Avatar of Vocabulary Set A1 - Letter C

Vocabulaireverzameling A1 - Letter C in Oxford 3000 - A1: Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'A1 - Letter C' in 'Oxford 3000 - A1' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

cafe

/kæfˈeɪ/

(noun) café, koffiehuis

Voorbeeld:

Let's meet at the cafe for coffee.
Laten we afspreken bij het café voor koffie.

cake

/keɪk/

(noun) cake, taart, koekje;

(verb) aankoeken, samenkoeken

Voorbeeld:

She baked a delicious chocolate cake for the party.
Ze bakte een heerlijke chocolade cake voor het feest.

call

/kɑːl/

(verb) roepen, schreeuwen, bellen;

(noun) bezoek, oproep, telefoontje

Voorbeeld:

She had to call his name twice before he heard her.
Ze moest zijn naam twee keer roepen voordat hij haar hoorde.

camera

/ˈkæm.rə/

(noun) camera, fototoestel

Voorbeeld:

She bought a new digital camera for her trip.
Ze kocht een nieuwe digitale camera voor haar reis.

can

/kæn/

(modal verb) kunnen, mogelijk zijn, mogen;

(noun) blik, blikje;

(verb) inblikken, conserveren

Voorbeeld:

I can swim.
Ik kan zwemmen.

cannot

/ˈkæn.ɑːt/

(modal verb) kan niet, mag niet, niet toegestaan

Voorbeeld:

I cannot believe you said that!
Ik kan niet geloven dat je dat zei!

capital

/ˈkæp.ə.t̬əl/

(noun) hoofdstad, kapitaal, vermogen;

(adjective) kapitaal, doodstraf, uitstekend

Voorbeeld:

London is the capital of the United Kingdom.
Londen is de hoofdstad van het Verenigd Koninkrijk.

car

/kɑːr/

(noun) auto, wagon, rijtuig

Voorbeeld:

He bought a new car last week.
Hij kocht vorige week een nieuwe auto.

card

/kɑːrd/

(noun) kaart, speelkaart;

(verb) om identiteitskaart vragen

Voorbeeld:

Do you have your membership card with you?
Heb je je lidmaatschapskaart bij je?

career

/kəˈrɪr/

(noun) carrière, loopbaan;

(verb) razen, stormen

Voorbeeld:

She is pursuing a career in medicine.
Ze streeft een carrière na in de geneeskunde.

carrot

/ˈker.ət/

(noun) wortel, lokkertje

Voorbeeld:

She added sliced carrots to the stew.
Ze voegde gesneden wortels toe aan de stoofpot.

carry

/ˈker.i/

(verb) dragen, vervoeren, bezitten;

(noun) bereik, vlucht

Voorbeeld:

She helped him carry the heavy box.
Ze hielp hem de zware doos dragen.

cat

/kæt/

(noun) kat, gast, kerel;

(verb) hijsen, optrekken

Voorbeeld:

My cat loves to chase laser pointers.
Mijn kat houdt ervan om laserpointers te achtervolgen.

cd

/ˌsiːˈdiː/

(abbreviation) cd, compact disc

Voorbeeld:

I bought a new music CD yesterday.
Ik heb gisteren een nieuwe muziek-cd gekocht.

cent

/sent/

(noun) cent

Voorbeeld:

I found a shiny new cent on the sidewalk.
Ik vond een glimmende nieuwe cent op de stoep.

centre

/ˈsen.t̬ɚ/

(noun) midden, centrum, complex;

(verb) centreren, in het midden plaatsen

Voorbeeld:

The table is in the centre of the room.
De tafel staat in het midden van de kamer.

century

/ˈsen.tʃər.i/

(noun) eeuw, eeuw (cricket)

Voorbeeld:

The 20th century saw rapid technological advancements.
De 20e eeuw kende snelle technologische vooruitgang.

chair

/tʃer/

(noun) stoel, voorzitter, leider;

(verb) voorzitten, leiden

Voorbeeld:

Please take a chair and sit down.
Neem alstublieft een stoel en ga zitten.

change

/tʃeɪndʒ/

(noun) verandering, wijziging, wisselgeld;

(verb) veranderen, wijzigen, omwisselen

Voorbeeld:

We need to make some changes to the plan.
We moeten enkele wijzigingen aanbrengen in het plan.

chart

/tʃɑːrt/

(noun) grafiek, kaart, zeekaart;

(verb) in kaart brengen, uitzetten, bijhouden

Voorbeeld:

The sales figures are shown on the chart.
De verkoopcijfers worden weergegeven op de grafiek.

cheap

/tʃiːp/

(adjective) goedkoop, prullerig, gierig;

(adverb) goedkoop, voordelig

Voorbeeld:

The hotel offers cheap rooms during the off-season.
Het hotel biedt goedkope kamers aan tijdens het laagseizoen.

check

/tʃek/

(verb) controleren, nakijken, stoppen;

(noun) controle, stop, ruit

Voorbeeld:

Please check your answers carefully.
Controleer uw antwoorden zorgvuldig.

cheese

/tʃiːz/

(noun) kaas, lach, grijns;

(verb) lachen, grijnzen

Voorbeeld:

Would you like some cheese with your crackers?
Wilt u wat kaas bij uw crackers?

chicken

/ˈtʃɪk.ɪn/

(noun) kip, lafaard, bangebroek;

(verb) terugtrekken, laf zijn;

(adjective) laf, bang

Voorbeeld:

She bought a whole chicken for dinner.
Ze kocht een hele kip voor het avondeten.

child

/tʃaɪld/

(noun) kind, zoon, dochter

Voorbeeld:

The child was playing in the park.
Het kind speelde in het park.

chocolate

/ˈtʃɑːk.lət/

(noun) chocolade, chocolademelk, cacao;

(adjective) chocoladekleurig, donkerbruin

Voorbeeld:

She loves eating dark chocolate.
Ze houdt van pure chocolade eten.

choose

/tʃuːz/

(verb) kiezen, uitkiezen, beslissen

Voorbeeld:

You can choose any book you like from the shelf.
Je kunt elk boek kiezen dat je wilt uit de kast.

cinema

/ˈsɪn.ə.mə/

(noun) bioscoop, filmindustrie, cinema

Voorbeeld:

Let's go to the cinema tonight.
Laten we vanavond naar de bioscoop gaan.

city

/ˈsɪt̬.i/

(noun) stad

Voorbeeld:

New York City is known for its skyscrapers.
New York City staat bekend om zijn wolkenkrabbers.

class

/klæs/

(noun) klas, les, cursus;

(verb) indelen, classificeren;

(adjective) stijlvol, chic

Voorbeeld:

The teacher greeted the class.
De leraar begroette de klas.

classroom

/ˈklæs.ruːm/

(noun) klaslokaal, leslokaal

Voorbeeld:

The teacher decorated the classroom with colorful posters.
De leraar versierde het klaslokaal met kleurrijke posters.

clean

/kliːn/

(adjective) schoon, rein, zuiver;

(verb) schoonmaken, reinigen;

(adverb) schoon, helemaal

Voorbeeld:

Please make sure your hands are clean before dinner.
Zorg ervoor dat je handen schoon zijn voor het avondeten.

climb

/klaɪm/

(verb) klimmen, stijgen, moeizaam klimmen;

(noun) klim, beklimming

Voorbeeld:

We watched the children climb the tree.
We keken hoe de kinderen de boom beklommen.

clock

/klɑːk/

(noun) klok, uurwerk;

(verb) klokken, meten

Voorbeeld:

The clock on the wall struck noon.
De klok aan de muur sloeg twaalf uur.

close

/kloʊz/

(verb) sluiten, dichtdoen, afsluiten;

(adjective) dichtbij, nabij, nauwkeurig;

(adverb) dichtbij, nabij

Voorbeeld:

Please close the door when you leave.
Gelieve de deur te sluiten wanneer u vertrekt.

clothes

/kloʊðz/

(plural noun) kleding, kleren

Voorbeeld:

She bought some new clothes for the party.
Ze kocht nieuwe kleren voor het feest.

club

/klʌb/

(noun) club, vereniging, knuppel;

(verb) slaan, knuppelen

Voorbeeld:

She joined a book club to meet new people.
Ze sloot zich aan bij een boekenclub om nieuwe mensen te ontmoeten.

coat

/koʊt/

(noun) jas, mantel, laag;

(verb) bekleden, coaten

Voorbeeld:

She put on her winter coat before going outside.
Ze trok haar winterjas aan voordat ze naar buiten ging.

coffee

/ˈkɑː.fi/

(noun) koffie, koffiebonen

Voorbeeld:

I start my day with a cup of hot coffee.
Ik begin mijn dag met een kop hete koffie.

cold

/koʊld/

(adjective) koud, afstandelijk, ongevoelig;

(noun) verkoudheid

Voorbeeld:

It's cold outside, so wear a jacket.
Het is koud buiten, dus draag een jas.

college

/ˈkɑː.lɪdʒ/

(noun) hogeschool, universiteit, universiteitspersoneel en studenten

Voorbeeld:

She is going to college next year to study engineering.
Ze gaat volgend jaar naar de hogeschool om techniek te studeren.

colour

/ˈkʌl.ɚ/

(noun) kleur, pigment, verf;

(verb) kleuren, verven

Voorbeeld:

Red is my favorite colour.
Rood is mijn favoriete kleur.

come

/kʌm/

(verb) komen, klaarkomen, orgasme hebben

Voorbeeld:

Are you coming to the party tonight?
Kom je vanavond naar het feest?

common

/ˈkɑː.mən/

(adjective) veelvoorkomend, algemeen, gewoon;

(noun) het gewone volk, de massa, meent

Voorbeeld:

It's a common misconception that money buys happiness.
Het is een veelvoorkomende misvatting dat geld geluk koopt.

company

/ˈkʌm.pə.ni/

(noun) bedrijf, onderneming, gezelschap

Voorbeeld:

She works for a large software company.
Ze werkt voor een groot softwarebedrijf.

compare

/kəmˈper/

(verb) vergelijken, vergelijken met, opwegen tegen

Voorbeeld:

Let's compare the two proposals and see which one is better.
Laten we de twee voorstellen vergelijken en kijken welke beter is.

complete

/kəmˈpliːt/

(adjective) compleet, volledig, totaal;

(verb) voltooien, afmaken

Voorbeeld:

The puzzle is now complete.
De puzzel is nu compleet.

computer

/kəmˈpjuː.t̬ɚ/

(noun) computer

Voorbeeld:

I need to buy a new computer for work.
Ik moet een nieuwe computer kopen voor mijn werk.

concert

/ˈkɑːn.sɚt/

(noun) concert, overeenstemming, harmonie;

(verb) afstemmen, coördineren

Voorbeeld:

We went to a rock concert last night.
We zijn gisteravond naar een rockconcert geweest.

conversation

/ˌkɑːn.vɚˈseɪ.ʃən/

(noun) gesprek, conversatie

Voorbeeld:

We had a long conversation about our plans for the future.
We hadden een lang gesprek over onze plannen voor de toekomst.

cook

/kʊk/

(verb) koken, bereiden;

(noun) kok, chef-kok

Voorbeeld:

She loves to cook Italian food.
Ze houdt ervan om Italiaans eten te koken.

cooking

/ˈkʊk.ɪŋ/

(noun) koken, kookkunst;

(verb) koken, bereiden

Voorbeeld:

She loves to experiment with different types of cooking.
Ze houdt ervan om te experimenteren met verschillende soorten koken.

cool

/kuːl/

(adjective) koel, cool, gaaf;

(verb) koelen, afkoelen;

(noun) koelte

Voorbeeld:

The evening air was pleasantly cool.
De avondlucht was aangenaam koel.

correct

/kəˈrekt/

(adjective) correct, juist;

(verb) corrigeren, verbeteren

Voorbeeld:

Please make sure your answers are correct.
Zorg ervoor dat uw antwoorden correct zijn.

cost

/kɑːst/

(noun) kosten, prijs, opoffering;

(verb) kosten, resulteren in verlies

Voorbeeld:

The total cost of the trip was over $1000.
De totale kosten van de reis waren meer dan $1000.

could

/kʊd/

(modal verb) kon, zou kunnen, kan

Voorbeeld:

She could run very fast when she was younger.
Ze kon heel snel rennen toen ze jonger was.

country

/ˈkʌn.tri/

(noun) land, staat, platteland

Voorbeeld:

France is a beautiful country.
Frankrijk is een prachtig land.

course

/kɔːrs/

(noun) koers, richting, loop;

(verb) stromen, vloeien

Voorbeeld:

The ship altered its course to avoid the storm.
Het schip veranderde zijn koers om de storm te vermijden.

cousin

/ˈkʌz.ən/

(noun) neef, nicht

Voorbeeld:

My cousin from Canada is visiting next month.
Mijn neef uit Canada komt volgende maand op bezoek.

cow

/kaʊ/

(noun) koe;

(verb) intimideren, afschrikken

Voorbeeld:

The farmer milked the cow early in the morning.
De boer molk de koe vroeg in de ochtend.

cream

/kriːm/

(noun) room, slagroom, crème;

(verb) kloppen, purere;

(adjective) crèmekleurig, roomkleurig

Voorbeeld:

She poured cream into her coffee.
Ze schonk room in haar koffie.

create

/kriˈeɪt/

(verb) creëren, scheppen, maken

Voorbeeld:

Scientists are working to create new forms of energy.
Wetenschappers werken eraan om nieuwe vormen van energie te creëren.

culture

/ˈkʌl.tʃɚ/

(noun) cultuur, kweek;

(verb) kweken, cultiveren

Voorbeeld:

Japanese culture is rich in tradition.
De Japanse cultuur is rijk aan traditie.

cup

/kʌp/

(noun) kop, kopje, hoeveelheid van een kop;

(verb) hol maken, omvatten

Voorbeeld:

She poured hot tea into her favorite cup.
Ze schonk hete thee in haar favoriete kopje.

customer

/ˈkʌs.tə.mɚ/

(noun) klant

Voorbeeld:

The store offers excellent service to its customers.
De winkel biedt uitstekende service aan zijn klanten.

cut

/kʌt/

(verb) snijden, knippen, hakken;

(noun) snede, knippen, coupe;

(adjective) gesneden, geknipt

Voorbeeld:

She accidentally cut her finger while chopping vegetables.
Ze sneed per ongeluk haar vinger tijdens het snijden van groenten.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland