Vocabulaireverzameling Voedselbereidingstechnieken - Chemisch in Bereiding van voedsel en drank: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling 'Voedselbereidingstechnieken - Chemisch' in 'Bereiding van voedsel en drank' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren(noun) pekel;
(verb) pekelen
Voorbeeld:
(adjective) droog, dor, dorstig;
(verb) drogen
Voorbeeld:
(verb) fermenteren, gisten, veroorzaken;
(noun) gisting, onrust
Voorbeeld:
(verb) marineren, laten bezinken
Voorbeeld:
(noun) zout, chemische verbinding;
(verb) zouten, pekelen
Voorbeeld:
(adjective) zuur, onaangenaam;
(verb) verzuren, zuur worden
Voorbeeld:
(noun) scheut, spruit;
(verb) ontkiemen, uitlopen, ontstaan
Voorbeeld:
(noun) suiker, schatje, liefje;
(verb) suikeren, zoeten
Voorbeeld:
(verb) schiften, stremsel, stollen
Voorbeeld:
(noun) geneesmiddel, kuur;
(verb) genezen, helen, conserveren
Voorbeeld:
(verb) emulgeren
Voorbeeld:
(noun) schuim, schuimrubber;
(verb) schuimen
Voorbeeld:
(modal verb) kunnen, mogelijk zijn, mogen;
(noun) blik, blikje;
(verb) inblikken, conserveren
Voorbeeld:
(noun) rijp, vorst, vorstperiode;
(verb) bevriezen, rijpen, glazuren
Voorbeeld:
(verb) homogeniseren, gelijk maken
Voorbeeld:
(verb) weken, macereren, uiteenvallen
Voorbeeld:
(noun) marinade;
(verb) marineren
Voorbeeld:
(verb) pasteuriseren
Voorbeeld:
(verb) reconstitueren, herstellen, herstructureren
Voorbeeld:
(noun) kou, kilte, rilling;
(verb) afkoelen, verkillen, ontmoedigen;
(adjective) relaxed, kalm
Voorbeeld:
(noun) dokter, arts, doctor;
(verb) vervalsen, manipuleren, repareren
Voorbeeld:
(verb) verrijken, verbeteren, rijk maken
Voorbeeld:
(noun) smaak, aroma, sfeer;
(verb) op smaak brengen, aromatiseren
Voorbeeld:
(verb) versterken, verstevigen, verrijken
Voorbeeld:
(noun) vet, smeer;
(verb) smeren, invett
Voorbeeld:
(noun) ijs, ijsje, sorbet;
(verb) bevriezen, koelen, glazuren
Voorbeeld:
(noun) gist, zuurdesem, ferment;
(verb) laten rijzen, fermenteren, verlichten
Voorbeeld:
(verb) ontdooien, dooien, ontspannen;
(noun) dooi, ontdooiing
Voorbeeld:
(adjective) meunière
Voorbeeld: