Avatar of Vocabulary Set B1 - Letter S

Vocabulaireverzameling B1 - Letter S in Oxford 3000 - B1: Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'B1 - Letter S' in 'Oxford 3000 - B1' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

safety

/ˈseɪf.ti/

(noun) veiligheid, beveiliging

Voorbeeld:

The children's safety is our top priority.
De veiligheid van de kinderen is onze topprioriteit.

sail

/seɪl/

(noun) zeil;

(verb) zeilen, varen, zweven

Voorbeeld:

The ship hoisted its sails and departed.
Het schip hees zijn zeilen en vertrok.

sailor

/ˈseɪ.lɚ/

(noun) zeeman, matroos

Voorbeeld:

The old sailor told tales of his voyages across the sea.
De oude zeeman vertelde verhalen over zijn reizen over zee.

sample

/ˈsæm.pəl/

(noun) monster, voorbeeld;

(verb) bemonsteren, proeven

Voorbeeld:

Please provide a sample of your work.
Gelieve een voorbeeld van uw werk te geven.

sand

/sænd/

(noun) zand;

(verb) schuren, gladschuren

Voorbeeld:

The children played in the sand on the beach.
De kinderen speelden in het zand op het strand.

scan

/skæn/

(verb) scannen, vluchtig bekijken, digitaliseren;

(noun) scan, aftasting, beeld

Voorbeeld:

She scanned the newspaper headlines.
Ze scande de krantenkoppen.

scientific

/ˌsaɪ.ənˈtɪf.ɪk/

(adjective) wetenschappelijk

Voorbeeld:

The researchers conducted a scientific study on climate change.
De onderzoekers voerden een wetenschappelijke studie uit naar klimaatverandering.

script

/skrɪpt/

(noun) script, scenario, schrift;

(verb) schrijven, scenario schrijven

Voorbeeld:

The actors are rehearsing the new script.
De acteurs repeteren het nieuwe script.

sculpture

/ˈskʌlp.tʃɚ/

(noun) beeldhouwkunst, sculptuur, beeldhouwwerk;

(verb) beeldhouwen, sculpteren

Voorbeeld:

He studied sculpture at art school.
Hij studeerde beeldhouwkunst aan de kunstacademie.

secondary

/ˈsek.ən.der.i/

(adjective) secundair, ondergeschikt, middelbaar

Voorbeeld:

The primary goal is to finish the project; everything else is secondary.
Het primaire doel is het project af te maken; al het andere is secundair.

security

/səˈkjʊr.ə.t̬i/

(noun) veiligheid, beveiliging, bewaking

Voorbeeld:

The new alarm system provides enhanced security for the building.
Het nieuwe alarmsysteem biedt verbeterde beveiliging voor het gebouw.

seed

/siːd/

(noun) zaad, pit, kiem;

(verb) zaaien, inzaaien, ontpitten

Voorbeeld:

Plant the seed in fertile soil.
Plant het zaad in vruchtbare grond.

sensible

/ˈsen.sə.bəl/

(adjective) verstandig, redelijk, zinnig

Voorbeeld:

It was a sensible decision to save money for the future.
Het was een verstandig besluit om geld te sparen voor de toekomst.

separate

/ˈsep.ɚ.ət/

(verb) scheiden, afzonderen, uit elkaar gaan;

(adjective) gescheiden, apart

Voorbeeld:

The fence separates the two properties.
Het hek scheidt de twee eigendommen.

seriously

/ˈsɪr.i.əs.li/

(adverb) serieus, ernstig, aanzienlijk;

(interjection) serieus, echt

Voorbeeld:

Are you seriously considering that offer?
Overweeg je dat aanbod serieus?

servant

/ˈsɝː.vənt/

(noun) bediende, dienaar, dienstmeisje

Voorbeeld:

The wealthy family had many servants to manage their large estate.
De rijke familie had veel bedienden om hun grote landgoed te beheren.

set

/set/

(verb) zetten, leggen, plaatsen;

(noun) set, reeks, stand;

(adjective) vastgesteld, vast

Voorbeeld:

She set the book on the table.
Ze zette het boek op tafel.

setting

/ˈset̬.ɪŋ/

(noun) setting, omgeving, decor

Voorbeeld:

The movie's setting was a remote island.
De setting van de film was een afgelegen eiland.

sex

/seks/

(noun) geslacht, seks, geslachtsgemeenschap;

(verb) geslachtsbepalen

Voorbeeld:

What sex is your baby?
Welk geslacht is je baby?

sexual

/ˈsek.ʃu.əl/

(adjective) seksueel, geslachtelijk, erotisch

Voorbeeld:

Humans reproduce through sexual reproduction.
Mensen planten zich voort via seksuele voortplanting.

shake

/ʃeɪk/

(verb) schudden, trillen, schokken;

(noun) schudden, trilling

Voorbeeld:

He began to shake the bottle to mix the contents.
Hij begon de fles te schudden om de inhoud te mengen.

share

/ʃer/

(noun) deel, aandeel;

(verb) delen, meedelen

Voorbeeld:

Everyone received an equal share of the profits.
Iedereen ontving een gelijk deel van de winst.

sharp

/ʃɑːrp/

(adjective) scherp, intens, intelligent;

(adverb) stipt, scherp;

(noun) kruis

Voorbeeld:

Be careful, that knife is very sharp.
Wees voorzichtig, dat mes is erg scherp.

shelf

/ʃelf/

(noun) plank, schap, richel

Voorbeeld:

She placed the book on the top shelf.
Ze legde het boek op de bovenste plank.

shell

/ʃel/

(noun) schaal, dop, schelp;

(verb) pellen, doppen, bombarderen

Voorbeeld:

She cracked the nut shell to get to the kernel.
Ze kraakte de noot dop om bij de pit te komen.

shift

/ʃɪft/

(noun) verschuiving, verandering, dienst;

(verb) verschuiven, verplaatsen, schakelen

Voorbeeld:

There has been a significant shift in public opinion.
Er is een aanzienlijke verschuiving in de publieke opinie geweest.

shine

/ʃaɪn/

(verb) schijnen, glanzen, stralen;

(noun) glans, schittering

Voorbeeld:

The sun began to shine brightly.
De zon begon fel te schijnen.

shiny

/ˈʃaɪ.ni/

(adjective) glanzend, blinkend

Voorbeeld:

The car was polished to a shiny finish.
De auto was gepolijst tot een glanzende afwerking.

shoot

/ʃuːt/

(verb) schieten, neerschieten, snellen;

(noun) schot, scheut, spruit;

(exclamation) verdorie, zeg op

Voorbeeld:

The police officer had to shoot the armed suspect.
De politieagent moest de gewapende verdachte neerschieten.

shy

/ʃaɪ/

(adjective) verlegen, schuw, teruggetrokken;

(verb) gooien, werpen, schrikken;

(noun) schrikbeweging, terugdeinzen

Voorbeeld:

She was too shy to ask him to dance.
Ze was te verlegen om hem ten dans te vragen.

sight

/saɪt/

(noun) zicht, gezichtsvermogen, gezicht;

(verb) zien, waarnemen

Voorbeeld:

He lost his sight in the accident.
Hij verloor zijn zicht bij het ongeluk.

signal

/ˈsɪɡ.nəl/

(noun) signaal, teken, golf;

(verb) seinen, een teken geven

Voorbeeld:

He gave a signal to the driver to stop.
Hij gaf een signaal aan de chauffeur om te stoppen.

silent

/ˈsaɪ.lənt/

(adjective) stil, zwijgend, stilzwijgend

Voorbeeld:

The house was completely silent.
Het huis was volledig stil.

silly

/ˈsɪl.i/

(adjective) gek, dom, onnozel

Voorbeeld:

Don't be silly, of course I love you.
Doe niet gek, natuurlijk hou ik van je.

similarity

/ˌsɪm.əˈler.ə.t̬i/

(noun) gelijkenis, overeenkomst

Voorbeeld:

There is a strong similarity between the two paintings.
Er is een sterke gelijkenis tussen de twee schilderijen.

similarly

/ˈsɪm.ə.lɚ.li/

(adverb) op vergelijkbare wijze, evenzo, eveneens

Voorbeeld:

The two cases were handled similarly.
De twee gevallen werden op vergelijkbare wijze behandeld.

simply

/ˈsɪm.pli/

(adverb) eenvoudig, simpelweg, gewoon

Voorbeeld:

She dressed simply for the casual event.
Ze kleedde zich eenvoudig voor het informele evenement.

since

/sɪns/

(preposition) sinds;

(conjunction) sinds, aangezien, omdat;

(adverb) sindsdien

Voorbeeld:

I haven't seen her since last year.
Ik heb haar sinds vorig jaar niet gezien.

sink

/sɪŋk/

(verb) zinken, dalen, laten zinken;

(noun) gootsteen, wastafel

Voorbeeld:

The ship began to sink after hitting the iceberg.
Het schip begon te zinken na het raken van de ijsberg.

slice

/slaɪs/

(noun) plak, schijf, deel;

(verb) snijden, schijven, slicen

Voorbeeld:

Can I have a slice of cake?
Mag ik een plak cake?

slightly

/ˈslaɪt.li/

(adverb) lichtjes, een beetje, iets

Voorbeeld:

She was slightly taller than her brother.
Ze was iets langer dan haar broer.

slow

/sloʊ/

(adjective) langzaam, traag, dom;

(adverb) langzaam;

(verb) vertragen, afremmen

Voorbeeld:

The car was going too slow.
De auto ging te langzaam.

smart

/smɑːrt/

(adjective) slim, intelligent, netjes;

(verb) pijn doen, prikken

Voorbeeld:

She's a very smart student and always gets good grades.
Ze is een heel slimme student en haalt altijd goede cijfers.

smooth

/smuːð/

(adjective) glad, egaal, soepel;

(verb) gladstrijken, egaliseren, verzachten;

(adverb) soepel, glad

Voorbeeld:

The stone was worn smooth by the river.
De steen was glad gesleten door de rivier.

software

/ˈsɑːft.wer/

(noun) software, programmatuur

Voorbeeld:

This computer needs new software to run the latest applications.
Deze computer heeft nieuwe software nodig om de nieuwste applicaties te draaien.

soil

/sɔɪl/

(noun) grond, aarde;

(verb) bevuilen, vervuilen

Voorbeeld:

The farmer prepared the soil for planting.
De boer bereidde de grond voor het planten voor.

solid

/ˈsɑː.lɪd/

(adjective) vast, massief, solide;

(noun) vaste stof, vaste delen;

(adverb) effen, stevig

Voorbeeld:

The ice was solid enough to walk on.
Het ijs was stevig genoeg om op te lopen.

sort

/sɔːrt/

(noun) soort, type;

(verb) sorteren, ordenen, oplossen

Voorbeeld:

What sort of music do you like?
Wat voor soort muziek vind je leuk?

southern

/ˈsʌð.ɚn/

(adjective) zuidelijk, Zuidelijk, van het zuiden

Voorbeeld:

The house has a large southern exposure.
Het huis heeft een grote zuidelijke ligging.

specifically

/spəˈsɪf.ɪ.kəl.i/

(adverb) specifiek, precies, uitdrukkelijk

Voorbeeld:

I asked him specifically not to touch my desk.
Ik vroeg hem specifiek om mijn bureau niet aan te raken.

spending

/ˈspen.dɪŋ/

(noun) uitgaven, besteding;

(verb) uitgeven, doorbrengen

Voorbeeld:

Government spending on education has increased.
De overheidsuitgaven aan onderwijs zijn toegenomen.

spicy

/ˈspaɪ.si/

(adjective) pittig, gekruid, pikant

Voorbeeld:

I love eating spicy food, especially curries.
Ik eet graag pittig eten, vooral curries.

spirit

/ˈspɪr.ət/

(noun) geest, ziel, sfeer;

(verb) wegvoeren, doen verdwijnen;

(adjective) levendig, energiek, moedig

Voorbeeld:

Her brave spirit never gave up.
Haar moedige geest gaf nooit op.

spoken

/ˈspoʊ.kən/

(adjective) gesproken, mondeling;

(past participle) gesproken

Voorbeeld:

The agreement was spoken, not written.
De overeenkomst was mondeling, niet schriftelijk.

spot

/spɑːt/

(noun) vlek, stip, plek;

(verb) zien, opmerken

Voorbeeld:

There's a grease spot on your shirt.
Er zit een vetvlek op je shirt.

spread

/spred/

(verb) verspreiden, uitbreiden, uitspreiden;

(noun) verspreiding, uitbreiding, broodbeleg

Voorbeeld:

The fire spread rapidly through the forest.
Het vuur verspreidde zich snel door het bos.

spring

/sprɪŋ/

(noun) lente, voorjaar, veer;

(verb) springen, veren, ontspringen

Voorbeeld:

Flowers bloom beautifully in spring.
Bloemen bloeien prachtig in de lente.

stadium

/ˈsteɪ.di.əm/

(noun) stadion

Voorbeeld:

The concert was held at the city's largest stadium.
Het concert werd gehouden in het grootste stadion van de stad.

staff

/stæf/

(noun) personeel, staf, stok;

(verb) bemannen, personeel leveren

Voorbeeld:

The hospital staff worked tirelessly during the pandemic.
Het ziekenhuispersoneel werkte onvermoeibaar tijdens de pandemie.

standard

/ˈstæn.dɚd/

(noun) standaard, niveau, vaandel;

(adjective) standaard, normaal

Voorbeeld:

The hotel maintains a high standard of service.
Het hotel handhaaft een hoge standaard van service.

state

/steɪt/

(noun) staat, toestand;

(verb) verklaren, stellen

Voorbeeld:

The United States is a large country.
De Verenigde Staten is een groot land.

statistic

/stəˈtɪs.tɪk/

(noun) statistiek, gegeven

Voorbeeld:

The latest statistics show a rise in unemployment.
De nieuwste statistieken tonen een stijging van de werkloosheid.

statue

/ˈstætʃ.uː/

(noun) standbeeld, beeld

Voorbeeld:

The city square is dominated by a large bronze statue.
Het stadsplein wordt gedomineerd door een groot bronzen standbeeld.

stick

/stɪk/

(noun) stok, tak, lat;

(verb) plakken, kleven, steken

Voorbeeld:

He picked up a stick from the ground.
Hij raapte een stok van de grond op.

still

/stɪl/

(adverb) nog steeds, nog, toch;

(adjective) stil, onbeweeglijk;

(noun) stilstaand beeld, foto;

(verb) kalmeren, tot rust brengen

Voorbeeld:

It's still raining outside.
Het regent nog steeds buiten.

store

/stɔːr/

(noun) winkel, zaak, voorraad;

(verb) opslaan, bewaren

Voorbeeld:

I need to go to the grocery store to buy some milk.
Ik moet naar de supermarkt om melk te kopen.

stranger

/ˈstreɪn.dʒɚ/

(noun) vreemdeling, onbekende

Voorbeeld:

Don't talk to strangers.
Praat niet met vreemden.

strength

/streŋθ/

(noun) kracht, sterkte, weerstand

Voorbeeld:

He lifted the heavy box with surprising strength.
Hij tilde de zware doos op met verrassende kracht.

string

/strɪŋ/

(noun) touw, draad, snaar;

(verb) rijgen, ophangen, spannen

Voorbeeld:

Tie the package with a piece of string.
Bind het pakket vast met een stuk touw.

strongly

/ˈstrɑːŋ.li/

(adverb) krachtig, sterk, nadrukkelijk

Voorbeeld:

He hit the ball strongly.
Hij sloeg de bal krachtig.

studio

/ˈstuː.di.oʊ/

(noun) studio, atelier, productiebedrijf

Voorbeeld:

The artist spent hours in her studio, painting her masterpiece.
De kunstenaar bracht uren door in haar atelier, schilderend aan haar meesterwerk.

stuff

/stʌf/

(noun) spullen, dingen, materiaal;

(verb) proppen, vullen, opvullen

Voorbeeld:

I need to pack all my stuff before I move.
Ik moet al mijn spullen inpakken voordat ik verhuis.

substance

/ˈsʌb.stəns/

(noun) stof, substantie, materie

Voorbeeld:

Water is a common substance.
Water is een veelvoorkomende stof.

successfully

/səkˈses.fəl.i/

(adverb) succesvol, met succes

Voorbeeld:

She successfully completed the challenging project.
Ze heeft het uitdagende project succesvol afgerond.

sudden

/ˈsʌd.ən/

(adjective) plotseling, abrupt

Voorbeeld:

There was a sudden change in the weather.
Er was een plotselinge weersverandering.

suffer

/ˈsʌf.ɚ/

(verb) lijden, ondergaan, lijden aan

Voorbeeld:

He suffered a heart attack.
Hij leed aan een hartaanval.

suit

/suːt/

(noun) pak, kostuum, rechtszaak;

(verb) passen, schikken, staan

Voorbeeld:

He wore a dark blue suit to the interview.
Hij droeg een donkerblauw pak naar het interview.

suitable

/ˈsuː.t̬ə.bəl/

(adjective) geschikt, passend

Voorbeeld:

This dress is not suitable for a formal event.
Deze jurk is niet geschikt voor een formeel evenement.

summarize

/ˈsʌm.ə.raɪz/

(verb) samenvatten, resumeren

Voorbeeld:

He summarized the key findings of the report.
Hij vatte de belangrijkste bevindingen van het rapport samen.

summary

/ˈsʌm.ɚ.i/

(noun) samenvatting, resumé

Voorbeeld:

Please provide a summary of the meeting.
Gelieve een samenvatting van de vergadering te geven.

supply

/səˈplaɪ/

(noun) voorraad, levering;

(verb) leveren, voorzien

Voorbeeld:

The emergency services have a good supply of blood.
De hulpdiensten hebben een goede voorraad bloed.

supporter

/səˈpɔːr.t̬ɚ/

(noun) aanhanger, supporter, voorstander

Voorbeeld:

She is a strong supporter of environmental protection.
Zij is een sterke aanhanger van milieubescherming.

surely

/ˈʃʊr.li/

(adverb) vast, zeker, ongetwijfeld

Voorbeeld:

You're not leaving already, are you? It's surely too early.
Je gaat toch niet nu al weg? Het is vast te vroeg.

surface

/ˈsɝː-/

(noun) oppervlak, buitenkant, uiterlijk;

(verb) boven water komen, opduiken, asfalteren

Voorbeeld:

The surface of the table was smooth.
Het oppervlak van de tafel was glad.

survive

/sɚˈvaɪv/

(verb) overleven, voortbestaan, bewaard blijven

Voorbeeld:

Only the strongest will survive the harsh winter.
Alleen de sterksten zullen de strenge winter overleven.

swim

/swɪm/

(verb) zwemmen, duizelen, draaien;

(noun) zwempartij, zwem

Voorbeeld:

I love to swim in the ocean.
Ik hou ervan om in de oceaan te zwemmen.

switch

/swɪtʃ/

(noun) schakelaar, verandering, overstap;

(verb) omschakelen, wisselen, aan-/uitzetten

Voorbeeld:

Flip the switch to turn on the light.
Zet de schakelaar om om het licht aan te doen.

symptom

/ˈsɪmp.təm/

(noun) symptoom, ziekteverschijnsel, teken

Voorbeeld:

Fever is a common symptom of the flu.
Koorts is een veelvoorkomend symptoom van griep.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland