Avatar of Vocabulary Set B2 - Letter C

Vocabulaireverzameling B2 - Letter C in Oxford 3000 - B2: Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'B2 - Letter C' in 'Oxford 3000 - B2' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

cable

/ˈkeɪ.bəl/

(noun) kabel, touw, draad;

(verb) kabelen, telegraferen

Voorbeeld:

The bridge is supported by strong steel cables.
De brug wordt ondersteund door sterke stalen kabels.

calculate

/ˈkæl.kjə.leɪt/

(verb) berekenen, uitrekenen, inschatten

Voorbeeld:

Can you calculate the total cost?
Kun je de totale kosten berekenen?

cancel

/ˈkæn.səl/

(verb) annuleren, afgelasten, doorstrepen;

(noun) annulering, doorhaling

Voorbeeld:

We had to cancel our trip due to bad weather.
We moesten onze reis annuleren vanwege slecht weer.

cancer

/ˈkæn.sɚ/

(noun) kanker, Kreeft, sterrenbeeld Kreeft

Voorbeeld:

She is undergoing treatment for lung cancer.
Ze ondergaat behandeling voor longkanker.

capable

/ˈkeɪ.pə.bəl/

(adjective) capabel, bekwaam, in staat

Voorbeeld:

She is capable of handling difficult situations.
Zij is in staat om moeilijke situaties aan te pakken.

capacity

/kəˈpæs.ə.t̬i/

(noun) capaciteit, inhoud, vermogen

Voorbeeld:

The hall has a seating capacity of 500 people.
De zaal heeft een zitcapaciteit van 500 personen.

capture

/ˈkæp.tʃɚ/

(verb) vangen, veroveren, arresteren;

(noun) vangst, verovering, arrestatie

Voorbeeld:

The police managed to capture the suspect after a long chase.
De politie slaagde erin de verdachte te vangen na een lange achtervolging.

cast

/kæst/

(verb) werpen, gooien, uitbrengen;

(noun) cast, rolbezetting, gietstuk

Voorbeeld:

He cast his fishing line into the lake.
Hij wierp zijn vislijn in het meer.

catch

/kætʃ/

(verb) vangen, grijpen, betrappen;

(noun) vangbal, vangspel, addertje onder het gras

Voorbeeld:

She managed to catch the ball with one hand.
Ze slaagde erin de bal met één hand te vangen.

cell

/sel/

(noun) cel, batterij, mobiel

Voorbeeld:

The prisoner was confined to a solitary cell.
De gevangene werd opgesloten in een eenzame cel.

chain

/tʃeɪn/

(noun) ketting, keten;

(verb) ketenen, vastketenen

Voorbeeld:

The dog was tied to a post with a heavy chain.
De hond was met een zware ketting aan een paal gebonden.

chair

/tʃer/

(noun) stoel, voorzitter, leider;

(verb) voorzitten, leiden

Voorbeeld:

Please take a chair and sit down.
Neem alstublieft een stoel en ga zitten.

chairman

/ˈtʃer.mən/

(noun) voorzitter;

(verb) voorzitten

Voorbeeld:

The chairman opened the meeting with a brief introduction.
De voorzitter opende de vergadering met een korte introductie.

challenge

/ˈtʃæl.ɪndʒ/

(noun) uitdaging, uitnodiging tot strijd, moeilijkheid;

(verb) uitdagen, betwisten, in twijfel trekken

Voorbeeld:

He accepted the challenge to a duel.
Hij accepteerde de uitdaging voor een duel.

characteristic

/ˌker.ək.təˈrɪs.tɪk/

(noun) kenmerk, eigenschap;

(adjective) kenmerkend, typisch

Voorbeeld:

One characteristic of a good leader is integrity.
Een kenmerk van een goede leider is integriteit.

chart

/tʃɑːrt/

(noun) grafiek, kaart, zeekaart;

(verb) in kaart brengen, uitzetten, bijhouden

Voorbeeld:

The sales figures are shown on the chart.
De verkoopcijfers worden weergegeven op de grafiek.

chief

/tʃiːf/

(noun) stamhoofd, leider, hoofd;

(adjective) voornaamste, belangrijkste

Voorbeeld:

The chief of the tribe made an important announcement.
De stamhoofd deed een belangrijke aankondiging.

circumstance

/ˈsɝː.kəm.stæns/

(noun) omstandigheid, situatie, omstandigheden

Voorbeeld:

The police are investigating the circumstances of her death.
De politie onderzoekt de omstandigheden van haar dood.

cite

/saɪt/

(verb) citeren, aanhalen, noemen

Voorbeeld:

He cited several sources in his research paper.
Hij citeerde verschillende bronnen in zijn onderzoekspaper.

citizen

/ˈsɪt̬.ə.zən/

(noun) burger, inwoner

Voorbeeld:

Every citizen has the right to vote.
Elke burger heeft stemrecht.

civil

/ˈsɪv.əl/

(adjective) burgerlijk, civiel, beleefd

Voorbeeld:

The government is focused on civil liberties.
De regering richt zich op burgerlijke vrijheden.

classic

/ˈklæs.ɪk/

(adjective) klassiek, tijdloos, geweldig;

(noun) klassieker, klassiek werk

Voorbeeld:

Her new album is a classic.
Haar nieuwe album is een klassieker.

close

/kloʊz/

(verb) sluiten, dichtdoen, afsluiten;

(adjective) dichtbij, nabij, nauwkeurig;

(adverb) dichtbij, nabij

Voorbeeld:

Please close the door when you leave.
Gelieve de deur te sluiten wanneer u vertrekt.

closely

/ˈkloʊs.li/

(adverb) nauwlettend, dichtbij, nauwkeurig

Voorbeeld:

The two cars followed each other closely.
De twee auto's volgden elkaar nauwlettend.

collapse

/kəˈlæps/

(verb) instorten, ineenstorten, bezinken;

(noun) instorting, ineenstorting, val

Voorbeeld:

The old bridge finally collapsed under the heavy load.
De oude brug bezweek uiteindelijk onder de zware lading.

combination

/ˌkɑːm.bəˈneɪ.ʃən/

(noun) combinatie, mengsel, cijfercode

Voorbeeld:

The dish was a delicious combination of sweet and savory flavors.
Het gerecht was een heerlijke combinatie van zoete en hartige smaken.

comfort

/ˈkʌm.fɚt/

(noun) comfort, gemak, troost;

(verb) troosten, comfort bieden

Voorbeeld:

She found comfort in the soft armchair.
Ze vond comfort in de zachte fauteuil.

command

/kəˈmænd/

(noun) bevel, opdracht, beheersing;

(verb) bevelen, gebieden, bevel voeren over

Voorbeeld:

The officer gave a clear command to his troops.
De officier gaf een duidelijk bevel aan zijn troepen.

commission

/kəˈmɪʃ.ən/

(noun) opdracht, taak, commissie;

(verb) opdragen, bestellen, in gebruik nemen

Voorbeeld:

He received a commission to paint the mayor's portrait.
Hij ontving een opdracht om het portret van de burgemeester te schilderen.

commitment

/kəˈmɪt.mənt/

(noun) toewijding, betrokkenheid, verplichting

Voorbeeld:

Her commitment to her studies was admirable.
Haar toewijding aan haar studies was bewonderenswaardig.

committee

/kəˈmɪt̬.i/

(noun) commissie, bestuur

Voorbeeld:

The finance committee meets every Tuesday.
De financiële commissie vergadert elke dinsdag.

commonly

/ˈkɑː.mən.li/

(adverb) vaak, meestal, algemeen

Voorbeeld:

It's commonly known that exercise is good for health.
Het is algemeen bekend dat lichaamsbeweging goed is voor de gezondheid.

complex

/kɑːmˈpleks/

(adjective) complex, ingewikkeld, moeilijk te begrijpen;

(noun) complex, gebouwencomplex, minderwaardigheidscomplex

Voorbeeld:

The human brain is a highly complex organ.
Het menselijk brein is een zeer complex orgaan.

complicated

/ˈkɑːm.plə.keɪ.t̬ɪd/

(adjective) ingewikkeld, complex, moeilijk te begrijpen

Voorbeeld:

The instructions were too complicated for me to follow.
De instructies waren te ingewikkeld voor mij om te volgen.

component

/kəmˈpoʊ.nənt/

(noun) onderdeel, component, element;

(adjective) component, onderdeel

Voorbeeld:

The engine is a crucial component of the car.
De motor is een cruciaal onderdeel van de auto.

concentration

/ˌkɑːn.sənˈtreɪ.ʃən/

(noun) concentratie, aandacht, dichtheid

Voorbeeld:

He needs to improve his concentration during studies.
Hij moet zijn concentratie tijdens het studeren verbeteren.

concept

/ˈkɑːn.sept/

(noun) concept, idee, plan

Voorbeeld:

The concept of time travel is fascinating.
Het concept van tijdreizen is fascinerend.

concern

/kənˈsɝːn/

(noun) zorg, aangelegenheid, bedrijf;

(verb) betreffen, aangaan, zorgen baren

Voorbeeld:

The safety of the children is my main concern.
De veiligheid van de kinderen is mijn voornaamste zorg.

concerned

/kənˈsɝːnd/

(adjective) bezorgd, bekommerd, betrokken

Voorbeeld:

She was very concerned about her son's health.
Ze was erg bezorgd over de gezondheid van haar zoon.

conduct

/kənˈdʌkt/

(noun) gedrag, verloop, beheer;

(verb) uitvoeren, leiden, dirigeren

Voorbeeld:

The conduct of the meeting was very professional.
Het verloop van de vergadering was zeer professioneel.

confidence

/ˈkɑːn.fə.dəns/

(noun) vertrouwen, zelfvertrouwen, zelfverzekerdheid

Voorbeeld:

She has great confidence in her team's abilities.
Ze heeft veel vertrouwen in de capaciteiten van haar team.

conflict

/ˈkɑːn.flɪkt/

(noun) conflict, ruzie, geschil;

(verb) botsen, conflicteren, strijden

Voorbeeld:

There was a lot of conflict between the two brothers.
Er was veel conflict tussen de twee broers.

confusing

/kənˈfjuː.zɪŋ/

(adjective) verwarrend, onduidelijk

Voorbeeld:

The instructions were very confusing.
De instructies waren erg verwarrend.

conscious

/ˈkɑːn.ʃəs/

(adjective) bewust, bij bewustzijn, opzettelijk

Voorbeeld:

The patient was fully conscious after the surgery.
De patiënt was volledig bij bewustzijn na de operatie.

conservative

/kənˈsɝː.və.t̬ɪv/

(noun) conservatief;

(adjective) conservatief

Voorbeeld:

My grandfather is a staunch conservative.
Mijn grootvader is een overtuigde conservatief.

consideration

/kənˌsɪd.əˈreɪ.ʃən/

(noun) overweging, aandacht, factor

Voorbeeld:

After much consideration, she decided to accept the job offer.
Na veel overweging besloot ze het baanaanbod te accepteren.

consistent

/kənˈsɪs.tənt/

(adjective) consistent, consequent, gelijkmatig

Voorbeeld:

Her performance has been consistent throughout the season.
Haar prestaties zijn het hele seizoen consistent geweest.

constant

/ˈkɑːn.stənt/

(adjective) constant, voortdurend, onveranderlijk;

(noun) constante

Voorbeeld:

The machine makes a constant humming noise.
De machine maakt een constant zoemend geluid.

constantly

/ˈkɑːn.stənt.li/

(adverb) voortdurend, constant

Voorbeeld:

The weather here is constantly changing.
Het weer hier verandert voortdurend.

construct

/kənˈstrʌkt/

(verb) bouwen, construeren, opbouwen;

(noun) construct, bouwsel

Voorbeeld:

They plan to construct a new bridge over the river.
Ze zijn van plan een nieuwe brug over de rivier te bouwen.

construction

/kənˈstrʌk.ʃən/

(noun) constructie, bouw, bouwwerk

Voorbeeld:

The construction of the new bridge will take two years.
De constructie van de nieuwe brug zal twee jaar duren.

contemporary

/kənˈtem.pə.rer.i/

(adjective) hedendaags, gelijktijdig, modern;

(noun) tijdgenoot, gelijktijdige

Voorbeeld:

The artist's work is often compared to that of his contemporary peers.
Het werk van de kunstenaar wordt vaak vergeleken met dat van zijn hedendaagse collega's.

contest

/ˈkɑːn.test/

(noun) wedstrijd, competitie;

(verb) aanvechten, betwisten, strijden om

Voorbeeld:

She won the singing contest.
Ze won de zangwedstrijd.

contract

/ˈkɑːn.trækt/

(noun) contract, overeenkomst;

(verb) samentrekken, krimpen, oplopen

Voorbeeld:

They signed a contract for the new house.
Ze tekenden een contract voor het nieuwe huis.

contribute

/kənˈtrɪb.juːt/

(verb) bijdragen, schenken, bijdragen aan

Voorbeeld:

He contributed a large sum to the charity.
Hij droeg een groot bedrag bij aan het goede doel.

contribution

/ˌkɑːn.trɪˈbjuː.ʃən/

(noun) bijdrage, schenking, aandeel

Voorbeeld:

We made a significant contribution to the charity.
We hebben een aanzienlijke bijdrage geleverd aan het goede doel.

convert

/kənˈvɝːt/

(verb) omzetten, verbouwen, converteren;

(noun) bekeerling, overtuigde

Voorbeeld:

They decided to convert the old barn into a guesthouse.
Ze besloten de oude schuur te verbouwen tot een gastenverblijf.

convinced

/kənˈvɪnst/

(adjective) overtuigd, zeker;

(verb) overtuigen, doen geloven

Voorbeeld:

I am convinced that he is telling the truth.
Ik ben overtuigd dat hij de waarheid spreekt.

core

/kɔːr/

(noun) kern, essentie, klokhuis;

(verb) ontkernen;

(adjective) kern, essentieel

Voorbeeld:

The core of the issue is lack of communication.
De kern van het probleem is gebrek aan communicatie.

corporate

/ˈkɔːr.pɚ.ət/

(adjective) bedrijfs-, zakelijk, vennootschaps-

Voorbeeld:

The company announced a new corporate strategy.
Het bedrijf kondigde een nieuwe bedrijfsstrategie aan.

council

/ˈkaʊn.səl/

(noun) raad, bestuur, vergadering

Voorbeeld:

The city council approved the new zoning laws.
De stadsraad keurde de nieuwe bestemmingsplannen goed.

county

/ˈkaʊn.t̬i/

(noun) provincie, graafschap

Voorbeeld:

The new regulations apply to all residents within the county.
De nieuwe regels gelden voor alle inwoners binnen de provincie.

courage

/ˈkɝː.ɪdʒ/

(noun) moed, dapperheid

Voorbeeld:

She showed great courage in facing her fears.
Ze toonde grote moed in het onder ogen zien van haar angsten.

crash

/kræʃ/

(noun) crash, botsing, klap;

(verb) crashen, botsen, klappen;

(adjective) crash-, spoed-;

(adverb) met een klap, met een dreun

Voorbeeld:

There was a serious car crash on the highway.
Er was een ernstige autocrash op de snelweg.

creation

/kriˈeɪ.ʃən/

(noun) schepping, creatie, totstandbrenging

Voorbeeld:

The creation of the universe is a profound mystery.
De schepping van het universum is een diepgaand mysterie.

creature

/ˈkriː.tʃɚ/

(noun) wezen, schepsel, persoon

Voorbeeld:

The forest is home to many wild creatures.
Het bos is de thuisbasis van vele wilde wezens.

credit

/ˈkred.ɪt/

(noun) krediet, credit, tegoed;

(verb) crediteren, bijschrijven, toeschrijven

Voorbeeld:

Can I buy this on credit?
Kan ik dit op krediet kopen?

crew

/kruː/

(noun) bemanning, ploeg, team;

(verb) bemannen, als bemanningslid dienen

Voorbeeld:

The ship's crew prepared for departure.
De bemanning van het schip bereidde zich voor op vertrek.

crisis

/ˈkraɪ.sɪs/

(noun) crisis, noodsituatie, keerpunt

Voorbeeld:

The country is facing an economic crisis.
Het land staat voor een economische crisis.

criterion

/kraɪˈtɪr.i.ən/

(noun) criterium, maatstaf

Voorbeeld:

The main criterion for selection is fluency in English.
Het belangrijkste criterium voor selectie is vloeiendheid in het Engels.

critic

/ˈkrɪt̬.ɪk/

(noun) criticus, recensent, beoordelaar

Voorbeeld:

The play received harsh reviews from the critics.
Het toneelstuk kreeg harde recensies van de critici.

critical

/ˈkrɪt̬.ɪ.kəl/

(adjective) kritisch, cruciaal, essentieel

Voorbeeld:

He received a lot of critical feedback on his performance.
Hij kreeg veel kritische feedback op zijn prestatie.

criticism

/ˈkrɪt̬.ɪ.sɪ.zəm/

(noun) kritiek, afkeuring, analyse

Voorbeeld:

The play received a lot of criticism from the audience.
Het toneelstuk kreeg veel kritiek van het publiek.

criticize

/ˈkrɪt̬.ɪ.saɪz/

(verb) bekritiseren, afkeuren, analyseren

Voorbeeld:

It's easy to criticize others, but harder to offer solutions.
Het is gemakkelijk om anderen te bekritiseren, maar moeilijker om oplossingen te bieden.

crop

/krɑːp/

(noun) gewas, oogst, kort kapsel;

(verb) snoeien, verbouwen, knippen

Voorbeeld:

Wheat is a major crop in this region.
Tarwe is een belangrijk gewas in deze regio.

crucial

/ˈkruː.ʃəl/

(adjective) cruciaal, essentieel, doorslaggevend

Voorbeeld:

It is crucial that we act immediately.
Het is cruciaal dat we onmiddellijk handelen.

cry

/kraɪ/

(verb) huilen, schreeuwen, roepen;

(noun) kreet, roep, huilbui

Voorbeeld:

The baby started to cry when he was hungry.
De baby begon te huilen toen hij honger had.

cure

/kjʊr/

(noun) geneesmiddel, kuur;

(verb) genezen, helen, conserveren

Voorbeeld:

Scientists are still searching for a cure for cancer.
Wetenschappers zoeken nog steeds naar een geneesmiddel tegen kanker.

current

/ˈkɝː.ənt/

(adjective) huidig, actueel;

(noun) stroom, stroming, elektrische stroom

Voorbeeld:

What's your current address?
Wat is je huidige adres?

curve

/kɝːv/

(noun) bocht, kromme, curve;

(verb) buigen, krommen

Voorbeeld:

The road has a sharp curve ahead.
De weg heeft een scherpe bocht vooruit.

curved

/kɝːvd/

(adjective) gebogen, krom;

(past participle) boog, kromde

Voorbeeld:

The road has a sharp curved bend.
De weg heeft een scherpe gebogen bocht.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland