Vocabulaireverzameling A1 - Letter B in Oxford 3000 - A1: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling 'A1 - Letter B' in 'Oxford 3000 - A1' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren(noun) baby, zuigeling, schatje;
(verb) verwennen, vertroetelen;
(adjective) klein, mini
Voorbeeld:
(noun) rug, achterkant;
(adverb) terug, achteruit, vroeger;
(adjective) achterste;
(verb) achteruitgaan, steunen, ondersteunen
Voorbeeld:
(adjective) slecht, onaangenaam, ernstig;
(adverb) slecht, beroerd
Voorbeeld:
(noun) tas, zak, ding;
(verb) inpakken, verpakken, bemachtigen
Voorbeeld:
(noun) bal, dansfeest;
(verb) ballen, opballen
Voorbeeld:
(noun) banaan
Voorbeeld:
(noun) band, strook, bereik;
(verb) banden, vastbinden, verenigen
Voorbeeld:
(noun) bank, oever, wal;
(verb) storten, bankieren, ophopen
Voorbeeld:
(noun) bad, badbeurt, badkuip;
(verb) baden, wassen
Voorbeeld:
(noun) badkamer, toilet
Voorbeeld:
(verb) zijn, bestaan, worden;
(noun) wezen, bestaan
Voorbeeld:
(noun) strand;
(verb) aan land brengen, stranden
Voorbeeld:
(adjective) mooi, prachtig
Voorbeeld:
(conjunction) omdat, doordat
Voorbeeld:
(verb) worden, staan, passen
Voorbeeld:
(noun) bed, bedding, bodem;
(verb) naar bed brengen, te slapen leggen, planten
Voorbeeld:
(noun) slaapkamer
Voorbeeld:
(noun) bier
Voorbeeld:
(preposition) voor, voordat;
(adverb) eerder, voorheen;
(conjunction) voordat
Voorbeeld:
(verb) beginnen, aanvangen, starten
Voorbeeld:
(noun) begin, aanvang, eerste deel
Voorbeeld:
(preposition) achter, steunen;
(adverb) achter, te laat;
(adjective) achter, minder succesvol
Voorbeeld:
(verb) geloven, geloven in
Voorbeeld:
(preposition) onder, hieronder, onderaan;
(adverb) beneden, onder
Voorbeeld:
(adjective) beste;
(adverb) het best;
(noun) het beste;
(verb) verslaan, overtreffen
Voorbeeld:
(adjective) beter;
(adverb) beter;
(verb) verbeteren, overtreffen;
(noun) meerderen, superieuren
Voorbeeld:
(preposition) tussen;
(adverb) tussen
Voorbeeld:
(noun) fiets;
(verb) fietsen
Voorbeeld:
(adjective) groot, omvangrijk, belangrijk;
(adverb) grootspraak, arrogant
Voorbeeld:
(noun) fiets, motor, motorfiets;
(verb) fietsen, motorrijden
Voorbeeld:
(noun) rekening, factuur, wetsvoorstel;
(verb) factureren, rekening sturen, aankondigen
Voorbeeld:
(noun) vogel, meid, vrouw;
(verb) de middelvinger opsteken
Voorbeeld:
(adjective) zwart, donkerhuidig, boos;
(noun) zwart, zwarte, persoon van Afrikaanse afkomst;
(verb) zwart maken, verzwarten
Voorbeeld:
(noun) blog;
(verb) bloggen
Voorbeeld:
(noun) blondine, blondje;
(adjective) blond
Voorbeeld:
(adjective) blauw, somber, neerslachtig;
(noun) blauw, somberheid, neerslachtigheid
Voorbeeld:
(noun) boot, vaartuig;
(verb) varen, bootje varen
Voorbeeld:
(noun) lichaam, hoofdgedeelte, carrosserie
Voorbeeld:
(noun) boek, register;
(verb) boeken, reserveren, registreren
Voorbeeld:
(noun) laars, kofferbak;
(verb) schoppen, eruit gooien, opstarten
Voorbeeld:
(adjective) verveeld, vervelen
Voorbeeld:
(adjective) saai, vervelend
Voorbeeld:
(adjective) geboren, natuurlijk;
(past participle) geboren
Voorbeeld:
(determiner) beide, zowel;
(pronoun) beide;
(conjunction) zowel...als
Voorbeeld:
(noun) fles;
(verb) in flessen doen, bottelen, opgeven
Voorbeeld:
(noun) doos, kist, vak;
(verb) inpakken, verpakken, boksen
Voorbeeld:
(noun) jongen, kerel;
(exclamation) jongen, man
Voorbeeld:
(noun) vriendje, partner
Voorbeeld:
(noun) brood, geld, poen;
(verb) paneren
Voorbeeld:
(verb) breken, stukmaken, onderbreken;
(noun) pauze, onderbreking, uitbraak
Voorbeeld:
(noun) ontbijt;
(verb) ontbijten
Voorbeeld:
(verb) brengen, meenemen, veroorzaken
Voorbeeld:
(noun) broer, broeder, kameraad
Voorbeeld:
(adjective) bruin;
(noun) bruin, bruine kleur;
(verb) bruinen, bakken
Voorbeeld:
(verb) bouwen, opbouwen, toenemen;
(noun) bouw, lichaamsbouw
Voorbeeld:
(noun) gebouw, bouw, constructie
Voorbeeld:
(noun) bus;
(verb) met de bus vervoeren
Voorbeeld:
(noun) bedrijf, zaak, onderneming
Voorbeeld:
(adjective) druk, bezig, bezet;
(verb) bezig houden, occuperen
Voorbeeld:
(conjunction) maar, dan, behalve;
(preposition) behalve, dan;
(adverb) slechts, alleen;
(noun) mits, maar
Voorbeeld:
(noun) boter;
(verb) boteren, besmeren met boter
Voorbeeld:
(verb) kopen, aanschaffen, geloven;
(noun) koop, aankoop
Voorbeeld:
(preposition) door, met, bij;
(adverb) voorbij, langs
Voorbeeld:
(exclamation) dag, doei;
(noun) bye, vrijstelling
Voorbeeld: