Vocabulaireverzameling A1 - Letter P in Oxford 3000 - A1: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling 'A1 - Letter P' in 'Oxford 3000 - A1' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren(noun) pagina, blad, page;
(verb) oproepen, piepen
Voorbeeld:
(noun) verf;
(verb) verven, schilderen
Voorbeeld:
(noun) schilderen, verven, schilderij
Voorbeeld:
(noun) paar, duo;
(verb) paren, combineren
Voorbeeld:
(noun) papier, krant, paper;
(verb) behangen
Voorbeeld:
(noun) alinea;
(verb) in alinea's indelen
Voorbeeld:
(noun) ouder, ouderdier, ouderplant;
(verb) opvoeden, ouderschap uitoefenen
Voorbeeld:
(noun) park, reservaat;
(verb) parkeren
Voorbeeld:
(noun) deel, stuk, rol;
(verb) scheiden, uiteengaan;
(adverb) deels, gedeeltelijk
Voorbeeld:
(noun) partner, vennoot, levensgezel;
(verb) partneren, samenwerken
Voorbeeld:
(noun) feest, partij, groep;
(verb) feesten, partij vieren
Voorbeeld:
(noun) paspoort, toegang, middel
Voorbeeld:
(adjective) voorbij, verleden;
(noun) verleden;
(preposition) voorbij, langs;
(adverb) voorbij
Voorbeeld:
(verb) betalen, vergoeden, boeten;
(noun) salaris, loon
Voorbeeld:
(noun) pen, schrijfpen, hok;
(verb) schrijven, opstellen, opsluiten
Voorbeeld:
(noun) potlood;
(verb) potloden, inplannen
Voorbeeld:
(noun) mensen, volk, natie;
(verb) bevolken, vullen
Voorbeeld:
(noun) peper, paprika, chilipeper;
(verb) peperen, kruiden met peper, bestoken
Voorbeeld:
(adjective) perfect, ideaal, volmaakt;
(verb) perfectioneren, volmaken, verbeteren
Voorbeeld:
(noun) periode, tijdperk, punt;
(exclamation) punt uit, klaar
Voorbeeld:
(noun) persoon, individu, personage
Voorbeeld:
(adjective) persoonlijk, privé, eigenhandig
Voorbeeld:
(noun) telefoon;
(verb) bellen, telefoneren
Voorbeeld:
(noun) foto
Voorbeeld:
(noun) foto, fotografie;
(verb) fotograferen, een foto maken
Voorbeeld:
(noun) frase, uitdrukking, muzikale frase;
(verb) formuleren, uitdrukken
Voorbeeld:
(noun) piano;
(adverb) piano, zacht;
(adjective) zacht, stil
Voorbeeld:
(noun) foto, schilderij, afbeelding;
(verb) afbeelden, fotograferen, schilderen
Voorbeeld:
(noun) stuk, deel, item;
(verb) samenvoegen, herstellen
Voorbeeld:
(noun) varken, viespeuk, vreetzak;
(verb) zich volproppen, vreten
Voorbeeld:
(adjective) roze;
(noun) roze, bloei, hoogtepunt
Voorbeeld:
(noun) plaats, plek, huis;
(verb) plaatsen, leggen, herkennen
Voorbeeld:
(noun) plan, ontwerp, plattegrond;
(verb) plannen, organiseren
Voorbeeld:
(noun) vlak, plat vlak, vliegtuig;
(verb) schaven, vlak maken
Voorbeeld:
(noun) plant, gewas, fabriek;
(verb) planten, zaaien, plaatsen
Voorbeeld:
(verb) spelen, uitvoeren, afspelen;
(noun) toneelstuk, spel, recreatie
Voorbeeld:
(noun) speler, afspeelapparaat, muzikant
Voorbeeld:
(interjection) alsjeblieft, alstublieft;
(verb) behagen, plezieren
Voorbeeld:
(noun) punt, uiteinde, plaats;
(verb) wijzen, aanduiden, richten
Voorbeeld:
(noun) politie;
(verb) controleren, bewaken
Voorbeeld:
(noun) politieman
Voorbeeld:
(noun) vijver, plas, zwembad;
(verb) bundelen, samenleggen
Voorbeeld:
(adjective) arm, behoeftig, zielig
Voorbeeld:
(adjective) populair, geliefd, volks-
Voorbeeld:
(adjective) zeker, positief, duidelijk;
(noun) positief, dia
Voorbeeld:
(adjective) mogelijk, haalbaar, potentieel
Voorbeeld:
(noun) paal, post, bericht;
(verb) plaatsen, aanplakken, posten;
(preposition) na, post-
Voorbeeld:
(noun) aardappel
Voorbeeld:
(noun) pond, pond sterling, dierenasiel;
(verb) bonken, slaan, bonzen
Voorbeeld:
(noun) praktijk, toepassing, gewoonte;
(verb) oefenen, trainen, uitoefenen
Voorbeeld:
(verb) oefenen, trainen, uitoefenen
Voorbeeld:
(verb) voorkeur geven aan, verkiezen
Voorbeeld:
(verb) voorbereiden, klaarmaken, zich voorbereiden
Voorbeeld:
(noun) cadeau, geschenk, heden;
(adjective) aanwezig, huidig;
(verb) presenteren, aanbieden, geven
Voorbeeld:
(adjective) mooi, knap;
(adverb) redelijk, tamelijk
Voorbeeld:
(noun) prijs, kosten, gevolg;
(verb) prijzen, waarderen, een prijs bepalen
Voorbeeld:
(adverb) waarschijnlijk, vermoedelijk
Voorbeeld:
(noun) probleem, kwestie, moeilijkheid
Voorbeeld:
(noun) product, artikel, uitkomst
Voorbeeld:
(noun) programma, schema, computerprogramma;
(verb) programmeren, plannen
Voorbeeld:
(noun) project, plan;
(verb) projecteren, voorspellen, werpen
Voorbeeld:
(noun) paars;
(adjective) paars
Voorbeeld:
(verb) leggen, plaatsen, brengen;
(noun) stoot, worp
Voorbeeld: