Vocabulaireverzameling Werkwoorden Gerelateerd aan Dieren in Dieren: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling 'Werkwoorden Gerelateerd aan Dieren' in 'Dieren' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren(verb) grazen, schampen, raken;
(noun) schaafwond, schram
Voorbeeld:
(verb) jagen, jacht maken op, zoeken;
(noun) jacht, speurtocht
Voorbeeld:
(verb) duiken, springen, snel bewegen;
(noun) duik, sprong, daling
Voorbeeld:
(verb) vervellen, ruien;
(noun) rui, vervelling
Voorbeeld:
(verb) winterslaap houden, overwinteren, inactief zijn
Voorbeeld:
(verb) migreren, trekken, verhuizen
Voorbeeld:
(verb) zwemmen, duizelen, draaien;
(noun) zwempartij, zwem
Voorbeeld:
(noun) zitstok, roest, baars;
(verb) neerstrijken, zitten, plaatsen
Voorbeeld:
(verb) wrijven, vleien
Voorbeeld:
(verb) zweven, hangen, aarzelen
Voorbeeld:
(verb) domesticeren, temmen, aanpassen
Voorbeeld:
(verb) voeden, voeren, toevoeren;
(noun) voeding, voer, feed
Voorbeeld:
(verb) zingen, kwinkeleren, fluiten
Voorbeeld:
(noun) camouflage, verhulling;
(verb) camoufleren, verbergen, maskeren
Voorbeeld:
(noun) slag, streek, beroerte;
(verb) aaien, strelen, slaan
Voorbeeld:
(verb) pikken, hakken, kussen;
(noun) kusje, pik, slag met de snavel
Voorbeeld:
(noun) stengel, steel;
(verb) besluipen, stalken, stampen
Voorbeeld:
(noun) angel, steek, prik;
(verb) steken, prikken, branden
Voorbeeld:
(verb) bijten, hap, aantasten;
(noun) beet, hap, hapje
Voorbeeld:
(verb) zweven, stijgen, snel stijgen
Voorbeeld:
(verb) glibberen, kruipen;
(noun) glibber, glijden
Voorbeeld:
(verb) achtervolgen, najagen, streven naar;
(noun) achtervolging, jacht
Voorbeeld:
(verb) huppelen, springen, wippen;
(noun) sprong, hupje, vlucht
Voorbeeld:
(noun) borstelhaar, stekel;
(verb) borstelen, overeind staan, geïrriteerd reageren
Voorbeeld:
(noun) dollar, bok, mannetje;
(verb) weerstaan, bokken
Voorbeeld:
(verb) draaien, rondtollen, spinnen;
(noun) draai, rondje, interpretatie
Voorbeeld:
(noun) zwerm, menigte, massa;
(verb) zwermen, zich verzamelen, wimmelen van
Voorbeeld:
(verb) bestuiven
Voorbeeld:
(verb) kwinkeleren, trilleren;
(noun) kwinkelslag, triller
Voorbeeld:
(verb) poetsen, opknappen, zich opmaken
Voorbeeld:
(noun) nest, toevluchtsoord, schuilplaats;
(verb) nestelen, zich vestigen
Voorbeeld:
(noun) moeras, slijk;
(verb) afwerpen, afschilferen
Voorbeeld:
(noun) geur, parfum, spoor;
(verb) ruiken, bespeuren, parfumeren
Voorbeeld:
(verb) schuimen, verzamelen, zoeken
Voorbeeld:
(phrasal verb) jagen op, preden op, misbruik maken van
Voorbeeld:
(noun) achterkant, achterzijde;
(adjective) achterste;
(verb) fokken, houden, opvoeden
Voorbeeld:
(noun) poot;
(verb) rommelen aan, krabben aan
Voorbeeld:
(verb) overwinteren
Voorbeeld:
(phrasal verb) zich voeden met, eten, voeden
Voorbeeld:
(noun) strand;
(verb) aan land brengen, stranden
Voorbeeld:
(verb) fouilleren, doorzoeken;
(noun) fouillering, doorzoeking
Voorbeeld:
(verb) ravotten, dartelen;
(noun) ravotten, dartelpartij
Voorbeeld:
(verb) woelen, verstoren, ergeren;
(noun) ruche, volant
Voorbeeld:
(noun) spray, spuitbus, tak;
(verb) spuiten, verstuiven
Voorbeeld:
(adjective) verlegen, schuw, teruggetrokken;
(verb) gooien, werpen, schrikken;
(noun) schrikbeweging, terugdeinzen
Voorbeeld:
(trademark) Scrabble, woordspel;
(verb) rommelen, krabben, graven
Voorbeeld:
(noun) wortel, oorzaak, grondslag;
(verb) wortelen, zich vestigen, doen wortelen
Voorbeeld:
(noun) hol, burcht;
(verb) graven, holen, zich verstoppen
Voorbeeld:
(verb) piekeren, overdenken, herkauwen
Voorbeeld:
(noun) galop;
(verb) galoppeer, rennen, spurten
Voorbeeld:
(noun) draf, snelle wandeling, drafje;
(verb) draffen, snel lopen, draafje maken
Voorbeeld:
(verb) snuffelen, rondkijken, surfen;
(noun) rondsnuffeling, kijkje
Voorbeeld:
(noun) draf, lange pas;
(verb) draffen, lopen met lange passen
Voorbeeld:
(verb) pronken, paraderen;
(noun) pronk, parade, stijl
Voorbeeld:
(verb) springen, sprong maken, snel bewegen;
(noun) sprong, beweging
Voorbeeld:
(verb) fladderen, flitsen, verhuizen;
(noun) vlucht, flits
Voorbeeld:
(verb) glijden, zweven;
(noun) glijvlucht, zweefvlucht
Voorbeeld:
(verb) fladderen, wapperen, trillen;
(noun) fladdering, trilling
Voorbeeld:
(verb) huppelen, rennen;
(noun) huppel, sprint
Voorbeeld:
(verb) sluipen, rondsluipen, rondsnuffelen;
(noun) sluipen, rondsnuffelen, jacht
Voorbeeld:
(verb) springen, hossen, begrenzen;
(adjective) begrensd, omsloten, op weg;
(noun) sprong, hup, grens
Voorbeeld:
(verb) slenteren, kuieren;
(noun) wandeling, slentertocht
Voorbeeld:
(verb) duiken, neerduiken, binnenvallen;
(noun) duik, inval
Voorbeeld:
(verb) waggelen, schommelen;
(noun) waggelgang, schommelgang
Voorbeeld:
(verb) aanrekenen, in rekening brengen, aanklagen;
(noun) kosten, vergoeding, aanklacht
Voorbeeld:
(verb) vliegen, schieten, voorbijvliegen;
(noun) vlieg, gulp
Voorbeeld:
(verb) kruipen, langzaam voortbewegen;
(noun) kruipsnelheid, langzame voortgang
Voorbeeld:
(noun) hout, timmerhout;
(verb) strompelen, zwaar lopen
Voorbeeld:
(verb) zwaaien, schommelen, klimmen;
(noun) schommel, verschuiving, omslag
Voorbeeld: