Vocabulaireverzameling Oxford 5000 - C1 - Letter P in Oxford 5000 - C1: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling 'Oxford 5000 - C1 - Letter P' in 'Oxford 5000 - C1' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren(noun) pad, kussen, blok;
(verb) zachtjes lopen, sluipen, vullen
Voorbeeld:
(noun) parameter, variabele, grens
Voorbeeld:
(adjective) ouderlijk
Voorbeeld:
(noun) parochie, parochianen, gemeenteleden
Voorbeeld:
(adjective) parlementair
Voorbeeld:
(adjective) gedeeltelijk, onvolledig, dol op
Voorbeeld:
(adverb) gedeeltelijk, ten dele
Voorbeeld:
(noun) passeren, voorbijgaan, overlijden;
(adjective) voorbijgaand, tijdelijk, voldoende
Voorbeeld:
(adjective) passief, lijdzaam
Voorbeeld:
(noun) pastor, dominee;
(verb) pastoreren, leiden
Voorbeeld:
(noun) lapje, pleister, plek;
(verb) lappen, repareren, verbinden
Voorbeeld:
(noun) octrooi, patent;
(verb) patenteren, octrooieren;
(adjective) duidelijk, klaarblijkelijk
Voorbeeld:
(noun) pad, weg
Voorbeeld:
(noun) patrouille, wacht;
(verb) patrouilleren, bewaken
Voorbeeld:
(noun) beschermheer, mecenas, begunstiger
Voorbeeld:
(noun) piek, hoogtepunt, top;
(verb) pieken, een hoogtepunt bereiken;
(adjective) piek, hoogtepunt
Voorbeeld:
(noun) boer, landarbeider, lomperik
Voorbeeld:
(adjective) vreemd, eigenaardig, bijzonder
Voorbeeld:
(verb) volhouden, doorzetten, aanhouden
Voorbeeld:
(adjective) volhardend, aanhoudend, hardnekkig
Voorbeeld:
(noun) personeel, medewerkers
Voorbeeld:
(noun) petitie, verzoekschrift;
(verb) verzoeken, een petitie indienen
Voorbeeld:
(noun) filosoof, wijsgeer, denker
Voorbeeld:
(adjective) filosofisch, wijsgerig, berustend
Voorbeeld:
(noun) arts, dokter
Voorbeeld:
(noun) pionier, voorloper;
(verb) pionieren, vooroplopen
Voorbeeld:
(noun) pijpleiding, buisleiding, kanaal;
(verb) in de pijplijn plaatsen, kanaliseren
Voorbeeld:
(noun) piraat, zeerover, illegaal kopiëren;
(verb) piraten, illegaal kopiëren
Voorbeeld:
(noun) kuil, put, pit;
(verb) deuken, aantasten, laten vechten
Voorbeeld:
(noun) pleidooi, oproep, verklaring
Voorbeeld:
(verb) smeken, pleiten, verdedigen
Voorbeeld:
(noun) belofte, toezegging, onderpand;
(verb) beloven, zweren, verpanden
Voorbeeld:
(noun) stekker, stop, prop;
(verb) inpluggen, aansluiten, stoppen
Voorbeeld:
(verb) duiken, storten, dalen;
(noun) daling, duik
Voorbeeld:
(noun) paal, stok, hengel;
(verb) duwen met een stok, staken
Voorbeeld:
(noun) peiling, enquête, stemming;
(verb) peilen, enquêteren, stemmen krijgen
Voorbeeld:
(noun) vijver;
(verb) overwegen, nadenken
Voorbeeld:
(noun) plof, knal, frisdrank;
(verb) ploffen, knallen, wippen;
(adjective) pop, populair;
(adverb) ploffend, knallend
Voorbeeld:
(noun) portfolio, map, beleggingsportefeuille
Voorbeeld:
(verb) portretteren, afbeelden, weergeven
Voorbeeld:
(verb) uitstellen, opschorten
Voorbeeld:
(adjective) naoorlogs
Voorbeeld:
(noun) beoefenaar, praktizijn
Voorbeeld:
(verb) preken, prediken, verkondigen
Voorbeeld:
(noun) precedent, voorbeeld
Voorbeeld:
(noun) precisie, nauwkeurigheid
Voorbeeld:
(noun) roofdier, uitbuiter, predator
Voorbeeld:
(noun) voorganger, voorloper
Voorbeeld:
(adverb) overwegend, voornamelijk, hoofdzakelijk
Voorbeeld:
(noun) zwangerschap
Voorbeeld:
(noun) vooroordeel, nadeel, schade;
(verb) benadelen, schaden
Voorbeeld:
(adjective) voorlopig, voorbereidend;
(noun) voorronde, inleiding
Voorbeeld:
(adjective) vooraanstaand, leidend, eerste;
(noun) premier;
(verb) in première gaan, voor het eerst vertonen
Voorbeeld:
(noun) premissie, uitgangspunt, pand;
(verb) baseren op, uitgaan van
Voorbeeld:
(noun) premie, toeslag;
(adjective) premium, hoogwaardig
Voorbeeld:
(verb) voorschrijven, bepalen
Voorbeeld:
(noun) recept, doktersvoorschrift, voorschrijven
Voorbeeld:
(adverb) momenteel, nu, zo
Voorbeeld:
(noun) behoud, conservering
Voorbeeld:
(verb) voorzitten, leiden
Voorbeeld:
(noun) presidentschap, ambtstermijn
Voorbeeld:
(adjective) presidentieel
Voorbeeld:
(adjective) prestigieus, gerenommeerd, aanzienlijk
Voorbeeld:
(adverb) vermoedelijk, waarschijnlijk
Voorbeeld:
(verb) aannemen, veronderstellen, zich aanmatigen
Voorbeeld:
(verb) zegevieren, overwinnen, heersen
Voorbeeld:
(noun) prevalentie, voorkomen
Voorbeeld:
(noun) preventie, voorkoming
Voorbeeld:
(noun) prooi, slachtoffer;
(verb) jagen op, prooien op, uitbuiten
Voorbeeld:
(noun) directeur, schoolhoofd, hoofdsom;
(adjective) voornaamste, belangrijkste, hoofd-
Voorbeeld:
(noun) privatisering
Voorbeeld:
(noun) privilege, voorrecht;
(verb) bevoorrechten, een voorrecht verlenen
Voorbeeld:
(noun) sonde, tastinstrument, ruimtesonde;
(verb) sonderen, onderzoeken, uitpluizen
Voorbeeld:
(adjective) problematisch, moeilijk
Voorbeeld:
(plural noun) procedures, verrichtingen, verslagen
Voorbeeld:
(plural noun) opbrengst, opbrengsten
Voorbeeld:
(noun) verwerking, bewerking
Voorbeeld:
(noun) verwerker, machine, processor
Voorbeeld:
(verb) afkondigen, uitroepen, uitroepen tot
Voorbeeld:
(adjective) productief, vruchtbaar, rendabel
Voorbeeld:
(noun) productiviteit, doelmatigheid
Voorbeeld:
(adjective) winstgevend, rendabel, voordelig
Voorbeeld:
(adjective) diepgaand, intens, grondig
Voorbeeld:
(noun) projectie, prognose, weergave
Voorbeeld:
(adjective) prominent, opvallend, belangrijk
Voorbeeld:
(adjective) uitgesproken, duidelijk;
(past participle) uitgesproken, verklaard
Voorbeeld:
(noun) propaganda
Voorbeeld:
(noun) stelling, propositie, bewering;
(verb) voorstellen, aanbieden
Voorbeeld:
(verb) vervolgen, aanklagen, voeren
Voorbeeld:
(noun) aanklager, officier van justitie
Voorbeeld:
(adjective) toekomstig, potentieel, vooruitziend
Voorbeeld:
(noun) welvaart, voorspoed
Voorbeeld:
(adjective) beschermend
Voorbeeld:
(noun) protocol, procedure, regels;
(verb) protocolleren, opstellen
Voorbeeld:
(noun) provincie, buiten de hoofdstad, gebied
Voorbeeld:
(adjective) provinciaal, bekrompen;
(noun) provinciaal, plattelander
Voorbeeld:
(noun) voorziening, levering, voorraad;
(verb) bevoorraden, voorzien
Voorbeeld:
(verb) uitlokken, provoceren, aanzetten tot
Voorbeeld:
(adjective) psychiatrisch
Voorbeeld:
(noun) pols, puls, impuls;
(verb) pulseren, kloppen
Voorbeeld:
(noun) pomp, pump, decolleté;
(verb) pompen, oppompen, op en neer bewegen
Voorbeeld:
(noun) stoot, klap, perforator;
(verb) slaan, stompen, ponsen
Voorbeeld: