Avatar of Vocabulary Set Vleesstukken

Vocabulaireverzameling Vleesstukken in Ingrediënten: Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'Vleesstukken' in 'Ingrediënten' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

steak

/steɪk/

(noun) steak, biefstuk, vissteak

Voorbeeld:

I ordered a juicy ribeye steak for dinner.
Ik bestelde een sappige ribeye steak voor het avondeten.

brisket

/ˈbrɪs.kɪt/

(noun) borststuk, runderborst

Voorbeeld:

We smoked a whole beef brisket for twelve hours.
We hebben een hele runderborst twaalf uur gerookt.

chuck

/tʃʌk/

(verb) gooien, werpen, opgeven;

(noun) tik, klapje

Voorbeeld:

Just chuck your coat on the bed.
Gooi je jas gewoon op bed.

shank

/ʃæŋk/

(noun) scheenbeen, schenkel, mes;

(verb) neersteken, steken

Voorbeeld:

He got a deep cut on his shank while hiking.
Hij kreeg een diepe snee op zijn scheenbeen tijdens het wandelen.

oxtail

/ˈɑːks.teɪl/

(noun) ossenstaart

Voorbeeld:

She prepared a rich oxtail stew for dinner.
Ze bereidde een rijke ossenstaartstoofpot voor het avondeten.

shin

/ʃɪn/

(noun) scheenbeen;

(verb) klimmen, opklimmen

Voorbeeld:

He kicked the ball with his shin.
Hij schopte de bal met zijn scheenbeen.

sirloin

/ˈsɝː.lɔɪn/

(noun) rosbief, lendestuk

Voorbeeld:

He ordered a juicy sirloin steak for dinner.
Hij bestelde een sappige rosbief steak voor het avondeten.

flank

/flæŋk/

(noun) flank, zij, zijvleugel;

(verb) flankeren, aan de zijkant staan

Voorbeeld:

The horse had a scar on its flank.
Het paard had een litteken op zijn flank.

rump

/rʌmp/

(noun) achterste, achterhand, restant

Voorbeeld:

The dog wagged its rump excitedly.
De hond kwispelde opgewonden met zijn achterste.

rib

/rɪb/

(noun) rib, ribbetje, ribstuk;

(verb) plagen, spotten

Voorbeeld:

He fractured a rib in the accident.
Hij brak een rib bij het ongeluk.

short loin

/ʃɔːrt lɔɪn/

(noun) short loin, lendestuk

Voorbeeld:

The butcher recommended the short loin for grilling.
De slager raadde de short loin aan om te grillen.

tenderloin

/ˈten.dɚ.lɔɪn/

(noun) filet, haas

Voorbeeld:

The chef prepared a delicious beef tenderloin with a red wine reduction.
De chef bereidde een heerlijke runderfilet met een rode wijnsaus.

spare ribs

/ˈspeər rɪbz/

(plural noun) spareribs, ribbetjes

Voorbeeld:

We ordered a full rack of spare ribs for dinner.
We bestelden een hele rack spareribs voor het avondeten.

trotter

/ˈtrɑː.t̬ɚ/

(noun) draver, reiziger, wereldreiziger

Voorbeeld:

The trotter won the race by a length.
De draver won de race met een lengte.

chop

/tʃɑːp/

(verb) hakken, snijden, slaan;

(noun) slag, hak, kotelet

Voorbeeld:

He began to chop wood for the fire.
Hij begon hout te hakken voor het vuur.

pork belly

/ˈpɔːrk ˌbel.i/

(noun) buikspek

Voorbeeld:

Roasted pork belly with crispy skin is a popular dish.
Geroosterd buikspek met knapperige huid is een populair gerecht.

pancetta

/ˈtʃet̬.ə/

(noun) pancetta

Voorbeeld:

The recipe calls for diced pancetta.
Het recept vraagt om in blokjes gesneden pancetta.

gammon

/ˈɡæm.ən/

(noun) gammon, gerookte ham, streek;

(verb) bedriegen, foppen

Voorbeeld:

We had gammon steak with chips for dinner.
We hadden gammon steak met frietjes als avondeten.

fatback

/ˈfæt.bæk/

(noun) vet spek, rugspek

Voorbeeld:

She rendered the fatback to make lard for frying.
Ze smolt het vet spek om reuzel te maken voor het frituren.

cutlet

/ˈkʌt.lət/

(noun) schnitzel, karbonade, burger

Voorbeeld:

She prepared breaded pork cutlets for dinner.
Ze bereidde gepaneerde varkensschnitzels voor het avondeten.

breast

/brest/

(noun) borst, boezem;

(verb) trotseren, doorbreken

Voorbeeld:

The baby nursed from its mother's breast.
De baby zoog aan de borst van zijn moeder.

drumstick

/ˈdrʌm.stɪk/

(noun) drumstick, kippenpoot, trommelstok

Voorbeeld:

He enjoyed eating a juicy chicken drumstick.
Hij genoot van het eten van een sappige kippendrumstick.

wing

/wɪŋ/

(noun) vleugel, gedeelte, factie;

(verb) voorzien van vleugels, in de vleugel raken, improviseren

Voorbeeld:

The bird flapped its wings and soared into the sky.
De vogel klapperde met zijn vleugels en zweefde de lucht in.

rack

/ræk/

(noun) rek, standaard, kwelling;

(verb) kwellen, pijnigen, uitputten

Voorbeeld:

She hung her clothes on the drying rack.
Ze hing haar kleren aan het droogrek.

short ribs

/ˌʃɔːrt ˈrɪbz/

(noun) short ribs, korte ribben

Voorbeeld:

We had delicious braised short ribs for dinner.
We hadden heerlijke gestoofde short ribs als avondeten.

shoulder

/ˈʃoʊl.dɚ/

(noun) schouder, vluchtstrook, berm;

(verb) schouderen, dragen

Voorbeeld:

He carried the bag on his shoulder.
Hij droeg de tas op zijn schouder.

leg

/leɡ/

(noun) been, poot, etappe;

(verb) lopen, rennen

Voorbeeld:

She broke her leg playing soccer.
Ze brak haar been tijdens het voetballen.

round

/raʊnd/

(adjective) rond, volledig;

(noun) ronde, schot, kogel;

(verb) rondgaan, afronden;

(adverb) rond, omheen;

(preposition) rond, om

Voorbeeld:

The table is round.
De tafel is rond.

side

/saɪd/

(noun) kant, zijde, aspect;

(adjective) zijdelings, zij-;

(verb) kant kiezen, bekleden

Voorbeeld:

He stood by her side.
Hij stond aan haar zijde.

beefsteak

/ˈbiːf.steɪk/

(noun) biefstuk

Voorbeeld:

He ordered a large beefsteak with mashed potatoes.
Hij bestelde een grote biefstuk met aardappelpuree.

cut

/kʌt/

(verb) snijden, knippen, hakken;

(noun) snede, knippen, coupe;

(adjective) gesneden, geknipt

Voorbeeld:

She accidentally cut her finger while chopping vegetables.
Ze sneed per ongeluk haar vinger tijdens het snijden van groenten.

fillet

/ˈfɪl.ɪt/

(noun) filet, haarband, band;

(verb) fileteren

Voorbeeld:

She ordered a salmon fillet for dinner.
Ze bestelde een zalmfilet voor het avondeten.

flesh

/fleʃ/

(noun) vlees, lichaam, vruchtvlees;

(verb) uitwerken, verdiepen

Voorbeeld:

The wound went deep into the flesh.
De wond ging diep in het vlees.

joint

/dʒɔɪnt/

(noun) gewricht, verbinding, voeg;

(adjective) gezamenlijk, gemeenschappelijk;

(verb) verbinden, samenvoegen

Voorbeeld:

My knee joint aches after running.
Mijn kniegewricht doet pijn na het rennen.

haunch

/hɑːntʃ/

(noun) achterbout, heup, bout

Voorbeeld:

The dog sat on its haunches, patiently waiting for a treat.
De hond zat op zijn achterpoten, geduldig wachtend op een traktatie.

hock

/hɑːk/

(noun) hak, spronggewricht;

(verb) verpanden, in onderpand geven

Voorbeeld:

The horse sustained an injury to its hock during the race.
Het paard liep een blessure op aan zijn hak tijdens de race.

neck

/nek/

(noun) nek, hals, kraag;

(verb) zoenen, tongzoenen

Voorbeeld:

She wore a beautiful necklace around her neck.
Ze droeg een prachtige ketting om haar nek.

rasher

/ˈræʃ.ɚ/

(noun) plakje spek, plakje ham

Voorbeeld:

He had two rashers of bacon with his eggs for breakfast.
Hij had twee plakjes spek bij zijn eieren voor het ontbijt.

t-bone steak

/ˈtiː.boʊn steɪk/

(noun) T-bone steak, T-bonesteak

Voorbeeld:

He ordered a large T-bone steak, cooked medium-rare.
Hij bestelde een grote T-bone steak, medium-rare gebakken.

thigh

/θaɪ/

(noun) dij

Voorbeeld:

She had strong thighs from cycling.
Ze had sterke dijen van het fietsen.

wishbone

/ˈwɪʃ.boʊn/

(noun) wensbotje, vorkbeen

Voorbeeld:

After Thanksgiving dinner, we always break the wishbone for good luck.
Na het Thanksgiving-diner breken we altijd het wensbotje voor geluk.

patty

/ˈpæt̬.i/

(noun) burger, schijf, gebakje

Voorbeeld:

She grilled a delicious beef patty for her burger.
Ze grilde een heerlijke runderburger voor haar hamburger.

boneless

/ˈboʊn.ləs/

(adjective) ontbeend, zonder bot, krachteloos

Voorbeeld:

She bought a boneless chicken breast for dinner.
Ze kocht een ontbeende kipfilet voor het avondeten.

bony

/ˈboʊ.ni/

(adjective) mager, knokig, benig

Voorbeeld:

The starving dog was terribly bony.
De uitgehongerde hond was vreselijk mager.

lean

/liːn/

(verb) leunen, hellen, leunen op;

(adjective) slank, mager, schaars

Voorbeeld:

He had to lean forward to hear what she was saying.
Hij moest naar voren leunen om te horen wat ze zei.

skinless

/ˈskɪn.ləs/

(adjective) velvrij, ontveld

Voorbeeld:

She prefers skinless chicken breast for her diet.
Ze geeft de voorkeur aan velvrije kipfilet voor haar dieet.

strip steak

/strɪp steɪk/

(noun) stripsteak, entrecote

Voorbeeld:

He ordered a perfectly grilled strip steak for dinner.
Hij bestelde een perfect gegrilde stripsteak voor het avondeten.

lardon

/ˈlɑːr.dɑːn/

(noun) spekjes, lardon

Voorbeeld:

The chef added crispy lardons to the salad.
De chef voegde knapperige spekjes toe aan de salade.

roulade

/ruːˈlɑːd/

(noun) roulade, rol

Voorbeeld:

The chef prepared a delicious beef roulade with mushroom filling.
De chef bereidde een heerlijke runderroulade met champignonvulling.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland