Vocabulaireverzameling A1 - Letter C in Oxford 3000 - A1: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling 'A1 - Letter C' in 'Oxford 3000 - A1' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren(noun) café, koffiehuis
Voorbeeld:
(noun) cake, taart, koekje;
(verb) aankoeken, samenkoeken
Voorbeeld:
(verb) roepen, schreeuwen, bellen;
(noun) bezoek, oproep, telefoontje
Voorbeeld:
(noun) camera, fototoestel
Voorbeeld:
(modal verb) kunnen, mogelijk zijn, mogen;
(noun) blik, blikje;
(verb) inblikken, conserveren
Voorbeeld:
(modal verb) kan niet, mag niet, niet toegestaan
Voorbeeld:
(noun) hoofdstad, kapitaal, vermogen;
(adjective) kapitaal, doodstraf, uitstekend
Voorbeeld:
(noun) auto, wagon, rijtuig
Voorbeeld:
(noun) kaart, speelkaart;
(verb) om identiteitskaart vragen
Voorbeeld:
(noun) carrière, loopbaan;
(verb) razen, stormen
Voorbeeld:
(noun) wortel, lokkertje
Voorbeeld:
(verb) dragen, vervoeren, bezitten;
(noun) bereik, vlucht
Voorbeeld:
(noun) kat, gast, kerel;
(verb) hijsen, optrekken
Voorbeeld:
(abbreviation) cd, compact disc
Voorbeeld:
(noun) cent
Voorbeeld:
(noun) midden, centrum, complex;
(verb) centreren, in het midden plaatsen
Voorbeeld:
(noun) eeuw, eeuw (cricket)
Voorbeeld:
(noun) stoel, voorzitter, leider;
(verb) voorzitten, leiden
Voorbeeld:
(noun) verandering, wijziging, wisselgeld;
(verb) veranderen, wijzigen, omwisselen
Voorbeeld:
(noun) grafiek, kaart, zeekaart;
(verb) in kaart brengen, uitzetten, bijhouden
Voorbeeld:
(adjective) goedkoop, prullerig, gierig;
(adverb) goedkoop, voordelig
Voorbeeld:
(verb) controleren, nakijken, stoppen;
(noun) controle, stop, ruit
Voorbeeld:
(noun) kaas, lach, grijns;
(verb) lachen, grijnzen
Voorbeeld:
(noun) kip, lafaard, bangebroek;
(verb) terugtrekken, laf zijn;
(adjective) laf, bang
Voorbeeld:
(noun) kind, zoon, dochter
Voorbeeld:
(noun) chocolade, chocolademelk, cacao;
(adjective) chocoladekleurig, donkerbruin
Voorbeeld:
(verb) kiezen, uitkiezen, beslissen
Voorbeeld:
(noun) bioscoop, filmindustrie, cinema
Voorbeeld:
(noun) stad
Voorbeeld:
(noun) klas, les, cursus;
(verb) indelen, classificeren;
(adjective) stijlvol, chic
Voorbeeld:
(noun) klaslokaal, leslokaal
Voorbeeld:
(adjective) schoon, rein, zuiver;
(verb) schoonmaken, reinigen;
(adverb) schoon, helemaal
Voorbeeld:
(verb) klimmen, stijgen, moeizaam klimmen;
(noun) klim, beklimming
Voorbeeld:
(noun) klok, uurwerk;
(verb) klokken, meten
Voorbeeld:
(verb) sluiten, dichtdoen, afsluiten;
(adjective) dichtbij, nabij, nauwkeurig;
(adverb) dichtbij, nabij
Voorbeeld:
(plural noun) kleding, kleren
Voorbeeld:
(noun) club, vereniging, knuppel;
(verb) slaan, knuppelen
Voorbeeld:
(noun) jas, mantel, laag;
(verb) bekleden, coaten
Voorbeeld:
(noun) koffie, koffiebonen
Voorbeeld:
(adjective) koud, afstandelijk, ongevoelig;
(noun) verkoudheid
Voorbeeld:
(noun) hogeschool, universiteit, universiteitspersoneel en studenten
Voorbeeld:
(noun) kleur, pigment, verf;
(verb) kleuren, verven
Voorbeeld:
(verb) komen, klaarkomen, orgasme hebben
Voorbeeld:
(adjective) veelvoorkomend, algemeen, gewoon;
(noun) het gewone volk, de massa, meent
Voorbeeld:
(noun) bedrijf, onderneming, gezelschap
Voorbeeld:
(verb) vergelijken, vergelijken met, opwegen tegen
Voorbeeld:
(adjective) compleet, volledig, totaal;
(verb) voltooien, afmaken
Voorbeeld:
(noun) computer
Voorbeeld:
(noun) concert, overeenstemming, harmonie;
(verb) afstemmen, coördineren
Voorbeeld:
(noun) gesprek, conversatie
Voorbeeld:
(verb) koken, bereiden;
(noun) kok, chef-kok
Voorbeeld:
(noun) koken, kookkunst;
(verb) koken, bereiden
Voorbeeld:
(adjective) koel, cool, gaaf;
(verb) koelen, afkoelen;
(noun) koelte
Voorbeeld:
(adjective) correct, juist;
(verb) corrigeren, verbeteren
Voorbeeld:
(noun) kosten, prijs, opoffering;
(verb) kosten, resulteren in verlies
Voorbeeld:
(modal verb) kon, zou kunnen, kan
Voorbeeld:
(noun) land, staat, platteland
Voorbeeld:
(noun) koers, richting, loop;
(verb) stromen, vloeien
Voorbeeld:
(noun) neef, nicht
Voorbeeld:
(noun) koe;
(verb) intimideren, afschrikken
Voorbeeld:
(noun) room, slagroom, crème;
(verb) kloppen, purere;
(adjective) crèmekleurig, roomkleurig
Voorbeeld:
(verb) creëren, scheppen, maken
Voorbeeld:
(noun) cultuur, kweek;
(verb) kweken, cultiveren
Voorbeeld:
(noun) kop, kopje, hoeveelheid van een kop;
(verb) hol maken, omvatten
Voorbeeld:
(noun) klant
Voorbeeld:
(verb) snijden, knippen, hakken;
(noun) snede, knippen, coupe;
(adjective) gesneden, geknipt
Voorbeeld: