Vocabulaireverzameling B2 - Letter C in Oxford 3000 - B2: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling 'B2 - Letter C' in 'Oxford 3000 - B2' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren(noun) kabel, touw, draad;
(verb) kabelen, telegraferen
Voorbeeld:
(verb) berekenen, uitrekenen, inschatten
Voorbeeld:
(verb) annuleren, afgelasten, doorstrepen;
(noun) annulering, doorhaling
Voorbeeld:
(noun) kanker, Kreeft, sterrenbeeld Kreeft
Voorbeeld:
(adjective) capabel, bekwaam, in staat
Voorbeeld:
(noun) capaciteit, inhoud, vermogen
Voorbeeld:
(verb) vangen, veroveren, arresteren;
(noun) vangst, verovering, arrestatie
Voorbeeld:
(verb) werpen, gooien, uitbrengen;
(noun) cast, rolbezetting, gietstuk
Voorbeeld:
(verb) vangen, grijpen, betrappen;
(noun) vangbal, vangspel, addertje onder het gras
Voorbeeld:
(noun) cel, batterij, mobiel
Voorbeeld:
(noun) ketting, keten;
(verb) ketenen, vastketenen
Voorbeeld:
(noun) stoel, voorzitter, leider;
(verb) voorzitten, leiden
Voorbeeld:
(noun) voorzitter;
(verb) voorzitten
Voorbeeld:
(noun) uitdaging, uitnodiging tot strijd, moeilijkheid;
(verb) uitdagen, betwisten, in twijfel trekken
Voorbeeld:
(noun) kenmerk, eigenschap;
(adjective) kenmerkend, typisch
Voorbeeld:
(noun) grafiek, kaart, zeekaart;
(verb) in kaart brengen, uitzetten, bijhouden
Voorbeeld:
(noun) stamhoofd, leider, hoofd;
(adjective) voornaamste, belangrijkste
Voorbeeld:
(noun) omstandigheid, situatie, omstandigheden
Voorbeeld:
(verb) citeren, aanhalen, noemen
Voorbeeld:
(noun) burger, inwoner
Voorbeeld:
(adjective) burgerlijk, civiel, beleefd
Voorbeeld:
(adjective) klassiek, tijdloos, geweldig;
(noun) klassieker, klassiek werk
Voorbeeld:
(verb) sluiten, dichtdoen, afsluiten;
(adjective) dichtbij, nabij, nauwkeurig;
(adverb) dichtbij, nabij
Voorbeeld:
(adverb) nauwlettend, dichtbij, nauwkeurig
Voorbeeld:
(verb) instorten, ineenstorten, bezinken;
(noun) instorting, ineenstorting, val
Voorbeeld:
(noun) combinatie, mengsel, cijfercode
Voorbeeld:
(noun) comfort, gemak, troost;
(verb) troosten, comfort bieden
Voorbeeld:
(noun) bevel, opdracht, beheersing;
(verb) bevelen, gebieden, bevel voeren over
Voorbeeld:
(noun) opdracht, taak, commissie;
(verb) opdragen, bestellen, in gebruik nemen
Voorbeeld:
(noun) toewijding, betrokkenheid, verplichting
Voorbeeld:
(noun) commissie, bestuur
Voorbeeld:
(adverb) vaak, meestal, algemeen
Voorbeeld:
(adjective) complex, ingewikkeld, moeilijk te begrijpen;
(noun) complex, gebouwencomplex, minderwaardigheidscomplex
Voorbeeld:
(adjective) ingewikkeld, complex, moeilijk te begrijpen
Voorbeeld:
(noun) onderdeel, component, element;
(adjective) component, onderdeel
Voorbeeld:
(noun) concentratie, aandacht, dichtheid
Voorbeeld:
(noun) concept, idee, plan
Voorbeeld:
(noun) zorg, aangelegenheid, bedrijf;
(verb) betreffen, aangaan, zorgen baren
Voorbeeld:
(adjective) bezorgd, bekommerd, betrokken
Voorbeeld:
(noun) gedrag, verloop, beheer;
(verb) uitvoeren, leiden, dirigeren
Voorbeeld:
(noun) vertrouwen, zelfvertrouwen, zelfverzekerdheid
Voorbeeld:
(noun) conflict, ruzie, geschil;
(verb) botsen, conflicteren, strijden
Voorbeeld:
(adjective) verwarrend, onduidelijk
Voorbeeld:
(adjective) bewust, bij bewustzijn, opzettelijk
Voorbeeld:
(noun) conservatief;
(adjective) conservatief
Voorbeeld:
(noun) overweging, aandacht, factor
Voorbeeld:
(adjective) consistent, consequent, gelijkmatig
Voorbeeld:
(adjective) constant, voortdurend, onveranderlijk;
(noun) constante
Voorbeeld:
(adverb) voortdurend, constant
Voorbeeld:
(verb) bouwen, construeren, opbouwen;
(noun) construct, bouwsel
Voorbeeld:
(noun) constructie, bouw, bouwwerk
Voorbeeld:
(adjective) hedendaags, gelijktijdig, modern;
(noun) tijdgenoot, gelijktijdige
Voorbeeld:
(noun) wedstrijd, competitie;
(verb) aanvechten, betwisten, strijden om
Voorbeeld:
(noun) contract, overeenkomst;
(verb) samentrekken, krimpen, oplopen
Voorbeeld:
(verb) bijdragen, schenken, bijdragen aan
Voorbeeld:
(noun) bijdrage, schenking, aandeel
Voorbeeld:
(verb) omzetten, verbouwen, converteren;
(noun) bekeerling, overtuigde
Voorbeeld:
(adjective) overtuigd, zeker;
(verb) overtuigen, doen geloven
Voorbeeld:
(noun) kern, essentie, klokhuis;
(verb) ontkernen;
(adjective) kern, essentieel
Voorbeeld:
(adjective) bedrijfs-, zakelijk, vennootschaps-
Voorbeeld:
(noun) raad, bestuur, vergadering
Voorbeeld:
(noun) provincie, graafschap
Voorbeeld:
(noun) moed, dapperheid
Voorbeeld:
(noun) crash, botsing, klap;
(verb) crashen, botsen, klappen;
(adjective) crash-, spoed-;
(adverb) met een klap, met een dreun
Voorbeeld:
(noun) schepping, creatie, totstandbrenging
Voorbeeld:
(noun) wezen, schepsel, persoon
Voorbeeld:
(noun) krediet, credit, tegoed;
(verb) crediteren, bijschrijven, toeschrijven
Voorbeeld:
(noun) bemanning, ploeg, team;
(verb) bemannen, als bemanningslid dienen
Voorbeeld:
(noun) crisis, noodsituatie, keerpunt
Voorbeeld:
(noun) criterium, maatstaf
Voorbeeld:
(noun) criticus, recensent, beoordelaar
Voorbeeld:
(adjective) kritisch, cruciaal, essentieel
Voorbeeld:
(noun) kritiek, afkeuring, analyse
Voorbeeld:
(verb) bekritiseren, afkeuren, analyseren
Voorbeeld:
(noun) gewas, oogst, kort kapsel;
(verb) snoeien, verbouwen, knippen
Voorbeeld:
(adjective) cruciaal, essentieel, doorslaggevend
Voorbeeld:
(verb) huilen, schreeuwen, roepen;
(noun) kreet, roep, huilbui
Voorbeeld:
(noun) geneesmiddel, kuur;
(verb) genezen, helen, conserveren
Voorbeeld:
(adjective) huidig, actueel;
(noun) stroom, stroming, elektrische stroom
Voorbeeld:
(noun) bocht, kromme, curve;
(verb) buigen, krommen
Voorbeeld:
(adjective) gebogen, krom;
(past participle) boog, kromde
Voorbeeld: