Vocabulaireverzameling A1 - Letter S in Oxford 3000 - A1: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling 'A1 - Letter S' in 'Oxford 3000 - A1' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren(adjective) verdrietig, triest, droevig
Voorbeeld:
(noun) salade
Voorbeeld:
(noun) zout, chemische verbinding;
(verb) zouten, pekelen
Voorbeeld:
(adjective) hetzelfde, gelijk;
(pronoun) hetzelfde;
(adverb) hetzelfde, op dezelfde manier
Voorbeeld:
(noun) broodje, sandwich;
(verb) wringen, inklemmen
Voorbeeld:
(noun) zaterdag
Voorbeeld:
(verb) zeggen, uitspreken, betekenen;
(noun) zegje, inspraak
Voorbeeld:
(noun) school, schooltijd, les;
(verb) onderwijzen, scholen
Voorbeeld:
(noun) wetenschap, vakgebied
Voorbeeld:
(noun) wetenschapper
Voorbeeld:
(noun) zee, meer, grote hoeveelheid
Voorbeeld:
(noun) seconde, tweede, tweede plaats;
(ordinal number) tweede;
(verb) steunen, ondersteunen
Voorbeeld:
(noun) sectie, gedeelte, afdeling;
(verb) verdelen, indelen
Voorbeeld:
(verb) zien, waarnemen, begrijpen;
(noun) bisdom, zetel;
(exclamation) zie, begrijp
Voorbeeld:
(verb) verkopen, verhandelen, overtuigen;
(noun) verkoop, bedrog
Voorbeeld:
(verb) sturen, verzenden, doen gaan
Voorbeeld:
(noun) zin, straf, veroordeling;
(verb) veroordelen, straffen
Voorbeeld:
(noun) september
Voorbeeld:
(number) zeven
Voorbeeld:
(number) zeventien
Voorbeeld:
(number) zeventig
Voorbeeld:
(noun) deel, aandeel;
(verb) delen, meedelen
Voorbeeld:
(pronoun) zij, ze;
(noun) zij, vrouw
Voorbeeld:
(noun) schaap, volger, meeloper
Voorbeeld:
(noun) hemd, shirt
Voorbeeld:
(noun) schoen;
(verb) beslaan
Voorbeeld:
(noun) winkel, zaak, werkplaats;
(verb) winkelen, kopen, verlinken
Voorbeeld:
(noun) winkelen, boodschappen doen;
(verb) winkelen, boodschappen doen
Voorbeeld:
(adjective) kort, tekort, onvoldoende;
(adverb) abrupt, plotseling;
(verb) voorschieten, lenen
Voorbeeld:
(modal verb) zou moeten, dienen, waarschijnlijk
Voorbeeld:
(verb) tonen, laten zien, presenteren;
(noun) show, voorstelling, vertoning
Voorbeeld:
(noun) douche, douchebeurt, bui;
(verb) douchen, neerregenen, overladen
Voorbeeld:
(adjective) ziek, misselijk, geweldig;
(verb) overgeven, braken
Voorbeeld:
(adjective) vergelijkbaar, gelijksoortig
Voorbeeld:
(verb) zingen, kwinkeleren, fluiten
Voorbeeld:
(noun) zanger, zangeres
Voorbeeld:
(noun) zus, zuster, collega
Voorbeeld:
(verb) zitten, zitting hebben, behandelen;
(noun) zit, zitting
Voorbeeld:
(noun) situatie, toestand, omstandigheid
Voorbeeld:
(number) zes
Voorbeeld:
(number) zestig;
(plural noun) jaren zestig
Voorbeeld:
(noun) vaardigheid, bekwaamheid
Voorbeeld:
(noun) rok, onderkant;
(verb) omzeilen, langsgaan, vermijden
Voorbeeld:
(adjective) langzaam, traag, dom;
(adverb) langzaam;
(verb) vertragen, afremmen
Voorbeeld:
(adjective) klein, onbelangrijk;
(adverb) klein, fijn
Voorbeeld:
(noun) slang, verrader;
(verb) kronkelen, slingeren, sluipen
Voorbeeld:
(noun) sneeuw;
(verb) sneeuwen
Voorbeeld:
(adverb) zo, erg, inderdaad;
(conjunction) dus, daarom
Voorbeeld:
(determiner) wat, enkele, een of andere;
(pronoun) wat, enkele;
(adverb) nogal, tamelijk
Voorbeeld:
(pronoun) iemand, belangrijk persoon
Voorbeeld:
(pronoun) iemand;
(noun) iemand van belang, belangrijk persoon
Voorbeeld:
(pronoun) iets, iets bijzonders, iemand van betekenis;
(adverb) enigszins, nogal
Voorbeeld:
(adverb) soms, af en toe
Voorbeeld:
(noun) zoon, afstammeling
Voorbeeld:
(noun) lied, nummer, gezang
Voorbeeld:
(adverb) spoedig, binnenkort, eerder
Voorbeeld:
(adjective) spijtig, berouwvol, medelijden;
(exclamation) sorry, excuseer
Voorbeeld:
(noun) geluid, klank, zeestraat;
(verb) klinken, luiden, lijken;
(adjective) gezond, deugdelijk, verstandig;
(adverb) diep, grondig
Voorbeeld:
(noun) soep
Voorbeeld:
(noun) zuiden;
(adjective) zuidelijk;
(adverb) zuidwaarts
Voorbeeld:
(noun) ruimte, plek, heelal;
(verb) verspreiden, uit elkaar plaatsen
Voorbeeld:
(verb) spreken, praten, een lezing geven
Voorbeeld:
(adjective) speciaal, bijzonder, bestemd;
(noun) special, speciale uitzending, dagschotel
Voorbeeld:
(verb) spellen, betekenen, voorspellen;
(noun) spreuk, betovering, periode
Voorbeeld:
(noun) spelling, schrijfwijze
Voorbeeld:
(verb) uitgeven, besteden, doorbrengen;
(noun) uitgave, besteding
Voorbeeld:
(noun) sport, sportsman, sportieveling;
(verb) dragen, pronken met
Voorbeeld:
(noun) lente, voorjaar, veer;
(verb) springen, veren, ontspringen
Voorbeeld:
(verb) staan, plaatsen, zetten;
(noun) standaard, rek, standpunt
Voorbeeld:
(noun) ster, beroemdheid, sterfiguur;
(verb) de hoofdrol spelen, schitteren;
(adjective) uitstekend, uitmuntend
Voorbeeld:
(noun) start, begin;
(verb) beginnen, starten, opzetten
Voorbeeld:
(noun) verklaring, uitspraak, afschrift
Voorbeeld:
(noun) station, halte, post;
(verb) stationeren, plaatsen
Voorbeeld:
(verb) blijven, verblijven, voortduren;
(noun) verblijf, logeerpartij
Voorbeeld:
(adverb) nog steeds, nog, toch;
(adjective) stil, onbeweeglijk;
(noun) stilstaand beeld, foto;
(verb) kalmeren, tot rust brengen
Voorbeeld:
(noun) stop, einde, halte;
(verb) stoppen, beëindigen, ophouden
Voorbeeld:
(noun) verhaal, sprookje, verslag
Voorbeeld:
(noun) straat, weg, straatbewoners
Voorbeeld:
(adjective) sterk, krachtig, stevig
Voorbeeld:
(noun) student, leerling
Voorbeeld:
(noun) studie, leren, werkkamer;
(verb) studeren, leren, bestuderen
Voorbeeld:
(noun) stijl, mode, manier;
(verb) stylen, vormgeven, ontwerpen
Voorbeeld:
(noun) onderwerp, thema, vak;
(verb) onderwerpen, blootstellen;
(adjective) onderhevig aan, afhankelijk van
Voorbeeld:
(noun) succes, welslagen, succesnummer
Voorbeeld:
(noun) suiker, schatje, liefje;
(verb) suikeren, zoeten
Voorbeeld:
(noun) zomer;
(verb) zomeren
Voorbeeld:
(noun) zon, zonlicht, zonnewarmte;
(verb) zonnen, blootstellen aan de zon
Voorbeeld:
(noun) zondag
Voorbeeld:
(noun) supermarkt
Voorbeeld:
(adjective) zeker, vaststaand, overtuigd;
(adverb) zeker, inderdaad;
(exclamation) zeker, natuurlijk
Voorbeeld:
(noun) trui, pullover
Voorbeeld:
(verb) zwemmen, duizelen, draaien;
(noun) zwempartij, zwem
Voorbeeld:
(noun) zwemmen, zwemsport;
(adjective) zwemmend, duizelend
Voorbeeld: