Vocabulaireverzameling Figuurlijk in Essentiële SAT-woordenschat voor het examen: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling 'Figuurlijk' in 'Essentiële SAT-woordenschat voor het examen' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren(verb) strippen, ontdoen van, uitkleden;
(noun) reep, strook, strip
Voorbeeld:
(verb) doorsnijden, afhakken, scheiden
Voorbeeld:
(noun) draad, afluisterapparaat, microfoon;
(verb) overmaken, bedraden, installeren
Voorbeeld:
(verb) isoleren, beschermen, vrijwaren
Voorbeeld:
(verb) tentoonstellen, exposeren, vertonen;
(noun) exponaat, tentoonstelling
Voorbeeld:
(verb) ontketenen, vrijlaten, loslaten
Voorbeeld:
(noun) schaduw, schim;
(verb) schaduwen, volgen
Voorbeeld:
(verb) verslinden, opslokken, verteren
Voorbeeld:
(noun) plant, gewas, fabriek;
(verb) planten, zaaien, plaatsen
Voorbeeld:
(verb) hinkelen, springen, overslaan;
(noun) hink, sprong, overslag
Voorbeeld:
(verb) sudderen, zachtjes koken, broeien;
(noun) sudder, broei
Voorbeeld:
(verb) verlichten, opfrissen, opvrolijken
Voorbeeld:
(noun) kosten, prijs, opoffering;
(verb) kosten, resulteren in verlies
Voorbeeld:
(noun) vonk, spoor;
(verb) ontsteken, aansteken, stimuleren
Voorbeeld:
(verb) overgeven, opgeven, zich overgeven;
(noun) overgave, capitulatie
Voorbeeld:
(verb) raadplegen, consulteren, overleggen
Voorbeeld:
(verb) verlenen, geven, uitspreken
Voorbeeld:
(noun) getuige, bewijs, getuigenis;
(verb) getuige zijn van, zien, getuigen van
Voorbeeld:
(noun) regering, regeerperiode, heerschappij;
(verb) regeren, heersen, domineren
Voorbeeld:
(noun) lijst, kozijn, frame;
(verb) lijsten, inlijsten, formuleren
Voorbeeld:
(verb) portretteren, afbeelden, weergeven
Voorbeeld:
(verb) rijden, besturen, drijven;
(noun) rit, autorit, drang
Voorbeeld:
(noun) kant, veter, koord;
(verb) veteren, rijgen, aanlengen
Voorbeeld:
(verb) waarderen, erkennen, inzien
Voorbeeld:
(verb) vasthouden, dragen, tegenhouden;
(noun) greep, houvast, wacht
Voorbeeld:
(verb) opscheppen, pochen, beschikken over;
(noun) opschepperij, pochen
Voorbeeld:
(verb) decoreren, versieren, schilderen
Voorbeeld:
(verb) huisvesten, plaats bieden aan, aanpassen
Voorbeeld:
(verb) verlichten, verzachten, aflossen
Voorbeeld:
(verb) dalen, afdalen, afstammen van
Voorbeeld:
(noun) barst, scheur, knal;
(verb) barsten, kraken, knappen;
(adjective) uitstekend, top, geweldig
Voorbeeld:
(verb) roeren, bewegen, opwekken;
(noun) beweging, opschudding
Voorbeeld:
(verb) vangen, veroveren, arresteren;
(noun) vangst, verovering, arrestatie
Voorbeeld:
(verb) rennen, lopen, werken;
(noun) loop, ren, periode
Voorbeeld:
(verb) draaien, vervormen, kronkelen;
(noun) draai, kronkel, wending
Voorbeeld:
(adjective) ziek, ongesteld, schadelijk;
(adverb) slecht, verkeerd, nauwelijks;
(noun) kwaad, ongeluk, ellende
Voorbeeld:
(noun) chauffeur, bestuurder, driver
Voorbeeld:
(noun) vertrek, afreis, afwijking
Voorbeeld:
(verb) draaien, wenden, afbuigen;
(noun) bocht, beurt
Voorbeeld:
(noun) munitie, argumenten, bewijsmateriaal
Voorbeeld:
(noun) spijker, punt, piek;
(verb) spijkeren, vastzetten met spijkers, omhoogschieten
Voorbeeld:
(noun) destillatie, distillatie, samenvatting
Voorbeeld:
(verb) knappen, breken, dichtklappen;
(noun) knak, klik, foto;
(adjective) spontaan, gemakkelijk;
(adverb) abrupt, plotseling;
(exclamation) knak, klik
Voorbeeld:
(noun) invoer, input, bijdrage;
(verb) invoeren, ingeven
Voorbeeld:
(noun) ontvangst, receptie, feest
Voorbeeld:
(noun) reflectie, spiegelbeeld, overdenking
Voorbeeld:
(verb) zwaaien, deinen, beïnvloeden;
(noun) schommeling, deining, macht
Voorbeeld:
(noun) miskraam, mislukking, dwaling
Voorbeeld:
(verb) terugtrekken, wijken;
(noun) terugtrekking, toevluchtsoord
Voorbeeld:
(noun) bijeenkomst, vergadering, samenkomst
Voorbeeld:
(noun) plaat, grammofoonplaat, record;
(verb) opnemen, vastleggen, registreren
Voorbeeld:
(adjective) knapperig, krokant, fris;
(noun) chips;
(verb) knapperig maken, strak maken
Voorbeeld:
(adjective) toegankelijk, bereikbaar, begrijpelijk
Voorbeeld:
(adjective) razendsnel, stormachtig, meteorisch
Voorbeeld:
(adjective) oceanisch, zee-, uitgestrekt
Voorbeeld:
(adjective) besmettelijk, infectieus, aanstekelijk
Voorbeeld:
(adjective) kaal, bloot, minimaal;
(verb) ontbloten, blootleggen
Voorbeeld:
(adjective) scherp, intens, intelligent;
(adverb) stipt, scherp;
(noun) kruis
Voorbeeld:
(adjective) ruw, hard, fel
Voorbeeld:
(adjective) heilig, gewijd, onaantastbaar
Voorbeeld:
(adjective) gevoelig, overgevoelig, reagerend
Voorbeeld: