Vocabulaireverzameling B1 - Letter C in Oxford 3000 - B1: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling 'B1 - Letter C' in 'Oxford 3000 - B1' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren(adjective) kalm, rustig, windstil;
(verb) kalmeren, tot rust brengen;
(noun) kalmte, rust
Voorbeeld:
(noun) campagne, militaire operatie, actie;
(verb) campagne voeren, actie voeren
Voorbeeld:
(noun) campus, universiteitsterrein
Voorbeeld:
(noun) kandidaat, examinandus
Voorbeeld:
(noun) pet, muts, dop;
(verb) dichten, afsluiten, maximeren
Voorbeeld:
(noun) kapitein, gezagvoerder, aanvoerder;
(verb) aanvoeren, leiden
Voorbeeld:
(adjective) onvoorzichtig, onachtzaam, nalatig
Voorbeeld:
(noun) categorie, klasse
Voorbeeld:
(noun) plafond, limiet
Voorbeeld:
(noun) viering, feest, plechtigheid
Voorbeeld:
(adjective) centraal, midden, essentieel
Voorbeeld:
(noun) midden, centrum, complex;
(verb) centreren, in het midden plaatsen
Voorbeeld:
(noun) ceremonie, plechtigheid, formaliteit
Voorbeeld:
(noun) ketting, keten;
(verb) ketenen, vastketenen
Voorbeeld:
(noun) uitdaging, uitnodiging tot strijd, moeilijkheid;
(verb) uitdagen, betwisten, in twijfel trekken
Voorbeeld:
(noun) kampioen, winnaar, voorvechter;
(verb) verdedigen, pleiten voor
Voorbeeld:
(noun) kanaal, waterweg, richting;
(verb) kanaliseren, leiden, uitdrukken
Voorbeeld:
(noun) hoofdstuk, afdeling, tak
Voorbeeld:
(verb) aanrekenen, in rekening brengen, aanklagen;
(noun) kosten, vergoeding, aanklacht
Voorbeeld:
(adjective) goedkoop, prullerig, gierig;
(adverb) goedkoop, voordelig
Voorbeeld:
(verb) valsspelen, bedriegen, vreemdgaan;
(noun) valsspeler, bedrieger
Voorbeeld:
(adjective) opgewekt, vrolijk, blij
Voorbeeld:
(noun) chemische stof, chemisch product;
(adjective) chemisch
Voorbeeld:
(noun) borst, kist, koffer
Voorbeeld:
(noun) kindertijd
Voorbeeld:
(verb) beweren, aanspraak maken op, opeisen;
(noun) bewering, claim, aanspraak
Voorbeeld:
(noun) zin, deelzin, clausule
Voorbeeld:
(adjective) duidelijk, helder, doorzichtig;
(verb) ruimen, vrijmaken, klaren;
(adverb) helemaal, volledig
Voorbeeld:
(noun) klik;
(verb) klikken, duidelijk worden
Voorbeeld:
(noun) cliënt, klant, client
Voorbeeld:
(verb) klimmen, stijgen, moeizaam klimmen;
(noun) klim, beklimming
Voorbeeld:
(verb) sluiten, dichtdoen, afsluiten;
(adjective) dichtbij, nabij, nauwkeurig;
(adverb) dichtbij, nabij
Voorbeeld:
(noun) doek, stof
Voorbeeld:
(noun) aanwijzing, spoor, idee;
(verb) inlichten, koppelen
Voorbeeld:
(noun) coach, trainer, bus;
(verb) coachen, trainen
Voorbeeld:
(noun) kolen, steenkool, gloeiende kool
Voorbeeld:
(noun) munt;
(verb) bedenken, creëren, slaan
Voorbeeld:
(noun) verzameling, collectie, inzameling
Voorbeeld:
(adjective) gekleurd
Voorbeeld:
(verb) combineren, verenigen, samenvoegen;
(noun) maaidorser, combine
Voorbeeld:
(noun) opmerking, commentaar;
(verb) commentaar geven, opmerken
Voorbeeld:
(adjective) commercieel, handels-, winstgevend;
(noun) reclamespot, commercial
Voorbeeld:
(verb) plegen, begaan, verbinden
Voorbeeld:
(noun) communicatie, uitwisseling, mededeling
Voorbeeld:
(noun) vergelijking, vergelijkbaarheid, gelijkwaardigheid
Voorbeeld:
(noun) concurrent, deelnemer
Voorbeeld:
(adjective) competitief, concurrerend, strijdlustig
Voorbeeld:
(noun) klacht, bezwaar, reden tot klagen
Voorbeeld:
(adjective) complex, ingewikkeld, moeilijk te begrijpen;
(noun) complex, gebouwencomplex, minderwaardigheidscomplex
Voorbeeld:
(verb) concentreren, zich richten op, indikken;
(noun) concentraat, geconcentreerd product
Voorbeeld:
(verb) beëindigen, afsluiten, concluderen
Voorbeeld:
(noun) conclusie, einde, afsluiting
Voorbeeld:
(adjective) zelfverzekerd, zeker, overtuigd
Voorbeeld:
(verb) bevestigen, vaststellen, versterken
Voorbeeld:
(verb) verwarren, in de war brengen, verwisselen
Voorbeeld:
(adjective) verward, in de war, ongeordend
Voorbeeld:
(noun) verband, connectie, aansluiting
Voorbeeld:
(noun) gevolg, consequentie, belang
Voorbeeld:
(verb) bestaan uit, zich samenstellen uit, liggen in
Voorbeeld:
(verb) consumeren, eten, drinken
Voorbeeld:
(noun) consument, consument (biologie)
Voorbeeld:
(noun) contact, aanraking, contactpersoon;
(verb) contact opnemen met, bereiken, aanraken
Voorbeeld:
(noun) container, bak, vat
Voorbeeld:
(noun) inhoud, gehalte;
(adjective) tevreden, voldaan;
(verb) tevredenstellen, voldoen
Voorbeeld:
(adjective) continu, ononderbroken
Voorbeeld:
(noun) contrast, tegenstelling;
(verb) contrasteren, tegenover elkaar stellen
Voorbeeld:
(adjective) handig, gemakkelijk, gebruiksvriendelijk
Voorbeeld:
(verb) overtuigen
Voorbeeld:
(adjective) koel, cool, gaaf;
(verb) koelen, afkoelen;
(noun) koelte
Voorbeeld:
(noun) kostuum, vermomming, klederdracht;
(verb) verkleden, kostumeren
Voorbeeld:
(noun) huisje, cottage
Voorbeeld:
(noun) katoen;
(verb) goed opschieten met, mogen
Voorbeeld:
(verb) tellen, meetellen, inclusief zijn;
(noun) telling, aantal, aanklacht
Voorbeeld:
(noun) platteland
Voorbeeld:
(noun) rechtbank, gerechtshof, baan;
(verb) versieren, winnen
Voorbeeld:
(verb) bedekken, afdekken, behandelen;
(noun) deksel, omslag, cover
Voorbeeld:
(adjective) bedekt, overdekt, gedekt;
(past participle) bedekte, dekte
Voorbeeld:
(noun) room, slagroom, crème;
(verb) kloppen, purere;
(adjective) crèmekleurig, roomkleurig
Voorbeeld:
(noun) crimineel, misdadiger;
(adjective) crimineel, strafrechtelijk
Voorbeeld:
(adjective) wreed, meedogenloos, pijnlijk
Voorbeeld:
(adjective) cultureel, artistiek
Voorbeeld:
(noun) valuta, munteenheid, geldigheid
Voorbeeld:
(adjective) huidig, actueel;
(noun) stroom, stroming, elektrische stroom
Voorbeeld:
(adverb) momenteel, thans
Voorbeeld:
(noun) gordijn, barrière, scherm;
(verb) voorzien van gordijnen, afschermen
Voorbeeld:
(noun) gewoonte, gebruik;
(adjective) op maat gemaakt, maatwerk
Voorbeeld:
(verb) snijden, knippen, hakken;
(noun) snede, knippen, coupe;
(adjective) gesneden, geknipt
Voorbeeld: