medeleven, sympathie, begrip

Voorbeeld:

I have great sympathy for those affected by the disaster.
Ik heb veel medeleven met de getroffenen van de ramp.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland