Avatar of Vocabulary Set A1 - Letter S

Vocabulaireverzameling A1 - Letter S in Oxford 3000 - A1: Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'A1 - Letter S' in 'Oxford 3000 - A1' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

sad

/sæd/

(adjective) verdrietig, triest, droevig

Voorbeeld:

She felt sad after hearing the news.
Ze voelde zich verdrietig na het horen van het nieuws.

salad

/ˈsæl.əd/

(noun) salade

Voorbeeld:

I ordered a fresh green salad with grilled chicken.
Ik bestelde een verse groene salade met gegrilde kip.

salt

/sɑːlt/

(noun) zout, chemische verbinding;

(verb) zouten, pekelen

Voorbeeld:

Add a pinch of salt to the soup for flavor.
Voeg een snufje zout toe aan de soep voor de smaak.

same

/seɪm/

(adjective) hetzelfde, gelijk;

(pronoun) hetzelfde;

(adverb) hetzelfde, op dezelfde manier

Voorbeeld:

We have the same car.
We hebben dezelfde auto.

sandwich

/ˈsæn.wɪtʃ/

(noun) broodje, sandwich;

(verb) wringen, inklemmen

Voorbeeld:

I'll have a ham and cheese sandwich for lunch.
Ik neem een ham-kaas broodje voor de lunch.

saturday

/ˈsæt̬.ɚ.deɪ/

(noun) zaterdag

Voorbeeld:

We're going to the beach on Saturday.
We gaan zaterdag naar het strand.

say

/seɪ/

(verb) zeggen, uitspreken, betekenen;

(noun) zegje, inspraak

Voorbeeld:

He didn't say anything.
Hij zei niets.

school

/skuːl/

(noun) school, schooltijd, les;

(verb) onderwijzen, scholen

Voorbeeld:

My daughter starts school next year.
Mijn dochter begint volgend jaar met school.

science

/ˈsaɪ.əns/

(noun) wetenschap, vakgebied

Voorbeeld:

The study of science is essential for understanding the world around us.
De studie van wetenschap is essentieel voor het begrijpen van de wereld om ons heen.

scientist

/ˈsaɪ.ən.tɪst/

(noun) wetenschapper

Voorbeeld:

The scientist conducted experiments to test the hypothesis.
De wetenschapper voerde experimenten uit om de hypothese te testen.

sea

/siː/

(noun) zee, meer, grote hoeveelheid

Voorbeeld:

The ship sailed across the vast sea.
Het schip zeilde over de uitgestrekte zee.

second

/ˈsek.ənd/

(noun) seconde, tweede, tweede plaats;

(ordinal number) tweede;

(verb) steunen, ondersteunen

Voorbeeld:

The race was won by a mere second.
De race werd gewonnen met slechts één seconde.

section

/ˈsek.ʃən/

(noun) sectie, gedeelte, afdeling;

(verb) verdelen, indelen

Voorbeeld:

The book has a large section on local history.
Het boek heeft een grote sectie over lokale geschiedenis.

see

/siː/

(verb) zien, waarnemen, begrijpen;

(noun) bisdom, zetel;

(exclamation) zie, begrijp

Voorbeeld:

Can you see the mountains from here?
Kun je de bergen van hier zien?

sell

/sel/

(verb) verkopen, verhandelen, overtuigen;

(noun) verkoop, bedrog

Voorbeeld:

They decided to sell their old car.
Ze besloten hun oude auto te verkopen.

send

/send/

(verb) sturen, verzenden, doen gaan

Voorbeeld:

I will send you an email with the details.
Ik zal je een e-mail sturen met de details.

sentence

/ˈsen.təns/

(noun) zin, straf, veroordeling;

(verb) veroordelen, straffen

Voorbeeld:

Please write a complete sentence.
Schrijf alstublieft een volledige zin.

september

/sepˈtem.bɚ/

(noun) september

Voorbeeld:

Her birthday is in September.
Haar verjaardag is in september.

seven

/ˈsev.ən/

(number) zeven

Voorbeeld:

There are seven days in a week.
Er zijn zeven dagen in een week.

seventeen

/ˌsev.ənˈtiːn/

(number) zeventien

Voorbeeld:

She is seventeen years old.
Ze is zeventien jaar oud.

seventy

/ˈsev.ən.t̬i/

(number) zeventig

Voorbeeld:

She is seventy years old.
Ze is zeventig jaar oud.

share

/ʃer/

(noun) deel, aandeel;

(verb) delen, meedelen

Voorbeeld:

Everyone received an equal share of the profits.
Iedereen ontving een gelijk deel van de winst.

she

/ʃiː/

(pronoun) zij, ze;

(noun) zij, vrouw

Voorbeeld:

My sister is coming over. She wants to see you.
Mijn zus komt langs. Zij wil je zien.

sheep

/ʃiːp/

(noun) schaap, volger, meeloper

Voorbeeld:

The farmer led his flock of sheep to the pasture.
De boer leidde zijn kudde schapen naar de weide.

shirt

/ʃɝːt/

(noun) hemd, shirt

Voorbeeld:

He wore a blue shirt to the office.
Hij droeg een blauw hemd naar kantoor.

shoe

/ʃuː/

(noun) schoen;

(verb) beslaan

Voorbeeld:

She bought a new pair of shoes for the party.
Ze kocht een nieuw paar schoenen voor het feest.

shop

/ʃɑːp/

(noun) winkel, zaak, werkplaats;

(verb) winkelen, kopen, verlinken

Voorbeeld:

I need to go to the grocery shop.
Ik moet naar de kruidenierswinkel.

shopping

/ˈʃɑː.pɪŋ/

(noun) winkelen, boodschappen doen;

(verb) winkelen, boodschappen doen

Voorbeeld:

I love going shopping for new clothes.
Ik ga graag winkelen voor nieuwe kleren.

short

/ʃɔːrt/

(adjective) kort, tekort, onvoldoende;

(adverb) abrupt, plotseling;

(verb) voorschieten, lenen

Voorbeeld:

She has short hair.
Ze heeft kort haar.

should

/ʃʊd/

(modal verb) zou moeten, dienen, waarschijnlijk

Voorbeeld:

You should apologize for your behavior.
Je zou je moeten verontschuldigen voor je gedrag.

show

/ʃoʊ/

(verb) tonen, laten zien, presenteren;

(noun) show, voorstelling, vertoning

Voorbeeld:

He likes to show off his new car.
Hij pronkt graag met zijn nieuwe auto.

shower

/ˈʃaʊ.ɚ/

(noun) douche, douchebeurt, bui;

(verb) douchen, neerregenen, overladen

Voorbeeld:

I need to fix the leaky shower head.
Ik moet de lekkende douchekop repareren.

sick

/sɪk/

(adjective) ziek, misselijk, geweldig;

(verb) overgeven, braken

Voorbeeld:

I feel sick, I think I ate something bad.
Ik voel me misselijk, ik denk dat ik iets verkeerds heb gegeten.

similar

/ˈsɪm.ə.lɚ/

(adjective) vergelijkbaar, gelijksoortig

Voorbeeld:

The two paintings are very similar in style.
De twee schilderijen zijn erg vergelijkbaar in stijl.

sing

/sɪŋ/

(verb) zingen, kwinkeleren, fluiten

Voorbeeld:

She loves to sing in the shower.
Ze houdt ervan om onder de douche te zingen.

singer

/ˈsɪŋ.ɚ/

(noun) zanger, zangeres

Voorbeeld:

She is a talented singer with a powerful voice.
Zij is een getalenteerde zangeres met een krachtige stem.

sister

/ˈsɪs.tɚ/

(noun) zus, zuster, collega

Voorbeeld:

My older sister lives in London.
Mijn oudere zus woont in Londen.

sit

/sɪt/

(verb) zitten, zitting hebben, behandelen;

(noun) zit, zitting

Voorbeeld:

Please sit down.
Ga alsjeblieft zitten.

situation

/ˌsɪtʃ.uˈeɪ.ʃən/

(noun) situatie, toestand, omstandigheid

Voorbeeld:

The economic situation is improving.
De economische situatie verbetert.

six

/sɪks/

(number) zes

Voorbeeld:

There are six apples in the basket.
Er liggen zes appels in de mand.

sixteen

/ˌsɪkˈstiːn/

(number) zestien

Voorbeeld:

She is sixteen years old.
Ze is zestien jaar oud.

sixty

/ˈsɪk.sti/

(number) zestig;

(plural noun) jaren zestig

Voorbeeld:

She is sixty years old.
Ze is zestig jaar oud.

skill

/skɪl/

(noun) vaardigheid, bekwaamheid

Voorbeeld:

He has excellent communication skills.
Hij heeft uitstekende communicatievaardigheden.

skirt

/skɝːt/

(noun) rok, onderkant;

(verb) omzeilen, langsgaan, vermijden

Voorbeeld:

She wore a long, flowing skirt to the party.
Ze droeg een lange, zwierige rok naar het feest.

sleep

/sliːp/

(noun) slaap;

(verb) slapen

Voorbeeld:

I need to get more sleep.
Ik moet meer slapen.

slow

/sloʊ/

(adjective) langzaam, traag, dom;

(adverb) langzaam;

(verb) vertragen, afremmen

Voorbeeld:

The car was going too slow.
De auto ging te langzaam.

small

/smɑːl/

(adjective) klein, onbelangrijk;

(adverb) klein, fijn

Voorbeeld:

She lives in a small house.
Ze woont in een klein huis.

snake

/sneɪk/

(noun) slang, verrader;

(verb) kronkelen, slingeren, sluipen

Voorbeeld:

A venomous snake slithered through the grass.
Een giftige slang glibberde door het gras.

snow

/snoʊ/

(noun) sneeuw;

(verb) sneeuwen

Voorbeeld:

The children were excited to see the first snow of the winter.
De kinderen waren opgewonden om de eerste sneeuw van de winter te zien.

so

/soʊ/

(adverb) zo, erg, inderdaad;

(conjunction) dus, daarom

Voorbeeld:

Why are you so sad?
Waarom ben je zo verdrietig?

some

/sʌm/

(determiner) wat, enkele, een of andere;

(pronoun) wat, enkele;

(adverb) nogal, tamelijk

Voorbeeld:

I need some time to think.
Ik heb wat tijd nodig om na te denken.

somebody

/ˈsʌmˌbɑː.di/

(pronoun) iemand, belangrijk persoon

Voorbeeld:

Somebody left the door open.
Iemand heeft de deur opengelaten.

someone

/ˈsʌm.wʌn/

(pronoun) iemand;

(noun) iemand van belang, belangrijk persoon

Voorbeeld:

Someone left the door open.
Iemand heeft de deur opengelaten.

something

/ˈsʌm.θɪŋ/

(pronoun) iets, iets bijzonders, iemand van betekenis;

(adverb) enigszins, nogal

Voorbeeld:

I need something to write with.
Ik heb iets nodig om mee te schrijven.

sometimes

/ˈsʌm.taɪmz/

(adverb) soms, af en toe

Voorbeeld:

Sometimes I like to read a book before bed.
Soms lees ik graag een boek voor het slapengaan.

son

/sʌn/

(noun) zoon, afstammeling

Voorbeeld:

Their son is studying abroad.
Hun zoon studeert in het buitenland.

song

/sɑːŋ/

(noun) lied, nummer, gezang

Voorbeeld:

She sang a beautiful song.
Ze zong een prachtig lied.

soon

/suːn/

(adverb) spoedig, binnenkort, eerder

Voorbeeld:

I'll be home soon.
Ik ben spoedig thuis.

sorry

/ˈsɔːr.i/

(adjective) spijtig, berouwvol, medelijden;

(exclamation) sorry, excuseer

Voorbeeld:

I'm sorry for the mistake I made.
Het spijt me voor de fout die ik heb gemaakt.

sound

/saʊnd/

(noun) geluid, klank, zeestraat;

(verb) klinken, luiden, lijken;

(adjective) gezond, deugdelijk, verstandig;

(adverb) diep, grondig

Voorbeeld:

The sound of music filled the room.
Het geluid van muziek vulde de kamer.

soup

/suːp/

(noun) soep

Voorbeeld:

She made a delicious chicken soup for dinner.
Ze maakte een heerlijke kippensoep voor het avondeten.

south

/saʊθ/

(noun) zuiden;

(adjective) zuidelijk;

(adverb) zuidwaarts

Voorbeeld:

The birds fly south for the winter.
De vogels vliegen naar het zuiden voor de winter.

space

/speɪs/

(noun) ruimte, plek, heelal;

(verb) verspreiden, uit elkaar plaatsen

Voorbeeld:

There's not enough space for all these books.
Er is niet genoeg ruimte voor al deze boeken.

speak

/spiːk/

(verb) spreken, praten, een lezing geven

Voorbeeld:

He didn't speak a word.
Hij sprak geen woord.

special

/ˈspeʃ.əl/

(adjective) speciaal, bijzonder, bestemd;

(noun) special, speciale uitzending, dagschotel

Voorbeeld:

This is a special occasion.
Dit is een speciale gelegenheid.

spell

/spel/

(verb) spellen, betekenen, voorspellen;

(noun) spreuk, betovering, periode

Voorbeeld:

Can you spell your name for me?
Kun je je naam voor me spellen?

spelling

/ˈspel.ɪŋ/

(noun) spelling, schrijfwijze

Voorbeeld:

Her spelling is excellent.
Haar spelling is uitstekend.

spend

/spend/

(verb) uitgeven, besteden, doorbrengen;

(noun) uitgave, besteding

Voorbeeld:

How much did you spend on your new car?
Hoeveel heb je uitgegeven aan je nieuwe auto?

sport

/spɔːrt/

(noun) sport, sportsman, sportieveling;

(verb) dragen, pronken met

Voorbeeld:

Football is a popular sport.
Voetbal is een populaire sport.

spring

/sprɪŋ/

(noun) lente, voorjaar, veer;

(verb) springen, veren, ontspringen

Voorbeeld:

Flowers bloom beautifully in spring.
Bloemen bloeien prachtig in de lente.

stand

/stænd/

(verb) staan, plaatsen, zetten;

(noun) standaard, rek, standpunt

Voorbeeld:

Please stand when the judge enters.
Gelieve te staan wanneer de rechter binnenkomt.

star

/stɑːr/

(noun) ster, beroemdheid, sterfiguur;

(verb) de hoofdrol spelen, schitteren;

(adjective) uitstekend, uitmuntend

Voorbeeld:

The night sky was filled with twinkling stars.
De nachtelijke hemel was gevuld met fonkelende sterren.

start

/stɑːrt/

(noun) start, begin;

(verb) beginnen, starten, opzetten

Voorbeeld:

The race will start at 10 AM.
De race zal om 10 uur 's ochtends beginnen.

statement

/ˈsteɪt.mənt/

(noun) verklaring, uitspraak, afschrift

Voorbeeld:

The witness gave a detailed statement to the police.
De getuige gaf een gedetailleerde verklaring aan de politie.

station

/ˈsteɪ.ʃən/

(noun) station, halte, post;

(verb) stationeren, plaatsen

Voorbeeld:

I'll meet you at the train station.
Ik ontmoet je op het treinstation.

stay

/steɪ/

(verb) blijven, verblijven, voortduren;

(noun) verblijf, logeerpartij

Voorbeeld:

Please stay here until I return.
Blijf hier alstublieft totdat ik terugkom.

still

/stɪl/

(adverb) nog steeds, nog, toch;

(adjective) stil, onbeweeglijk;

(noun) stilstaand beeld, foto;

(verb) kalmeren, tot rust brengen

Voorbeeld:

It's still raining outside.
Het regent nog steeds buiten.

stop

/stɑːp/

(noun) stop, einde, halte;

(verb) stoppen, beëindigen, ophouden

Voorbeeld:

The car came to a sudden stop.
De auto kwam plotseling tot stilstand.

story

/ˈstɔːr.i/

(noun) verhaal, sprookje, verslag

Voorbeeld:

She told us a fascinating story about her travels.
Ze vertelde ons een fascinerend verhaal over haar reizen.

street

/striːt/

(noun) straat, weg, straatbewoners

Voorbeeld:

The children were playing in the street.
De kinderen speelden op straat.

strong

/strɑːŋ/

(adjective) sterk, krachtig, stevig

Voorbeeld:

He is a very strong man.
Hij is een zeer sterke man.

student

/ˈstuː.dənt/

(noun) student, leerling

Voorbeeld:

The new student quickly made friends.
De nieuwe student maakte snel vrienden.

study

/ˈstʌd.i/

(noun) studie, leren, werkkamer;

(verb) studeren, leren, bestuderen

Voorbeeld:

She spent all night studying for her exams.
Ze heeft de hele nacht gestudeerd voor haar examens.

style

/staɪl/

(noun) stijl, mode, manier;

(verb) stylen, vormgeven, ontwerpen

Voorbeeld:

The new building has a modern style.
Het nieuwe gebouw heeft een moderne stijl.

subject

/ˈsʌb.dʒekt/

(noun) onderwerp, thema, vak;

(verb) onderwerpen, blootstellen;

(adjective) onderhevig aan, afhankelijk van

Voorbeeld:

The main subject of the meeting was the new budget.
Het hoofdonderwerp van de vergadering was de nieuwe begroting.

success

/səkˈses/

(noun) succes, welslagen, succesnummer

Voorbeeld:

Her hard work led to the success of the project.
Haar harde werk leidde tot het succes van het project.

sugar

/ˈʃʊɡ.ɚ/

(noun) suiker, schatje, liefje;

(verb) suikeren, zoeten

Voorbeeld:

Add two spoons of sugar to your coffee.
Voeg twee lepels suiker toe aan je koffie.

summer

/ˈsʌm.ɚ/

(noun) zomer;

(verb) zomeren

Voorbeeld:

We usually go on vacation in the summer.
We gaan meestal op vakantie in de zomer.

sun

/sʌn/

(noun) zon, zonlicht, zonnewarmte;

(verb) zonnen, blootstellen aan de zon

Voorbeeld:

The sun is shining brightly today.
De zon schijnt vandaag fel.

sunday

/ˈsʌn.deɪ/

(noun) zondag

Voorbeeld:

We usually go to church on Sunday mornings.
We gaan meestal op zondagochtend naar de kerk.

supermarket

/ˈsuː.pɚˌmɑːr.kɪt/

(noun) supermarkt

Voorbeeld:

I need to go to the supermarket to buy groceries.
Ik moet naar de supermarkt om boodschappen te doen.

sure

/ʃʊr/

(adjective) zeker, vaststaand, overtuigd;

(adverb) zeker, inderdaad;

(exclamation) zeker, natuurlijk

Voorbeeld:

It's sure to rain later.
Het gaat zeker later regenen.

sweater

/ˈswet̬.ɚ/

(noun) trui, pullover

Voorbeeld:

She wore a warm wool sweater.
Ze droeg een warme wollen trui.

swim

/swɪm/

(verb) zwemmen, duizelen, draaien;

(noun) zwempartij, zwem

Voorbeeld:

I love to swim in the ocean.
Ik hou ervan om in de oceaan te zwemmen.

swimming

/ˈswɪm.ɪŋ/

(noun) zwemmen, zwemsport;

(adjective) zwemmend, duizelend

Voorbeeld:

She goes swimming every morning.
Ze gaat elke ochtend zwemmen.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland