Vocabulaireverzameling Ongebruikelijke betekenis in Essentiële SAT-woordenschat voor het examen: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling 'Ongebruikelijke betekenis' in 'Essentiële SAT-woordenschat voor het examen' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren(verb) vieren, prijzen, eren
Voorbeeld:
(noun) wind, adem, lucht;
(verb) winden, kronkelen, opwinden
Voorbeeld:
(verb) onderhouden, in stand houden, handhaven
Voorbeeld:
(verb) gebeuren, plaatsvinden, opkomen
Voorbeeld:
(noun) hagel, begroeting, roep;
(verb) hagelen, roepen, aanroepen;
(exclamation) gegroet
Voorbeeld:
(verb) verbinden, relateren, zich inleven
Voorbeeld:
(verb) arresteren, aanhouden, stoppen;
(noun) arrestatie, aanhouding, stop
Voorbeeld:
(noun) adres, toespraak, rede;
(verb) toespreken, aanpakken, adresseren
Voorbeeld:
(verb) tonen, tentoonstellen, weergeven;
(noun) tentoonstelling, uitstalling, scherm
Voorbeeld:
(verb) drijven, zweven, laten zweven;
(noun) dobber, vlotter, praalwagen
Voorbeeld:
(noun) grafiek, kaart, zeekaart;
(verb) in kaart brengen, uitzetten, bijhouden
Voorbeeld:
(noun) onderwerp, thema, vak;
(verb) onderwerpen, blootstellen;
(adjective) onderhevig aan, afhankelijk van
Voorbeeld:
(verb) behandelen, verwerken, traktatie geven;
(noun) traktatie, verwennerij, rondje
Voorbeeld:
(noun) contract, overeenkomst;
(verb) samentrekken, krimpen, oplopen
Voorbeeld:
(verb) bezorgen, leveren, opleveren
Voorbeeld:
(verb) vervoeren, transporteren, overbrengen
Voorbeeld:
(verb) bevorderen, promoten, promoveren
Voorbeeld:
(verb) portretteren, afbeelden, weergeven
Voorbeeld:
(verb) bepalen, vaststellen, uitvinden
Voorbeeld:
(verb) omzetten, verbouwen, converteren;
(noun) bekeerling, overtuigde
Voorbeeld:
(verb) inspireren, bezielen, opwekken
Voorbeeld:
(verb) veroorloven, bieden, verschaffen
Voorbeeld:
(verb) zich realiseren, beseffen, realiseren
Voorbeeld:
(verb) galmen, weerklinken, weerklank vinden
Voorbeeld:
(noun) vooruitgang, opmars, voorschot;
(verb) vooruitgaan, vorderen, voorschieten;
(adjective) vooraf, voorlopig
Voorbeeld:
(noun) handvest, akte, privilege;
(verb) charteren, oprichten, huren
Voorbeeld:
(noun) mensen, volk, natie;
(verb) bevolken, vullen
Voorbeeld:
(verb) beschouwen, aanzien, aankijken;
(noun) achting, aandacht, respect
Voorbeeld:
(noun) korting, reductie;
(verb) korting geven, afprijzen, negeren
Voorbeeld:
(noun) niveau, peil, vlak;
(adjective) vlak, waterpas;
(verb) egaliseren, vlak maken
Voorbeeld:
(noun) discipline, tucht, vakgebied;
(verb) disciplineren, straffen
Voorbeeld:
(verb) slepen, trekken, voortslepen;
(noun) sleep, weerstand, drag
Voorbeeld:
(noun) antwoord, reactie, respons
Voorbeeld:
(noun) handtekening, kenmerk, handelsmerk
Voorbeeld:
(noun) projectie, prognose, weergave
Voorbeeld:
(noun) voordeel, nut, profijt;
(verb) profiteren, voordeel trekken uit, ten goede komen
Voorbeeld:
(verb) wakker worden, wekken, kielzog;
(noun) wake, rouwplechtigheid, kielzog
Voorbeeld:
(noun) indruk, imitatie, nadoening
Voorbeeld:
(noun) rekening, factuur, wetsvoorstel;
(verb) factureren, rekening sturen, aankondigen
Voorbeeld:
(noun) grondwet, constitutie, samenstelling
Voorbeeld:
(noun) complot, samenzwering, plot;
(verb) complotteren, beramen, plotten
Voorbeeld:
(noun) staat, conditie, voorwaarde;
(verb) conditioneren, trainen
Voorbeeld:
(noun) adoptie, aanname
Voorbeeld:
(noun) oorzaak, reden, zaak;
(verb) veroorzaken, teweegbrengen
Voorbeeld:
(noun) middel, wijze, middelen;
(verb) betekenen, bedoelen, van plan zijn
Voorbeeld:
(noun) inslag, botsing, impact;
(verb) beïnvloeden, raken, treffen
Voorbeeld:
(noun) voertuig, rijtuig, middel
Voorbeeld:
(noun) uitdrukking, expressie, zegswijze
Voorbeeld:
(noun) provincie, buiten de hoofdstad, gebied
Voorbeeld:
(noun) concept, ontwerp, tocht;
(verb) opstellen, ontwerpen, selecteren
Voorbeeld:
(noun) spel, sport, wild;
(verb) manipuleren, bedriegen;
(adjective) bereid, enthousiast
Voorbeeld:
(noun) tenor, strekking, inhoud
Voorbeeld:
(noun) golf, kloof, afgrond
Voorbeeld:
(noun) vermeerdering, voortplanting, verspreiding
Voorbeeld:
(verb) tekenen, trekken, aantrekken;
(noun) gelijkspel, trek, aantrekkingskracht
Voorbeeld:
(noun) carrousel, draaimolen, bagagecarrousel
Voorbeeld:
(noun) kam, kuif, golfkam;
(verb) de top bereiken, oversteken
Voorbeeld:
(adjective) acuut, scherpzinnig, ernstig
Voorbeeld:
(adjective) pastoraal, landelijk, kerkelijk;
(noun) pastorale, herdersdicht
Voorbeeld:
(adjective) intiem, vertrouwelijk, privé;
(verb) doorschemeren, aangeven
Voorbeeld:
(adjective) fijn, uitstekend, goed;
(noun) boete, geldstraf;
(verb) beboeten, een boete opleggen;
(adverb) prima, goed
Voorbeeld: