Vocabulaireverzameling Vleesstukken in Ingrediënten: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling 'Vleesstukken' in 'Ingrediënten' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren(noun) steak, biefstuk, vissteak
Voorbeeld:
(noun) borststuk, runderborst
Voorbeeld:
(verb) gooien, werpen, opgeven;
(noun) tik, klapje
Voorbeeld:
(noun) scheenbeen, schenkel, mes;
(verb) neersteken, steken
Voorbeeld:
(noun) ossenstaart
Voorbeeld:
(noun) scheenbeen;
(verb) klimmen, opklimmen
Voorbeeld:
(noun) rosbief, lendestuk
Voorbeeld:
(noun) flank, zij, zijvleugel;
(verb) flankeren, aan de zijkant staan
Voorbeeld:
(noun) achterste, achterhand, restant
Voorbeeld:
(noun) rib, ribbetje, ribstuk;
(verb) plagen, spotten
Voorbeeld:
(noun) short loin, lendestuk
Voorbeeld:
(noun) filet, haas
Voorbeeld:
(plural noun) spareribs, ribbetjes
Voorbeeld:
(noun) draver, reiziger, wereldreiziger
Voorbeeld:
(verb) hakken, snijden, slaan;
(noun) slag, hak, kotelet
Voorbeeld:
(noun) buikspek
Voorbeeld:
(noun) pancetta
Voorbeeld:
(noun) gammon, gerookte ham, streek;
(verb) bedriegen, foppen
Voorbeeld:
(noun) vet spek, rugspek
Voorbeeld:
(noun) schnitzel, karbonade, burger
Voorbeeld:
(noun) borst, boezem;
(verb) trotseren, doorbreken
Voorbeeld:
(noun) drumstick, kippenpoot, trommelstok
Voorbeeld:
(noun) vleugel, gedeelte, factie;
(verb) voorzien van vleugels, in de vleugel raken, improviseren
Voorbeeld:
(noun) rek, standaard, kwelling;
(verb) kwellen, pijnigen, uitputten
Voorbeeld:
(noun) short ribs, korte ribben
Voorbeeld:
(noun) schouder, vluchtstrook, berm;
(verb) schouderen, dragen
Voorbeeld:
(noun) been, poot, etappe;
(verb) lopen, rennen
Voorbeeld:
(adjective) rond, volledig;
(noun) ronde, schot, kogel;
(verb) rondgaan, afronden;
(adverb) rond, omheen;
(preposition) rond, om
Voorbeeld:
(noun) kant, zijde, aspect;
(adjective) zijdelings, zij-;
(verb) kant kiezen, bekleden
Voorbeeld:
(noun) biefstuk
Voorbeeld:
(verb) snijden, knippen, hakken;
(noun) snede, knippen, coupe;
(adjective) gesneden, geknipt
Voorbeeld:
(noun) filet, haarband, band;
(verb) fileteren
Voorbeeld:
(noun) vlees, lichaam, vruchtvlees;
(verb) uitwerken, verdiepen
Voorbeeld:
(noun) gewricht, verbinding, voeg;
(adjective) gezamenlijk, gemeenschappelijk;
(verb) verbinden, samenvoegen
Voorbeeld:
(noun) achterbout, heup, bout
Voorbeeld:
(noun) hak, spronggewricht;
(verb) verpanden, in onderpand geven
Voorbeeld:
(noun) nek, hals, kraag;
(verb) zoenen, tongzoenen
Voorbeeld:
(noun) plakje spek, plakje ham
Voorbeeld:
(noun) T-bone steak, T-bonesteak
Voorbeeld:
(noun) dij
Voorbeeld:
(noun) wensbotje, vorkbeen
Voorbeeld:
(noun) burger, schijf, gebakje
Voorbeeld:
(adjective) ontbeend, zonder bot, krachteloos
Voorbeeld:
(adjective) mager, knokig, benig
Voorbeeld:
(verb) leunen, hellen, leunen op;
(adjective) slank, mager, schaars
Voorbeeld:
(adjective) velvrij, ontveld
Voorbeeld:
(noun) stripsteak, entrecote
Voorbeeld:
(noun) spekjes, lardon
Voorbeeld:
(noun) roulade, rol
Voorbeeld: