Vocabulaireverzameling Oxford 5000 - C1 - Letter C in Oxford 5000 - C1: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling 'Oxford 5000 - C1 - Letter C' in 'Oxford 5000 - C1' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren(noun) kast, kabinet
Voorbeeld:
(noun) berekening, calculatie, inschatting
Voorbeeld:
(noun) canvas, zeildoek, schilderij;
(verb) werven, onderzoeken
Voorbeeld:
(noun) mogelijkheid, capaciteit
Voorbeeld:
(noun) kapitalisme
Voorbeeld:
(noun) kapitalist, aanhanger van het kapitalisme;
(adjective) kapitalistisch
Voorbeeld:
(noun) lading, vracht, goederen
Voorbeeld:
(noun) koets, rijtuig, wagon
Voorbeeld:
(verb) snijden, houwen, trancheren
Voorbeeld:
(noun) casino, speelhal
Voorbeeld:
(noun) slachtoffer, gewonde, dode
Voorbeeld:
(noun) catalogus;
(verb) catalogiseren, lijsten
Voorbeeld:
(verb) verzorgen, catering verzorgen, voorzien in
Voorbeeld:
(noun) vee, runderen
Voorbeeld:
(noun) voorzichtigheid, waarschuwing, vermaning;
(verb) waarschuwen, vermanen
Voorbeeld:
(adjective) voorzichtig, bedachtzaam
Voorbeeld:
(verb) ophouden, stoppen
Voorbeeld:
(noun) begraafplaats, kerkhof
Voorbeeld:
(noun) zaal, kamer, privékamer;
(verb) laden, in de kamer brengen
Voorbeeld:
(noun) chaos, wanorde
Voorbeeld:
(verb) kenmerken, karakteriseren, typeren
Voorbeeld:
(noun) charme, bekoring, bedel;
(verb) bekoren, fascineren
Voorbeeld:
(noun) handvest, akte, privilege;
(verb) charteren, oprichten, huren
Voorbeeld:
(adjective) chronisch, langdurig, gewoontegetrouw
Voorbeeld:
(noun) homp, stuk, deel;
(verb) in stukken hakken, in brokken snijden
Voorbeeld:
(verb) circuleren, rondgaan, verspreiden
Voorbeeld:
(noun) circulatie, doorbloeding, oplage
Voorbeeld:
(noun) burgerschap, staatsburgerschap, maatschappelijke verantwoordelijkheid
Voorbeeld:
(adjective) burgerlijk, stedelijk
Voorbeeld:
(noun) burger, civiel persoon;
(adjective) civiel, burger-
Voorbeeld:
(noun) helderheid, duidelijkheid
Voorbeeld:
(noun) klap, botsing, gerinkel;
(verb) botsen, klappen, kletteren
Voorbeeld:
(noun) classificatie, indeling
Voorbeeld:
(verb) zich vastklampen, kleven, zich vastklampen aan
Voorbeeld:
(adjective) klinisch, afstandelijk, emotieloos
Voorbeeld:
(noun) sluiting, afsluiting, verwerking
Voorbeeld:
(noun) cluster, groep, tros;
(verb) clusteren, groeperen, samenkomen
Voorbeeld:
(noun) coalitie, verbond
Voorbeeld:
(adjective) kust-, kustgebied
Voorbeeld:
(noun) cocktail, mengsel, mix
Voorbeeld:
(adjective) cognitief
Voorbeeld:
(verb) samenvallen, overeenkomen
Voorbeeld:
(verb) samenwerken, collaboreren
Voorbeeld:
(noun) samenwerking, medewerking
Voorbeeld:
(adjective) collectief, gezamenlijk;
(noun) collectief, gemeenschap
Voorbeeld:
(noun) botsing, aanrijding, conflict
Voorbeeld:
(adjective) koloniaal
Voorbeeld:
(noun) columnist, rubriekschrijver
Voorbeeld:
(noun) gevecht, strijd;
(verb) bestrijden, vechten tegen
Voorbeeld:
(verb) beginnen, aanvangen
Voorbeeld:
(noun) commentaar, toelichting
Voorbeeld:
(noun) commentator, analist, annotator
Voorbeeld:
(noun) handel, commercie
Voorbeeld:
(noun) commissaris, lid van een commissie, hoofd van een afdeling
Voorbeeld:
(noun) grondstof, handelswaar, goed
Voorbeeld:
(noun) communist;
(adjective) communistisch
Voorbeeld:
(noun) metgezel, gezel, kompaan
Voorbeeld:
(adjective) vergelijkbaar, gelijkwaardig
Voorbeeld:
(noun) mededogen, compassie
Voorbeeld:
(verb) dwingen, noodzaken, teweegbrengen
Voorbeeld:
(adjective) overtuigend, boeiend, dwingend
Voorbeeld:
(verb) compenseren, vergoeden, uitbalanceren
Voorbeeld:
(noun) compensatie, schadevergoeding, salaris
Voorbeeld:
(noun) competentie, bekwaamheid
Voorbeeld:
(adjective) bekwaam, competent, kundig
Voorbeeld:
(verb) compileren, verzamelen, opstellen
Voorbeeld:
(noun) aanvulling, complement, volledig aantal;
(verb) aanvullen, completeren
Voorbeeld:
(noun) complexiteit, ingewikkeldheid
Voorbeeld:
(noun) naleving, overeenstemming, inschikkelijkheid
Voorbeeld:
(noun) complicatie, moeilijkheid, probleem
Voorbeeld:
(verb) voldoen aan, gehoorzamen
Voorbeeld:
(noun) samenstelling, opbouw, compositie
Voorbeeld:
(noun) compromis, schikking, aantasting;
(verb) compromitteren, concessies doen, aantasten
Voorbeeld:
(verb) berekenen, uitrekenen
Voorbeeld:
(verb) verbergen, verhullen, verzwijgen
Voorbeeld:
(verb) toegeven, erkennen, toestaan
Voorbeeld:
(verb) bedenken, voorstellen, begrijpen
Voorbeeld:
(noun) conceptie, bevruchting, idee
Voorbeeld:
(noun) concessie, tegemoetkoming, privilege
Voorbeeld:
(verb) veroordelen, afkeuren, straffen
Voorbeeld:
(verb) verlenen, toekennen, overleggen
Voorbeeld:
(noun) bekentenis, biecht
Voorbeeld:
(noun) configuratie, opstelling, indeling
Voorbeeld:
(verb) beperken, opschorten, vastzetten
Voorbeeld:
(noun) bevestiging, vormsel
Voorbeeld:
(verb) confronteren, onder ogen zien, voorleggen
Voorbeeld:
(noun) confrontatie, botsing, blootstelling
Voorbeeld:
(verb) feliciteren
Voorbeeld:
(noun) verzameling, bijeenkomst, gemeente
Voorbeeld:
(adjective) congressioneel, parlementair
Voorbeeld:
(verb) veroveren, onderwerpen, overwinnen
Voorbeeld:
(noun) geweten
Voorbeeld:
(noun) bewustzijn, bijzijn, besef
Voorbeeld:
(adjective) opeenvolgend, achtereenvolgend
Voorbeeld:
(noun) consensus, overeenstemming
Voorbeeld:
(noun) toestemming, instemming;
(verb) instemmen, toestemmen
Voorbeeld:
(verb) behouden, conserveren, beschermen;
(noun) jam, vruchtenjam
Voorbeeld:
(noun) consistentie, gelijkmatigheid, overeenstemming
Voorbeeld:
(verb) consolideren, versterken, samenvoegen
Voorbeeld:
(noun) kiesdistrict, kieskring, klantenkring
Voorbeeld:
(verb) vormen, uitmaken, oprichten
Voorbeeld:
(noun) grondwet, constitutie, samenstelling
Voorbeeld:
(adjective) grondwettelijk, constitutioneel, inherent
Voorbeeld:
(noun) beperking, dwang, terughoudendheid
Voorbeeld:
(noun) consultatie, overleg, consult
Voorbeeld:
(verb) overwegen, beschouwen, nadenken over
Voorbeeld:
(noun) minachting, verachting, minachting van het hof
Voorbeeld:
(verb) worstelen, strijden, beweren
Voorbeeld:
(noun) kanshebber, uitdager, mededinger
Voorbeeld:
(noun) inhoud, gehalte;
(adjective) tevreden, voldaan;
(verb) tevredenstellen, voldoen
Voorbeeld:
(noun) onenigheid, geschil, twist
Voorbeeld:
(adverb) voortdurend, herhaaldelijk, onophoudelijk
Voorbeeld:
(noun) aannemer, contractant
Voorbeeld:
(noun) tegenspraak, contradictie, weerlegging
Voorbeeld:
(adjective) tegenovergesteld, strijdig;
(noun) integendeel, het tegenovergestelde
Voorbeeld:
(noun) bijdrager, donateur, medewerker
Voorbeeld:
(noun) omzetting, conversie, bekering
Voorbeeld:
(verb) veroordelen;
(noun) gevangene, veroordeelde
Voorbeeld:
(noun) veroordeling, overtuiging, geloof
Voorbeeld:
(verb) samenwerken, coopereren, meewerken
Voorbeeld:
(adjective) coöperatief, samenwerkend, meewerkend;
(noun) coöperatie
Voorbeeld:
(verb) coördineren, afstemmen, matchen;
(noun) coördinaat, coördinaten;
(adjective) gelijkwaardig, coördinerend
Voorbeeld:
(noun) coördinatie, afstemming, motoriek
Voorbeeld:
(noun) coördinator, regelaar
Voorbeeld:
(noun) agent, politieagent;
(verb) pakken, arresteren, verkrijgen
Voorbeeld:
(noun) koper, koperkleur, agent;
(verb) verkoperen, met koper bedekken;
(adjective) koperen
Voorbeeld:
(noun) auteursrecht, copyright;
(verb) auteursrechtelijk beschermen, copyrighten
Voorbeeld:
(noun) correctie, verbetering
Voorbeeld:
(verb) correleren, verband houden met;
(noun) correlatie, verband
Voorbeeld:
(noun) correlatie, verband
Voorbeeld:
(verb) overeenkomen, corresponderen, briefwisseling hebben
Voorbeeld:
(noun) correspondentie, briefwisseling, overeenkomst
Voorbeeld:
(noun) correspondent, verslaggever, briefschrijver;
(adjective) overeenkomstig, corresponderend
Voorbeeld:
(adjective) overeenkomstig, corresponderend
Voorbeeld:
(adjective) corrupt, omkoopbaar, bedorven;
(verb) corrumperen, bederven, beschadigen
Voorbeeld:
(noun) corruptie, omkoping, bederf
Voorbeeld:
(adjective) duur, kostbaar, nadelig
Voorbeeld:
(noun) raadslid, gemeenteraadslid
Voorbeeld:
(noun) counseling, begeleiding, advies
Voorbeeld:
(noun) counselor, raadgever
Voorbeeld:
(noun) toonbank, balie, teller;
(verb) tegenwerken, weerleggen;
(adjective) tegen, strijdig met;
(adverb) tegen, in strijd met
Voorbeeld:
(noun) tegenhanger, equivalent
Voorbeeld:
(adjective) talloos, ontelbaar
Voorbeeld:
(noun) staatsgreep, coup, prestatie
Voorbeeld:
(noun) hoffelijkheid, beleefdheid, service
Voorbeeld:
(noun) ambacht, handwerk, vaartuig;
(verb) maken, vervaardigen
Voorbeeld:
(verb) kruipen, langzaam voortbewegen;
(noun) kruipsnelheid, langzame voortgang
Voorbeeld:
(noun) schepper, maker, bedenker
Voorbeeld:
(noun) geloofwaardigheid
Voorbeeld:
(adjective) geloofwaardig, aannemelijk, betrouwbaar
Voorbeeld:
(verb) kruipen, sluipen, ranken;
(noun) enge vent, gluiperd
Voorbeeld:
(noun) kritiek, beoordeling;
(verb) bekritiseren, beoordelen
Voorbeeld:
(noun) kroon, Kroon, monarchie;
(verb) kronen, bekronen, toppen
Voorbeeld:
(adjective) ruw, onbewerkt, grof
Voorbeeld:
(verb) verpletteren, verbrijzelen, onderdrukken;
(noun) crush, verliefdheid, menigte
Voorbeeld:
(noun) kristal, kristalglas;
(adjective) kristalhelder, doorzichtig
Voorbeeld:
(noun) cultus, sekte, religieuze groep;
(adjective) sekte-, cultus-
Voorbeeld:
(verb) verbouwen, bewerken, ontwikkelen
Voorbeeld:
(noun) nieuwsgierigheid, curiositeit, rariteit
Voorbeeld:
(noun) voogdij, ouderschapsgezag, hechtenis
Voorbeeld:
(noun) snijden, knippen, stekje;
(adjective) scherp, bijtend
Voorbeeld:
(adjective) cynisch
Voorbeeld: