Vocabulaireverzameling Soorten Ingrediënten in Ingrediënten: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling 'Soorten Ingrediënten' in 'Ingrediënten' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren(noun) zuivelproducten
Voorbeeld:
(noun) specerij, kruiderij, saus
Voorbeeld:
(noun) kruid
Voorbeeld:
(noun) kruid, specerij, pit;
(verb) kruiden, op smaak brengen, opvrolijken
Voorbeeld:
(noun) zoetstof, lokkertje, bonus
Voorbeeld:
(noun) vet;
(adjective) dik, vet, groot
Voorbeeld:
(noun) alg, algen
Voorbeeld:
(noun) fruit, vrucht, resultaat;
(verb) vruchten dragen, fruit produceren
Voorbeeld:
(noun) groente, plant, vegetatieve toestand
Voorbeeld:
(noun) bloem, meel;
(verb) bestuiven met bloem, bebloemen
Voorbeeld:
(noun) graan, korrel, greintje;
(verb) granuleren, kristalliseren
Voorbeeld:
(noun) vlees, pit
Voorbeeld:
(noun) suiker, schatje, liefje;
(verb) suikeren, zoeten
Voorbeeld:
(noun) ei;
(verb) aanzetten, aanmoedigen
Voorbeeld:
(noun) zetmeel, stijfsel;
(verb) stijven
Voorbeeld:
(noun) gist
Voorbeeld:
(noun) vulling, opvulling
Voorbeeld:
(noun) gevogelte
Voorbeeld:
(noun) beslag, slagman;
(verb) beuken, rammen, beschadigen
Voorbeeld:
(noun) deeg, geld, poen
Voorbeeld:
(verb) extraheren, uittrekken, verwijderen;
(noun) extract, aftreksel, fragment
Voorbeeld:
(noun) bouillonblokje
Voorbeeld:
(noun) paneermeel, broodkruimels, navigatiepad
Voorbeeld:
(noun) custard, vla
Voorbeeld:
(noun) glazuur, glanslaag, glans;
(verb) glaceren, glazuren, glazig worden
Voorbeeld:
(noun) glazuur, suikerglazuur, glazuren
Voorbeeld:
(noun) vulling, plombe;
(adjective) vullend, verzadigend
Voorbeeld:
(noun) kruiden, specerijen, smaakmakers
Voorbeeld:
(noun) kauwgom, gom, tandvlees;
(verb) plakken, lijmen
Voorbeeld:
(noun) mincemeat, vruchtenvulling, gehakt
Voorbeeld:
(noun) kaas, lach, grijns;
(verb) lachen, grijnzen
Voorbeeld:
(noun) consommé, heldere bouillon
Voorbeeld:
(verb) garneren, versieren, beslag leggen op;
(noun) garnering, versiering
Voorbeeld:
(noun) voorraad, goederen, aandeel;
(verb) voorraad hebben, op voorraad houden;
(adjective) op voorraad, beschikbaar
Voorbeeld:
(noun) getextureerd plantaardig eiwit, soja-eiwit
Voorbeeld:
(noun) liaison, verbinding, samenwerking
Voorbeeld:
(noun) mirepoix, groentemengsel
Voorbeeld:
(verb) stampen, fijnstampen;
(noun) puree, stampot
Voorbeeld:
(noun) bouillon, bouillonblokje
Voorbeeld:
(noun) roux, bindmiddel
Voorbeeld:
(noun) topping, saus, garnering
Voorbeeld: