Avatar of Vocabulary Set A1 - Letter P

Vocabulaireverzameling A1 - Letter P in Oxford 3000 - A1: Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'A1 - Letter P' in 'Oxford 3000 - A1' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

page

/peɪdʒ/

(noun) pagina, blad, page;

(verb) oproepen, piepen

Voorbeeld:

Please turn to page 25.
Ga naar pagina 25.

paint

/peɪnt/

(noun) verf;

(verb) verven, schilderen

Voorbeeld:

The walls were covered in fresh white paint.
De muren waren bedekt met verse witte verf.

painting

/ˈpeɪn.t̬ɪŋ/

(noun) schilderen, verven, schilderij

Voorbeeld:

She enjoys painting landscapes.
Ze geniet van het schilderen van landschappen.

pair

/per/

(noun) paar, duo;

(verb) paren, combineren

Voorbeeld:

I need a new pair of shoes.
Ik heb een nieuw paar schoenen nodig.

paper

/ˈpeɪ.pɚ/

(noun) papier, krant, paper;

(verb) behangen

Voorbeeld:

She wrote a letter on a piece of paper.
Ze schreef een brief op een stuk papier.

paragraph

/ˈper.ə.ɡræf/

(noun) alinea;

(verb) in alinea's indelen

Voorbeeld:

Please read the first paragraph of the essay.
Lees alstublieft de eerste alinea van het essay.

parent

/ˈper.ənt/

(noun) ouder, ouderdier, ouderplant;

(verb) opvoeden, ouderschap uitoefenen

Voorbeeld:

Both parents attended the school meeting.
Beide ouders woonden de schoolvergadering bij.

park

/pɑːrk/

(noun) park, reservaat;

(verb) parkeren

Voorbeeld:

Let's go for a walk in the park.
Laten we een wandeling maken in het park.

part

/pɑːrt/

(noun) deel, stuk, rol;

(verb) scheiden, uiteengaan;

(adverb) deels, gedeeltelijk

Voorbeeld:

I only read the first part of the book.
Ik heb alleen het eerste deel van het boek gelezen.

partner

/ˈpɑːrt.nɚ/

(noun) partner, vennoot, levensgezel;

(verb) partneren, samenwerken

Voorbeeld:

She became a junior partner in the law firm.
Ze werd een junior partner in het advocatenkantoor.

party

/ˈpɑːr.t̬i/

(noun) feest, partij, groep;

(verb) feesten, partij vieren

Voorbeeld:

We're having a birthday party for my sister.
We geven een verjaardagsfeestje voor mijn zus.

passport

/ˈpæs.pɔːrt/

(noun) paspoort, toegang, middel

Voorbeeld:

Don't forget your passport when you travel internationally.
Vergeet je paspoort niet als je internationaal reist.

past

/pæst/

(adjective) voorbij, verleden;

(noun) verleden;

(preposition) voorbij, langs;

(adverb) voorbij

Voorbeeld:

In past years, we used to visit this beach every summer.
In voorbije jaren bezochten we dit strand elke zomer.

pay

/peɪ/

(verb) betalen, vergoeden, boeten;

(noun) salaris, loon

Voorbeeld:

I need to pay the rent by tomorrow.
Ik moet de huur morgen betalen.

pen

/pen/

(noun) pen, schrijfpen, hok;

(verb) schrijven, opstellen, opsluiten

Voorbeeld:

Can I borrow your pen for a moment?
Mag ik je pen even lenen?

pencil

/ˈpen.səl/

(noun) potlood;

(verb) potloden, inplannen

Voorbeeld:

Can I borrow your pencil for a moment?
Mag ik even je potlood lenen?

people

/ˈpiː.pəl/

(noun) mensen, volk, natie;

(verb) bevolken, vullen

Voorbeeld:

Many people attended the concert.
Veel mensen woonden het concert bij.

pepper

/ˈpep.ɚ/

(noun) peper, paprika, chilipeper;

(verb) peperen, kruiden met peper, bestoken

Voorbeeld:

Please pass the salt and pepper.
Geef alsjeblieft het zout en de peper door.

perfect

/ˈpɝː.fekt/

(adjective) perfect, ideaal, volmaakt;

(verb) perfectioneren, volmaken, verbeteren

Voorbeeld:

She found the perfect dress for the party.
Ze vond de perfecte jurk voor het feest.

period

/ˈpɪr.i.əd/

(noun) periode, tijdperk, punt;

(exclamation) punt uit, klaar

Voorbeeld:

The Roman Empire lasted for a long period.
Het Romeinse Rijk duurde een lange periode.

person

/ˈpɝː.sən/

(noun) persoon, individu, personage

Voorbeeld:

She is a very kind person.
Zij is een heel aardig persoon.

personal

/ˈpɝː.sən.əl/

(adjective) persoonlijk, privé, eigenhandig

Voorbeeld:

This is my personal opinion.
Dit is mijn persoonlijke mening.

phone

/foʊn/

(noun) telefoon;

(verb) bellen, telefoneren

Voorbeeld:

Can I use your phone to make a quick call?
Mag ik je telefoon gebruiken om snel te bellen?

photo

/ˈfoʊ.t̬oʊ/

(noun) foto

Voorbeeld:

Can I see the photo you took?
Mag ik de foto zien die je hebt gemaakt?

photograph

/ˈfoʊ.t̬oʊ.ɡræf/

(noun) foto, fotografie;

(verb) fotograferen, een foto maken

Voorbeeld:

She showed me a beautiful photograph of her family.
Ze liet me een prachtige foto van haar familie zien.

phrase

/freɪz/

(noun) frase, uitdrukking, muzikale frase;

(verb) formuleren, uitdrukken

Voorbeeld:

The phrase 'on the table' is a prepositional phrase.
De frase 'op tafel' is een voorzetseluitdrukking.

piano

/piˈæn.oʊ/

(noun) piano;

(adverb) piano, zacht;

(adjective) zacht, stil

Voorbeeld:

She played a beautiful melody on the piano.
Ze speelde een prachtige melodie op de piano.

picture

/ˈpɪk.tʃɚ/

(noun) foto, schilderij, afbeelding;

(verb) afbeelden, fotograferen, schilderen

Voorbeeld:

She hung a beautiful picture on the wall.
Ze hing een mooie foto aan de muur.

piece

/piːs/

(noun) stuk, deel, item;

(verb) samenvoegen, herstellen

Voorbeeld:

She cut the cake into small pieces.
Ze sneed de cake in kleine stukjes.

pig

/pɪɡ/

(noun) varken, viespeuk, vreetzak;

(verb) zich volproppen, vreten

Voorbeeld:

The farmer raised a lot of pigs for their meat.
De boer fokte veel varkens voor hun vlees.

pink

/pɪŋk/

(adjective) roze;

(noun) roze, bloei, hoogtepunt

Voorbeeld:

She wore a beautiful pink dress to the party.
Ze droeg een prachtige roze jurk naar het feest.

place

/pleɪs/

(noun) plaats, plek, huis;

(verb) plaatsen, leggen, herkennen

Voorbeeld:

This is a good place to sit.
Dit is een goede plek om te zitten.

plan

/plæn/

(noun) plan, ontwerp, plattegrond;

(verb) plannen, organiseren

Voorbeeld:

We need a solid plan to finish this project on time.
We hebben een solide plan nodig om dit project op tijd af te krijgen.

plane

/pleɪn/

(noun) vlak, plat vlak, vliegtuig;

(verb) schaven, vlak maken

Voorbeeld:

The points all lie on the same plane.
De punten liggen allemaal op hetzelfde vlak.

plant

/plænt/

(noun) plant, gewas, fabriek;

(verb) planten, zaaien, plaatsen

Voorbeeld:

She watered the plant every morning.
Ze gaf de plant elke ochtend water.

play

/pleɪ/

(verb) spelen, uitvoeren, afspelen;

(noun) toneelstuk, spel, recreatie

Voorbeeld:

The children are playing in the park.
De kinderen zijn aan het spelen in het park.

player

/ˈpleɪ.ɚ/

(noun) speler, afspeelapparaat, muzikant

Voorbeeld:

He is a key player on the basketball team.
Hij is een belangrijke speler in het basketbalteam.

please

/pliːz/

(interjection) alsjeblieft, alstublieft;

(verb) behagen, plezieren

Voorbeeld:

Can you help me, please?
Kun je me helpen, alsjeblieft?

point

/pɔɪnt/

(noun) punt, uiteinde, plaats;

(verb) wijzen, aanduiden, richten

Voorbeeld:

The point of the knife was very sharp.
De punt van het mes was erg scherp.

police

/pəˈliːs/

(noun) politie;

(verb) controleren, bewaken

Voorbeeld:

The police arrived quickly at the scene of the accident.
De politie arriveerde snel op de plaats van het ongeluk.

policeman

/pəˈliːs.mən/

(noun) politieman

Voorbeeld:

The policeman directed traffic at the busy intersection.
De politieman regelde het verkeer op het drukke kruispunt.

pool

/puːl/

(noun) vijver, plas, zwembad;

(verb) bundelen, samenleggen

Voorbeeld:

The children played by the shallow pool.
De kinderen speelden bij de ondiepe vijver.

poor

/pʊr/

(adjective) arm, behoeftig, zielig

Voorbeeld:

Many families in the city are living in poor conditions.
Veel gezinnen in de stad leven in arme omstandigheden.

popular

/ˈpɑː.pjə.lɚ/

(adjective) populair, geliefd, volks-

Voorbeeld:

This song is very popular right now.
Dit liedje is nu erg populair.

positive

/ˈpɑː.zə.t̬ɪv/

(adjective) zeker, positief, duidelijk;

(noun) positief, dia

Voorbeeld:

I'm positive that I locked the door.
Ik ben zeker dat ik de deur op slot heb gedaan.

possible

/ˈpɑː.sə.bəl/

(adjective) mogelijk, haalbaar, potentieel

Voorbeeld:

It is possible to finish the project by Friday.
Het is mogelijk om het project voor vrijdag af te ronden.

post

/poʊst/

(noun) paal, post, bericht;

(verb) plaatsen, aanplakken, posten;

(preposition) na, post-

Voorbeeld:

The fence post was rotten and needed to be replaced.
De hekpaal was verrot en moest vervangen worden.

potato

/pəˈteɪ.t̬oʊ/

(noun) aardappel

Voorbeeld:

She peeled the potato for dinner.
Ze schilde de aardappel voor het avondeten.

pound

/paʊnd/

(noun) pond, pond sterling, dierenasiel;

(verb) bonken, slaan, bonzen

Voorbeeld:

The baby weighed eight pounds at birth.
De baby woog acht pond bij de geboorte.

practice

/ˈpræk.tɪs/

(noun) praktijk, toepassing, gewoonte;

(verb) oefenen, trainen, uitoefenen

Voorbeeld:

It's a good theory, but it won't work in practice.
Het is een goede theorie, maar het zal in de praktijk niet werken.

practise

/ˈpræk.tɪs/

(verb) oefenen, trainen, uitoefenen

Voorbeeld:

You need to practise every day to get better at playing the piano.
Je moet elke dag oefenen om beter te worden in pianospelen.

prefer

/prɪˈfɝː/

(verb) voorkeur geven aan, verkiezen

Voorbeeld:

I prefer coffee to tea.
Ik geef de voorkeur aan koffie boven thee.

prepare

/prɪˈper/

(verb) voorbereiden, klaarmaken, zich voorbereiden

Voorbeeld:

She needs to prepare dinner for her guests.
Ze moet het avondeten voorbereiden voor haar gasten.

present

/ˈprez.ənt/

(noun) cadeau, geschenk, heden;

(adjective) aanwezig, huidig;

(verb) presenteren, aanbieden, geven

Voorbeeld:

She received a beautiful present for her birthday.
Ze kreeg een mooi cadeau voor haar verjaardag.

pretty

/ˈprɪt̬.i/

(adjective) mooi, knap;

(adverb) redelijk, tamelijk

Voorbeeld:

She wore a pretty dress to the party.
Ze droeg een mooie jurk naar het feest.

price

/praɪs/

(noun) prijs, kosten, gevolg;

(verb) prijzen, waarderen, een prijs bepalen

Voorbeeld:

The price of the car is too high for me.
De prijs van de auto is te hoog voor mij.

probably

/ˈprɑː.bə.bli/

(adverb) waarschijnlijk, vermoedelijk

Voorbeeld:

It's probably going to rain later.
Het gaat waarschijnlijk later regenen.

problem

/ˈprɑː.bləm/

(noun) probleem, kwestie, moeilijkheid

Voorbeeld:

We have a serious problem to solve.
We hebben een serieus probleem op te lossen.

product

/ˈprɑː.dʌkt/

(noun) product, artikel, uitkomst

Voorbeeld:

The company launched a new software product.
Het bedrijf lanceerde een nieuw softwareproduct.

programme

/ˈproʊ.ɡræm/

(noun) programma, schema, computerprogramma;

(verb) programmeren, plannen

Voorbeeld:

What's on the programme for tonight?
Wat staat er op het programma voor vanavond?

project

/ˈprɑː.dʒekt/

(noun) project, plan;

(verb) projecteren, voorspellen, werpen

Voorbeeld:

The team is working on a new software project.
Het team werkt aan een nieuw softwareproject.

purple

/ˈpɝː.pəl/

(noun) paars;

(adjective) paars

Voorbeeld:

The sunset painted the sky in shades of orange, pink, and purple.
De zonsondergang schilderde de lucht in tinten oranje, roze en paars.

put

/pʊt/

(verb) leggen, plaatsen, brengen;

(noun) stoot, worp

Voorbeeld:

Please put the book on the table.
Gelieve het boek op tafel te leggen.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland