Avatar of Vocabulary Set A2 - Letter C

Vocabulaireverzameling A2 - Letter C in Oxford 3000 - A2: Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'A2 - Letter C' in 'Oxford 3000 - A2' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

camp

/kæmp/

(noun) kamp, fractie;

(verb) kamperen;

(adjective) overdreven, campy

Voorbeeld:

We set up camp near the river.
We sloegen kamp op bij de rivier.

camping

/ˈkæm.pɪŋ/

(noun) kamperen, camping

Voorbeeld:

We went camping in the mountains last summer.
We gingen afgelopen zomer kamperen in de bergen.

can

/kæn/

(modal verb) kunnen, mogelijk zijn, mogen;

(noun) blik, blikje;

(verb) inblikken, conserveren

Voorbeeld:

I can swim.
Ik kan zwemmen.

care

/ker/

(noun) zorg, verzorging, zorgvuldigheid;

(verb) zich bekommeren om, geven om, zorgen voor

Voorbeeld:

She provides excellent care for her elderly parents.
Zij biedt uitstekende zorg voor haar bejaarde ouders.

careful

/ˈker.fəl/

(adjective) voorzichtig, zorgvuldig, grondig

Voorbeeld:

Be careful when crossing the road.
Wees voorzichtig bij het oversteken van de weg.

carefully

/ˈker.fəl.i/

(adverb) voorzichtig, zorgvuldig, aandachtig

Voorbeeld:

She picked up the delicate vase carefully.
Ze pakte de delicate vaas voorzichtig op.

carpet

/ˈkɑːr.pət/

(noun) tapijt, vloerbedekking;

(verb) bekleden met tapijt, tapijten

Voorbeeld:

We bought a new carpet for the living room.
We kochten een nieuw tapijt voor de woonkamer.

cartoon

/kɑːrˈtuːn/

(noun) tekenfilm, cartoon, spotprent

Voorbeeld:

My kids love watching Saturday morning cartoons.
Mijn kinderen kijken graag naar zaterdagochtend tekenfilms.

case

/keɪs/

(noun) geval, koffer, doos;

(verb) verpakken, inpakken, observeren

Voorbeeld:

In this case, we need to act quickly.
In dit geval moeten we snel handelen.

cash

/kæʃ/

(noun) contant geld, cash;

(verb) innen, contant maken

Voorbeeld:

Do you have any cash on you?
Heb je contant geld bij je?

castle

/ˈkæs.əl/

(noun) kasteel, burcht, landhuis;

(verb) versterken, verbouwen tot kasteel

Voorbeeld:

The ancient castle stood majestically on the hill.
Het oude kasteel stond majestueus op de heuvel.

catch

/kætʃ/

(verb) vangen, grijpen, betrappen;

(noun) vangbal, vangspel, addertje onder het gras

Voorbeeld:

She managed to catch the ball with one hand.
Ze slaagde erin de bal met één hand te vangen.

cause

/kɑːz/

(noun) oorzaak, reden, zaak;

(verb) veroorzaken, teweegbrengen

Voorbeeld:

The heavy rain was the cause of the flood.
De zware regen was de oorzaak van de overstroming.

celebrate

/ˈsel.ə.breɪt/

(verb) vieren, prijzen, eren

Voorbeeld:

We're going to celebrate her birthday with a big party.
We gaan haar verjaardag vieren met een groot feest.

celebrity

/səˈleb.rə.t̬i/

(noun) beroemdheid, ster, faam

Voorbeeld:

The red carpet was filled with Hollywood celebrities.
De rode loper was gevuld met Hollywood beroemdheden.

certain

/ˈsɝː.tən/

(adjective) zeker, vaststaand, bepaald

Voorbeeld:

It's certain that he will win the election.
Het is zeker dat hij de verkiezingen zal winnen.

certainly

/ˈsɝː.tən.li/

(adverb) zeker, beslist, uiteraard

Voorbeeld:

I will certainly be there on time.
Ik zal er zeker op tijd zijn.

chance

/tʃæns/

(noun) kans, mogelijkheid, gelegenheid;

(verb) toevallig gebeuren, gebeuren bij toeval, riskeren

Voorbeeld:

There's a good chance of rain tomorrow.
Er is een goede kans op regen morgen.

character

/ˈker.ək.tɚ/

(noun) karakter, aard, personage

Voorbeeld:

He has a strong character.
Hij heeft een sterk karakter.

charity

/ˈtʃer.ə.t̬i/

(noun) liefdadigheid, goede doelen, liefdadigheidsinstelling

Voorbeeld:

He donated a large sum to charity.
Hij doneerde een groot bedrag aan liefdadigheid.

chat

/tʃæt/

(verb) praten, kletsen;

(noun) praatje, babbel

Voorbeeld:

We spent hours chatting about everything.
We hebben urenlang over alles gepraat.

check

/tʃek/

(verb) controleren, nakijken, stoppen;

(noun) controle, stop, ruit

Voorbeeld:

Please check your answers carefully.
Controleer uw antwoorden zorgvuldig.

chef

/ʃef/

(noun) chef-kok, kok

Voorbeeld:

The chef prepared a delicious meal for us.
De chef-kok bereidde een heerlijke maaltijd voor ons.

chemistry

/ˈkem.ə.stri/

(noun) scheikunde, chemie, klik

Voorbeeld:

She is studying chemistry at university.
Ze studeert scheikunde aan de universiteit.

chip

/tʃɪp/

(noun) splinter, stukje, afgebroken stuk;

(verb) afbreken, afbladderen

Voorbeeld:

There's a chip in the teacup.
Er zit een chip in het theekopje.

choice

/tʃɔɪs/

(noun) keuze, beste keuze, topkwaliteit;

(adjective) uitstekend, top

Voorbeeld:

You have a choice between coffee and tea.
Je hebt een keuze tussen koffie en thee.

church

/tʃɝːtʃ/

(noun) kerk, Kerk, christendom

Voorbeeld:

They go to church every Sunday.
Ze gaan elke zondag naar de kerk.

cigarette

/ˈsɪɡ.ə.ret/

(noun) sigaret

Voorbeeld:

He lit a cigarette and took a deep drag.
Hij stak een sigaret op en nam een diepe trek.

circle

/ˈsɝː.kəl/

(noun) cirkel, kring, groep;

(verb) cirkelen, rondgaan, omcirkelen

Voorbeeld:

Draw a circle on the paper.
Teken een cirkel op het papier.

classical

/ˈklæs.ɪ.kəl/

(adjective) klassiek, typisch

Voorbeeld:

She studied classical literature at university.
Ze studeerde klassieke literatuur aan de universiteit.

clear

/klɪr/

(adjective) duidelijk, helder, doorzichtig;

(verb) ruimen, vrijmaken, klaren;

(adverb) helemaal, volledig

Voorbeeld:

The instructions were very clear.
De instructies waren erg duidelijk.

clearly

/ˈklɪr.li/

(adverb) duidelijk, helder, klaarblijkelijk

Voorbeeld:

She spoke clearly so everyone could hear.
Ze sprak duidelijk zodat iedereen het kon horen.

clever

/ˈklev.ɚ/

(adjective) slim, knap, handig

Voorbeeld:

She's a very clever student and always gets good grades.
Ze is een heel slimme student en haalt altijd goede cijfers.

climate

/ˈklaɪ.mət/

(noun) klimaat, sfeer

Voorbeeld:

The desert has a hot, dry climate.
De woestijn heeft een heet, droog klimaat.

close

/kloʊz/

(verb) sluiten, dichtdoen, afsluiten;

(adjective) dichtbij, nabij, nauwkeurig;

(adverb) dichtbij, nabij

Voorbeeld:

Please close the door when you leave.
Gelieve de deur te sluiten wanneer u vertrekt.

closed

/kloʊzd/

(adjective) gesloten, dicht, afgesloten;

(past participle) gesloten, afgesloten

Voorbeeld:

The door was closed.
De deur was gesloten.

clothing

/ˈkloʊ.ðɪŋ/

(noun) kleding, kledij

Voorbeeld:

She bought new clothing for her trip.
Ze kocht nieuwe kleding voor haar reis.

cloud

/klaʊd/

(noun) wolk, schaduw, probleem;

(verb) vertroebelen, verduisteren

Voorbeeld:

The sky was filled with white, fluffy clouds.
De lucht was gevuld met witte, pluizige wolken.

coach

/koʊtʃ/

(noun) coach, trainer, bus;

(verb) coachen, trainen

Voorbeeld:

The football coach motivated his team.
De voetbalcoach motiveerde zijn team.

coast

/koʊst/

(noun) kust, oever;

(verb) uitrollen, glijden, gemakkelijk afhandelen

Voorbeeld:

We spent our vacation on the beautiful coast of California.
We brachten onze vakantie door aan de prachtige kust van Californië.

code

/koʊd/

(noun) code, geheimschrift, reglement;

(verb) coderen, versleutelen, programmeren

Voorbeeld:

The message was written in code.
Het bericht was in code geschreven.

colleague

/ˈkɑː.liːɡ/

(noun) collega

Voorbeeld:

My colleague helped me with the presentation.
Mijn collega hielp me met de presentatie.

collect

/kəˈlekt/

(verb) verzamelen, ophalen, afhalen;

(noun) collectegebed, collect

Voorbeeld:

She likes to collect stamps from different countries.
Ze houdt ervan om postzegels uit verschillende landen te verzamelen.

column

/ˈkɑː.ləm/

(noun) kolom, zuil, pilaar

Voorbeeld:

The data is organized into three columns.
De gegevens zijn georganiseerd in drie kolommen.

comedy

/ˈkɑː.mə.di/

(noun) komedie, humor, grappig stuk

Voorbeeld:

The stand-up comedy show was hilarious.
De stand-up comedy show was hilarisch.

comfortable

/ˈkʌm.fɚ.t̬ə.bəl/

(adjective) comfortabel, gemakkelijk, op zijn gemak

Voorbeeld:

This chair is very comfortable.
Deze stoel is erg comfortabel.

comment

/ˈkɑː.ment/

(noun) opmerking, commentaar;

(verb) commentaar geven, opmerken

Voorbeeld:

She made a positive comment about his performance.
Ze maakte een positieve opmerking over zijn prestatie.

communicate

/kəˈmjuː.nə.keɪt/

(verb) communiceren, overbrengen, verspreiden

Voorbeeld:

They communicate primarily through email.
Ze communiceren voornamelijk via e-mail.

community

/kəˈmjuː.nə.t̬i/

(noun) gemeenschap, buurt, samenleving

Voorbeeld:

The local community organized a clean-up event.
De lokale gemeenschap organiseerde een opruimevenement.

compete

/kəmˈpiːt/

(verb) concurreren, wedijveren

Voorbeeld:

Athletes compete for gold medals.
Atleten concurreren om gouden medailles.

competition

/ˌkɑːm.pəˈtɪʃ.ən/

(noun) concurrentie, wedijver, wedstrijd

Voorbeeld:

There's fierce competition for jobs in the current market.
Er is felle concurrentie om banen op de huidige markt.

complain

/kəmˈpleɪn/

(verb) klagen, zeuren, mopperen

Voorbeeld:

Customers often complain about slow service.
Klanten klagen vaak over trage service.

completely

/kəmˈpliːt.li/

(adverb) volledig, helemaal

Voorbeeld:

The house was completely destroyed by the fire.
Het huis werd volledig verwoest door de brand.

condition

/kənˈdɪʃ.ən/

(noun) staat, conditie, voorwaarde;

(verb) conditioneren, trainen

Voorbeeld:

The car is in excellent condition.
De auto is in uitstekende staat.

conference

/ˈkɑːn.fɚ.əns/

(noun) conferentie, vergadering;

(verb) vergaderen, confereren

Voorbeeld:

The annual sales conference will be held next month.
De jaarlijkse verkoopconferentie wordt volgende maand gehouden.

connect

/kəˈnekt/

(verb) verbinden, aansluiten, verbinding maken

Voorbeeld:

Can you connect these two wires?
Kun je deze twee draden verbinden?

connected

/kəˈnek.tɪd/

(adjective) verbonden, gekoppeld, geaffilieerd

Voorbeeld:

The two rooms are connected by a short hallway.
De twee kamers zijn verbonden door een korte gang.

consider

/kənˈsɪd.ɚ/

(verb) overwegen, in overweging nemen, beschouwen

Voorbeeld:

You should consider all the options before deciding.
Je moet alle opties overwegen voordat je een beslissing neemt.

contain

/kənˈteɪn/

(verb) bevatten, inhouden, bedwingen

Voorbeeld:

The box contains old letters.
De doos bevat oude brieven.

context

/ˈkɑːn.tekst/

(noun) context, achtergrond

Voorbeeld:

It is important to consider the historical context of the document.
Het is belangrijk om de historische context van het document te overwegen.

continent

/ˈkɑːn.tən.ənt/

(noun) continent;

(adjective) continent, zelfbeheerst

Voorbeeld:

Asia is the largest continent by land area and population.
Azië is het grootste continent qua landoppervlak en bevolking.

continue

/kənˈtɪn.juː/

(verb) doorgaan, voortzetten, hervatten

Voorbeeld:

He decided to continue his studies abroad.
Hij besloot zijn studies in het buitenland te voortzetten.

control

/kənˈtroʊl/

(noun) controle, beheersing, bediening;

(verb) controleren, beheersen, beperken

Voorbeeld:

She has excellent control over her emotions.
Ze heeft uitstekende controle over haar emoties.

cook

/kʊk/

(verb) koken, bereiden;

(noun) kok, chef-kok

Voorbeeld:

She loves to cook Italian food.
Ze houdt ervan om Italiaans eten te koken.

cooker

/ˈkʊk.ɚ/

(noun) fornuis, kooktoestel

Voorbeeld:

She bought a new electric cooker for her kitchen.
Ze kocht een nieuwe elektrische fornuis voor haar keuken.

copy

/ˈkɑː.pi/

(noun) kopie, afschrift, tekst;

(verb) kopiëren, namaken

Voorbeeld:

Please make a copy of this document.
Maak alstublieft een kopie van dit document.

corner

/ˈkɔːr.nɚ/

(noun) hoek, straathoek, benarde situatie;

(verb) in het nauw drijven, omsingelen, de bocht nemen

Voorbeeld:

The book fell behind the corner of the desk.
Het boek viel achter de hoek van het bureau.

correctly

/kəˈrekt.li/

(adverb) correct, juist

Voorbeeld:

Please spell my name correctly.
Spel mijn naam alstublieft correct.

count

/kaʊnt/

(verb) tellen, meetellen, inclusief zijn;

(noun) telling, aantal, aanklacht

Voorbeeld:

Can you count how many apples are in the basket?
Kun je tellen hoeveel appels er in de mand liggen?

couple

/ˈkʌp.əl/

(noun) paar, stel, enkele;

(verb) koppelen, verbinden

Voorbeeld:

A young couple walked hand in hand.
Een jong stel liep hand in hand.

cover

/ˈkʌv.ɚ/

(verb) bedekken, afdekken, behandelen;

(noun) deksel, omslag, cover

Voorbeeld:

She used a blanket to cover the sleeping child.
Ze gebruikte een deken om het slapende kind te bedekken.

crazy

/ˈkreɪ.zi/

(adjective) gek, waanzinnig, enthousiast

Voorbeeld:

The man was acting crazy, shouting at passersby.
De man gedroeg zich gek, schreeuwend naar voorbijgangers.

creative

/kriˈeɪ.t̬ɪv/

(adjective) creatief, scheppend

Voorbeeld:

She has a very creative mind.
Ze heeft een zeer creatieve geest.

credit

/ˈkred.ɪt/

(noun) krediet, credit, tegoed;

(verb) crediteren, bijschrijven, toeschrijven

Voorbeeld:

Can I buy this on credit?
Kan ik dit op krediet kopen?

crime

/kraɪm/

(noun) misdaad, criminaliteit, schande

Voorbeeld:

He was arrested for committing a serious crime.
Hij werd gearresteerd voor het plegen van een ernstige misdaad.

criminal

/ˈkrɪm.ə.nəl/

(noun) crimineel, misdadiger;

(adjective) crimineel, strafrechtelijk

Voorbeeld:

The police arrested the criminal after a long chase.
De politie arresteerde de crimineel na een lange achtervolging.

cross

/krɑːs/

(noun) kruis, kruising, hybride;

(verb) oversteken, doorkruisen, kruisen;

(adjective) boos, geïrriteerd

Voorbeeld:

Draw a cross on the map to mark the spot.
Teken een kruis op de kaart om de plek te markeren.

crowd

/kraʊd/

(noun) menigte, publiek, massa;

(verb) verdringen, samenpakken, volproppen

Voorbeeld:

A large crowd gathered to watch the parade.
Een grote menigte verzamelde zich om de parade te bekijken.

crowded

/ˈkraʊ.dɪd/

(adjective) druk, overvol

Voorbeeld:

The market was very crowded on Saturday.
De markt was erg druk op zaterdag.

cry

/kraɪ/

(verb) huilen, schreeuwen, roepen;

(noun) kreet, roep, huilbui

Voorbeeld:

The baby started to cry when he was hungry.
De baby begon te huilen toen hij honger had.

cupboard

/ˈkʌb.ɚd/

(noun) kast, opbergkast

Voorbeeld:

She put the dishes back in the cupboard.
Ze zette de afwas terug in de kast.

curly

/ˈkɝː.li/

(adjective) krullend

Voorbeeld:

She has beautiful curly hair.
Ze heeft prachtig krullend haar.

cycle

/ˈsaɪ.kəl/

(noun) cyclus, kringloop, fiets;

(verb) fietsen, cyclen, doorlopen

Voorbeeld:

The water cycle is essential for life on Earth.
De watercyclus is essentieel voor het leven op Aarde.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland