Vocabulaireverzameling Oxford 5000 - C1 - Letter D in Oxford 5000 - C1: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling 'Oxford 5000 - C1 - Letter D' in 'Oxford 5000 - C1' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren(noun) dam, stuwdam;
(verb) afdammen, indammen
Voorbeeld:
(adjective) schadelijk, verwoestend
Voorbeeld:
(noun) dageraad, zonsopgang, begin;
(verb) dagen, licht worden, duidelijk worden
Voorbeeld:
(noun) puin, afval, brokstukken
Voorbeeld:
(noun) debuut, eerste optreden;
(verb) debuteren, voor het eerst optreden
Voorbeeld:
(noun) besluitvorming
Voorbeeld:
(adjective) besluitvaardig, doortastend, beslissend
Voorbeeld:
(noun) verklaring, aankondiging, aangifte
Voorbeeld:
(adjective) toegewijd, devoot, bestemd
Voorbeeld:
(noun) toewijding, devotie, inzet
Voorbeeld:
(noun) daad, handeling, akte
Voorbeeld:
(verb) achten, beschouwen
Voorbeeld:
(noun) standaard, standaardinstelling, gebreke;
(verb) verzuimen, in gebreke blijven
Voorbeeld:
(noun) gebrek, fout, defect;
(verb) overlopen, deserteren
Voorbeeld:
(adjective) defensief, verdedigend
Voorbeeld:
(noun) tekort, gebrek, tekortkoming
Voorbeeld:
(noun) tekort, deficiëntie, beperking
Voorbeeld:
(verb) trotseren, weigeren te gehoorzamen, tarten
Voorbeeld:
(noun) afgevaardigde, gedelegeerde;
(verb) delegeren, overdragen, afvaardigen
Voorbeeld:
(noun) delegatie, afvaardiging, overdracht
Voorbeeld:
(adjective) delicaat, fragiel, breekbaar
Voorbeeld:
(noun) demon, duivel, wreed persoon
Voorbeeld:
(noun) ontkenning, loochening, weigering
Voorbeeld:
(verb) veroordelen, aan de kaak stellen, aangeven
Voorbeeld:
(adjective) dicht, compact, dom
Voorbeeld:
(noun) dichtheid, massadichtheid
Voorbeeld:
(noun) afhankelijkheid, verslaving
Voorbeeld:
(verb) afbeelden, uitbeelden, voorstellen
Voorbeeld:
(verb) inzetten, ontplooien, gebruiken
Voorbeeld:
(noun) inzet, implementatie, uitrol
Voorbeeld:
(noun) storting, deposito, aanbetaling;
(verb) deponeren, neerleggen, afzetten
Voorbeeld:
(verb) beroven, ontnemen
Voorbeeld:
(noun) plaatsvervanger, adjunct
Voorbeeld:
(verb) dalen, afdalen, afstammen van
Voorbeeld:
(noun) daling, afdaling, afkomst
Voorbeeld:
(verb) aanwijzen, benoemen, bestemmen
Voorbeeld:
(adjective) wenselijk, aantrekkelijk, begeerlijk
Voorbeeld:
(noun) bureaublad, desktopcomputer, desktop
Voorbeeld:
(adjective) destructief, vernietigend
Voorbeeld:
(verb) arresteren, vasthouden, ophouden
Voorbeeld:
(noun) detectie, opsporing, waarneming
Voorbeeld:
(noun) detentie, hechtenis, nablijven
Voorbeeld:
(verb) verslechteren, achteruitgaan
Voorbeeld:
(verb) verwoesten, vernietigen, kapotmaken
Voorbeeld:
(noun) duivel, demon, ondeugd;
(verb) kruiden, fijnmaken
Voorbeeld:
(verb) bedenken, uitdenken, ontwerpen
Voorbeeld:
(verb) diagnosticeren
Voorbeeld:
(noun) diagnose, bevinding
Voorbeeld:
(verb) dicteren, voorschrijven
Voorbeeld:
(noun) dictator
Voorbeeld:
(verb) onderscheiden, differentiëren, ontwikkelen
Voorbeeld:
(noun) waardigheid, eerbied, statigheid
Voorbeeld:
(noun) dilemma, netelige situatie
Voorbeeld:
(noun) dimensie, afmeting, aspect
Voorbeeld:
(verb) verminderen, afnemen, verkleinen
Voorbeeld:
(verb) dompelen, dippen, dalen;
(noun) daling, duik, dip
Voorbeeld:
(noun) diplomaat, tactvol persoon
Voorbeeld:
(adjective) diplomatiek, tactvol
Voorbeeld:
(noun) gids, telefoongids, adresboek
Voorbeeld:
(adjective) rampzalig, desastreus
Voorbeeld:
(verb) weggooien, afdoen;
(noun) afvalproduct, afgedankte
Voorbeeld:
(verb) ontslaan, vrijlaten, lozen;
(noun) ontslag, vrijlating, lozing
Voorbeeld:
(verb) onthullen, bekendmaken, openbaren
Voorbeeld:
(noun) openbaarmaking, onthulling, bekendmaking
Voorbeeld:
(noun) discours, verhandeling, gesprek;
(verb) discussiëren, uitweiden, verhandelen
Voorbeeld:
(noun) discretie, voorzichtigheid, beoordelingsvrijheid
Voorbeeld:
(noun) discriminatie, onderscheiding, onderscheidingsvermogen
Voorbeeld:
(noun) ontslag, afwijzing, afzetting
Voorbeeld:
(verb) vervangen, verdringen, verplaatsen
Voorbeeld:
(noun) verwijdering, afvoer, beschikking
Voorbeeld:
(verb) wegdoen, verwijderen, stemmen tot
Voorbeeld:
(noun) geschil, ruzie, discussie;
(verb) betwisten, disputeren, ruzie maken
Voorbeeld:
(verb) verstoren, onderbreken, ontwrichten
Voorbeeld:
(noun) verstoring, onderbreking, ontwrichting
Voorbeeld:
(verb) oplossen, ontbinden, opheffen
Voorbeeld:
(noun) onderscheid, verschil, onderscheiding
Voorbeeld:
(adjective) onderscheidend, kenmerkend, distinctief
Voorbeeld:
(verb) vervormen, verdraaien, verkeerd voorstellen
Voorbeeld:
(noun) nood, angst, verdriet;
(verb) verontrusten, kwellen, bedroeven
Voorbeeld:
(adjective) verontrustend, storend
Voorbeeld:
(verb) omleiden, afleiden, distraheren
Voorbeeld:
(adjective) goddelijk, heerlijk, prachtig;
(verb) raden, doorgronden
Voorbeeld:
(noun) doctrine, leer
Voorbeeld:
(noun) documentatie, papieren, vastlegging
Voorbeeld:
(noun) domein, gebied, vakgebied
Voorbeeld:
(noun) dominantie, overheersing
Voorbeeld:
(noun) donor, schenker
Voorbeeld:
(noun) dosis, hoeveelheid;
(verb) doseren, toedienen
Voorbeeld:
(verb) afvoeren, leegpompen, aftappen;
(noun) afvoer, goot, riool
Voorbeeld:
(verb) drijven, waaien, dwalen;
(noun) drift, strekking, duin
Voorbeeld:
(noun) rijden, besturen;
(adjective) drijvend, stuwend, hevig
Voorbeeld:
(verb) verdrinken, onderdompelen, overstemmen
Voorbeeld:
(adjective) dubbel, tweevoudig
Voorbeeld:
(verb) noemen, betitelen, nasynchroniseren;
(noun) dub (muziekgenre)
Voorbeeld:
(adjective) stom, spraakloos, dom;
(verb) vereenvoudigen, versimpelen
Voorbeeld:
(noun) duo, tweetal
Voorbeeld:
(adjective) dynamisch, veranderlijk;
(noun) dynamiek, drijvende kracht
Voorbeeld: