Vocabulaireverzameling Bank in Veelvoorkomende woordenschat: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling 'Bank' in 'Veelvoorkomende woordenschat' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren(verb) met pensioen gaan, aftreden, zich terugtrekken
Voorbeeld:
(verb) ontslaan, wegsturen, afwijzen
Voorbeeld:
(noun) afdeling, departement, warenhuis
Voorbeeld:
(noun) sponsor, geldschieter, indiener;
(verb) sponsoren, financieren, ondersteunen
Voorbeeld:
(verb) benoemen, aanstellen, vaststellen
Voorbeeld:
(adjective) multinationaal, internationaal;
(noun) multinational, internationaal bedrijf
Voorbeeld:
(noun) investeerder
Voorbeeld:
(noun) paal, staak, inzet;
(verb) afbakenen, vastzetten, inzetten
Voorbeeld:
(verb) erven, overerven, overnemen
Voorbeeld:
(noun) accountant, boekhouder
Voorbeeld:
(verb) lenen, uitlenen, geven
Voorbeeld:
(verb) lenen, overnemen, ontlenen
Voorbeeld:
(noun) huur;
(verb) huren, verhuren
Voorbeeld:
(verb) verwerven, verkrijgen, aanschaffen
Voorbeeld:
(noun) distributie, verdeling, spreiding
Voorbeeld:
(verb) coördineren, afstemmen, matchen;
(noun) coördinaat, coördinaten;
(adjective) gelijkwaardig, coördinerend
Voorbeeld:
(noun) aankoop, koop, grip;
(verb) kopen, aanschaffen
Voorbeeld:
(noun) beurs, effectenbeurs
Voorbeeld:
(noun) aandelenmarkt, beurs
Voorbeeld:
(noun) afgestudeerde, gediplomeerde;
(verb) afstuderen, diploma behalen, doorstromen
Voorbeeld:
(noun) kans, gelegenheid
Voorbeeld:
(noun) uitdaging, uitnodiging tot strijd, moeilijkheid;
(verb) uitdagen, betwisten, in twijfel trekken
Voorbeeld:
(noun) carrière, loopbaan;
(verb) razen, stormen
Voorbeeld:
(noun) handel, commercie
Voorbeeld:
(adjective) duur, kostbaar, nadelig
Voorbeeld:
(noun) pionier, voorloper;
(verb) pionieren, vooroplopen
Voorbeeld:
(adverb) in het buitenland, naar het buitenland, overal
Voorbeeld:
(noun) fortuin, rijkdom, geluk
Voorbeeld:
(noun) eigendom, bezit, pand
Voorbeeld:
(noun) geldautomaat, pinautomaat
Voorbeeld:
(noun) creditcard
Voorbeeld:
(noun) betaalpas, debetkaart
Voorbeeld:
(noun) huurovereenkomst, pacht;
(verb) verhuren, leasen
Voorbeeld:
(noun) korting, reductie;
(verb) korting geven, afprijzen, negeren
Voorbeeld:
(noun) onderzoek, enquête, overzicht;
(verb) overzien, inspecteren, bekijken
Voorbeeld:
(noun) bezit, eigendom, spullen
Voorbeeld:
(noun) gelijkheid, gelijkwaardigheid
Voorbeeld:
(noun) armoede, gebrek, schaarste
Voorbeeld:
(verb) aanrekenen, in rekening brengen, aanklagen;
(noun) kosten, vergoeding, aanklacht
Voorbeeld:
(verb) emotie tonen, gevoelens uiten
Voorbeeld:
(verb) uitbesteden
Voorbeeld:
(verb) verlenen, toestaan, toestemmen;
(noun) subsidie, toelage
Voorbeeld:
(noun) magazijn, opslagplaats;
(verb) opslaan, magazineren
Voorbeeld:
(adjective) intern, in-house;
(adverb) intern, in-house
Voorbeeld:
(noun) diversiteit, verscheidenheid
Voorbeeld:
(adjective) potentieel, mogelijke;
(noun) potentieel, mogelijkheden
Voorbeeld:
(noun) campagne, militaire operatie, actie;
(verb) campagne voeren, actie voeren
Voorbeeld:
(noun) onzekerheid, angst, onveiligheid
Voorbeeld:
(noun) compensatie, schadevergoeding, salaris
Voorbeeld:
(adjective) formeel, officieel, gestructureerd
Voorbeeld:
(verb) aantonen, bewijzen, demonstreren
Voorbeeld:
(verb) plegen, begaan, verbinden
Voorbeeld:
(noun) uitgave, kosten, uitgaven
Voorbeeld:
(noun) reservering, boeking, bedenking
Voorbeeld:
(noun) factuur;
(verb) factureren
Voorbeeld:
(noun) omkoping, steekpenningen
Voorbeeld:
(adjective) corrupt, omkoopbaar, bedorven;
(verb) corrumperen, bederven, beschadigen
Voorbeeld:
(noun) betalingsbalans
Voorbeeld:
(noun) handelsbalans
Voorbeeld:
(noun) begroting, budget, beschikbaar bedrag;
(verb) begroten, budgetteren;
(adjective) budget, goedkoop
Voorbeeld:
(noun) verwerving, aanleren, aanwinst
Voorbeeld:
(noun) reus, gigant, grootheid;
(adjective) gigantisch, enorm, reusachtig
Voorbeeld:
(noun) verkoopconferentie
Voorbeeld:
(noun) verkoopvertegenwoordiger, vertegenwoordiger
Voorbeeld:
(noun) retailbank, particulierenbank
Voorbeeld:
(noun) commerciële bank, handelsbank
Voorbeeld:
(noun) investeringsbank
Voorbeeld:
(noun) internetbankieren, online bankieren
Voorbeeld:
(verb) inzakken, neerzakken, daling;
(noun) inzinking, recessie;
(adjective) ingezakt, gedaald
Voorbeeld:
(noun) opleving, verbetering, opwaartse trend;
(verb) omhoog draaien, omkeren
Voorbeeld:
(noun) microfinanciering
Voorbeeld:
(verb) weerleggen, ontkrachten
Voorbeeld:
(noun) privébedrijf, besloten vennootschap
Voorbeeld:
(noun) besloten vennootschap, BV
Voorbeeld:
(noun) multinationale onderneming
Voorbeeld:
(noun) commanditaire vennootschap
Voorbeeld:
(noun) franchise, licentie, stemrecht;
(verb) franchisen, licentiëren, stemrecht verlenen
Voorbeeld:
(noun) bestemming
Voorbeeld:
(verb) aantrekken, boeien
Voorbeeld:
(noun) stimulans, prikkel, aansporing
Voorbeeld:
(noun) petitie, verzoekschrift;
(verb) verzoeken, een petitie indienen
Voorbeeld:
(verb) bijdragen, schenken, bijdragen aan
Voorbeeld:
(verb) prioriteren, voorrang geven aan
Voorbeeld:
(noun) infrastructuur
Voorbeeld:
(noun) onderdeel, component, element;
(adjective) component, onderdeel
Voorbeeld:
(noun) inkomsten, omzet
Voorbeeld:
(noun) interesse, aandacht, rente;
(verb) interesseren, boeien
Voorbeeld:
(verb) terugtrekken, intrekken, opnemen
Voorbeeld:
(noun) compensatie, tegenwicht;
(verb) compenseren, uitbalanceren
Voorbeeld:
(noun) penningmeester, schatbewaarder
Voorbeeld:
(noun) omzet, personeelsverloop, verloop
Voorbeeld:
(noun) inflatie, opblazing, zwelling
Voorbeeld:
(noun) overschot, surplus;
(adjective) overtollig, overbodig
Voorbeeld:
(noun) aansprakelijkheid, verantwoordelijkheid, last
Voorbeeld:
(noun) waardevermindering, afschrijving, valutadepreciatie
Voorbeeld:
(noun) vreemde valuta, buitenlandse valuta
Voorbeeld:
(noun) dumping, storten, afwijzing
Voorbeeld:
(noun) garantie, waarborg, zekerheid;
(verb) garanderen, waarborgen, zekerstellen
Voorbeeld:
(noun) verzekering, verzekeringswezen
Voorbeeld:
(noun) embargo, handelsverbod, publicatieverbod;
(verb) embargoën, verbieden
Voorbeeld:
(noun) omzetting, conversie, bekering
Voorbeeld:
(verb) overdragen, overbrengen, verplaatsen;
(noun) overdracht, overplaatsing, verplaatsing
Voorbeeld: