Vocabulaireverzameling B1 - Letter P in Oxford 3000 - B1: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling 'B1 - Letter P' in 'Oxford 3000 - B1' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren(noun) pak, rugzak, bundel;
(verb) inpakken, verpakken, vullen
Voorbeeld:
(noun) pakket, pakje, voorstel;
(verb) verpakken, inpakken
Voorbeeld:
(adjective) pijnlijk, kwetsend
Voorbeeld:
(adjective) licht, bleek;
(verb) verbleken, in het niet vallen;
(noun) grens, omheining
Voorbeeld:
(noun) pan, koekenpan, bak;
(verb) afkraken, bekritiseren, pannen
Voorbeeld:
(verb) deelnemen, participeren
Voorbeeld:
(adverb) bijzonder, vooral, in het bijzonder
Voorbeeld:
(verb) passeren, voorbijgaan, slagen;
(noun) voldoende, geslaagd, pas
Voorbeeld:
(noun) passie, hartstocht, liefhebberij
Voorbeeld:
(noun) pad, weg, koers;
(verb) een pad banen, een weg creëren
Voorbeeld:
(noun) betaling, afrekening, bedrag
Voorbeeld:
(adjective) vredig, rustig, vredelievend
Voorbeeld:
(noun) percentage, aandeel
Voorbeeld:
(adverb) perfect, volmaakt, volledig
Voorbeeld:
(noun) prestatie, uitvoering, voorstelling
Voorbeeld:
(adverb) persoonlijk, zelf, naar mijn mening
Voorbeeld:
(verb) overtuigen, overhalen, doen geloven
Voorbeeld:
(noun) fotograaf
Voorbeeld:
(noun) fotografie
Voorbeeld:
(noun) speld, pin, pen;
(verb) vastspelden, vastmaken, vastzetten
Voorbeeld:
(noun) pijp, buis, fluit;
(verb) leiden, pompen, fluiten
Voorbeeld:
(noun) plaats, plek, huis;
(verb) plaatsen, leggen, herkennen
Voorbeeld:
(noun) planning, plan;
(verb) plannen, voorbereiden
Voorbeeld:
(adjective) aangenaam, prettig, vriendelijk
Voorbeeld:
(noun) plezier, genoegen;
(verb) plezieren, behagen
Voorbeeld:
(pronoun) genoeg, overvloed;
(adverb) ruim, voldoende
Voorbeeld:
(noun) complot, samenzwering, plot;
(verb) complotteren, beramen, plotten
Voorbeeld:
(preposition) plus, en;
(noun) pluspunt, voordeel;
(adverb) bovendien, daarbij;
(adjective) plus, positief
Voorbeeld:
(noun) gedicht, poëzie
Voorbeeld:
(noun) dichter, dichteres
Voorbeeld:
(noun) poëzie, dichtkunst, schoonheid
Voorbeeld:
(noun) punt, uiteinde, plaats;
(verb) wijzen, aanduiden, richten
Voorbeeld:
(noun) gif, vergif;
(verb) vergiftigen, verpesten, schaden
Voorbeeld:
(adjective) giftig, kwaadaardig
Voorbeeld:
(noun) beleid, richtlijn, polis
Voorbeeld:
(adjective) politiek
Voorbeeld:
(noun) politicus, politica
Voorbeeld:
(noun) politiek, interne politiek, machtspelletjes
Voorbeeld:
(noun) haven, port, portwijn;
(verb) dragen, vervoeren, naar bakboord draaien
Voorbeeld:
(noun) portret, beeld, beschrijving
Voorbeeld:
(adverb) mogelijk, misschien
Voorbeeld:
(noun) pot, pan, fonds;
(verb) potten, inpotten, in de pocket stoten
Voorbeeld:
(verb) stromen, gieten, schenken;
(noun) stroom, regenval
Voorbeeld:
(noun) armoede, gebrek, schaarste
Voorbeeld:
(noun) poeder, gezichtspoeder;
(verb) poederen, bestrooien
Voorbeeld:
(adjective) krachtig, machtig, sterk
Voorbeeld:
(adjective) praktisch, bruikbaar, nuchter
Voorbeeld:
(verb) bidden, hopen, wensen
Voorbeeld:
(noun) gebed, wens, verlangen
Voorbeeld:
(noun) voorspelling, prognose
Voorbeeld:
(adjective) voorbereid, gereed, klaar;
(past participle) voorbereiden, bereiden;
(verb) zich voorbereiden
Voorbeeld:
(noun) presentatie, voordracht, weergave
Voorbeeld:
(verb) drukken, persen, strijken;
(noun) pers, media, drukpers
Voorbeeld:
(noun) druk, spanning, dwang;
(verb) onder druk zetten, dwingen
Voorbeeld:
(verb) doen alsof, veinzen, beweren
Voorbeeld:
(adjective) vorig, voorgaand
Voorbeeld:
(adverb) eerder, voorheen
Voorbeeld:
(noun) priester, pastoor
Voorbeeld:
(adjective) primair, hoofd-, oorspronkelijk;
(noun) voorverkiezing, primaire verkiezing
Voorbeeld:
(noun) prins, vorst
Voorbeeld:
(noun) prinses, verwende meid
Voorbeeld:
(noun) druk, printen, opdruk
Voorbeeld:
(noun) gevangene, gedetineerde, krijgsgevangene
Voorbeeld:
(adjective) privé, persoonlijk, privaat;
(noun) soldaat, rekruut
Voorbeeld:
(noun) producent, fabrikant, producent (biologie)
Voorbeeld:
(noun) productie, vervaardiging, voorstelling
Voorbeeld:
(noun) beroep, vak, verklaring
Voorbeeld:
(noun) winst, profijt, voordeel;
(verb) profiteren, winst maken, baten
Voorbeeld:
(noun) programma, schema, uitzending;
(verb) programmeren, instellen, plannen
Voorbeeld:
(verb) bevorderen, promoten, promoveren
Voorbeeld:
(adjective) echt, juist, gepast;
(adverb) helemaal, echt
Voorbeeld:
(adverb) correct, behoorlijk, netjes
Voorbeeld:
(noun) eigendom, bezit, pand
Voorbeeld:
(noun) protest, bezwaar;
(verb) protesteren, bezwaar maken
Voorbeeld:
(adjective) trots, hoogmoedig, arrogant
Voorbeeld:
(verb) bewijzen, aantonen, blijken
Voorbeeld:
(verb) trekken, halen, verwijderen;
(noun) trek, ruk, invloed
Voorbeeld:
(verb) straffen, bestraffen, afstraffen
Voorbeeld:
(noun) straf, bestraffing
Voorbeeld:
(verb) duwen, stoten, zich een weg banen;
(noun) duw, stoot, inspanning
Voorbeeld: