Vocabulaireverzameling Eten en restaurants in Geavanceerde woordenschat voor TOEFL: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling 'Eten en restaurants' in 'Geavanceerde woordenschat voor TOEFL' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren(adjective) koosjer, legitiem, acceptabel
Voorbeeld:
(adjective) halal, toegestaan, geoorloofd
Voorbeeld:
(adjective) eetbaar;
(noun) eetwaren, voedingsmiddelen
Voorbeeld:
(adjective) culinair, kook-
Voorbeeld:
(noun) regime, kuur, behandeling
Voorbeeld:
(noun) textuur, structuur, aanvoelen;
(verb) textureren, structureren
Voorbeeld:
(adjective) mals, zacht, gevoelig;
(noun) offerte, aanbesteding, sloep;
(verb) aanbieden, indienen
Voorbeeld:
(adjective) vol van smaak, vol, volslank
Voorbeeld:
(noun) groente, groentje, vegetariër;
(adjective) vegetarisch
Voorbeeld:
(adjective) krokant, korstig, nors
Voorbeeld:
(adjective) zetmeelrijk, stijf, formeel
Voorbeeld:
(adjective) doordringend, pittig, scherp
Voorbeeld:
(adjective) gezond, heilzaam, deugdelijk
Voorbeeld:
(noun) natuurvoeding, volwaardige voeding
Voorbeeld:
(noun) havermout, pap
Voorbeeld:
(noun) volkorenmeel, tarwemeel
Voorbeeld:
(noun) gist
Voorbeeld:
(noun) zetmeel, stijfsel;
(verb) stijven
Voorbeeld:
(noun) hors d'oeuvre, voorgerecht
Voorbeeld:
(noun) aperitief
Voorbeeld:
(noun) stoofpot, ragout;
(verb) stoven, sudderen, piekeren
Voorbeeld:
(verb) grillen, braden, verzengen
Voorbeeld:
(verb) pocheren, stropen, illegaal jagen
Voorbeeld:
(verb) garneren, versieren, beslag leggen op;
(noun) garnering, versiering
Voorbeeld:
(noun) seizoen, jaargetijde;
(verb) kruiden, op smaak brengen
Voorbeeld:
(noun) marinade;
(verb) marineren
Voorbeeld:
(noun) dobbelsteen;
(verb) in blokjes snijden, dobbelen
Voorbeeld:
(verb) julienne, fijne reepjes;
(noun) julienne, fijne reepjes
Voorbeeld:
(verb) fruiten, sauteren;
(noun) sauté, roerbakgerecht
Voorbeeld:
(verb) malen, verpulveren, schuren;
(noun) sleuven, zwoegen, malen
Voorbeeld:
(verb) kneden, masseren
Voorbeeld:
(verb) stampen, fijnstampen;
(noun) puree, stampot
Voorbeeld:
(verb) ontdooien, ontvriezen
Voorbeeld:
(verb) klauteren, kruipen, verwarren;
(noun) klauterpartij, strijd, roerei
Voorbeeld:
(phrasal verb) uit eten gaan, buitenshuis eten
Voorbeeld:
(noun) rotisserie, braadspit, braadkippenwinkel
Voorbeeld:
(noun) doggybag, restjeszak
Voorbeeld:
(noun) kookplaat, warmhoudplaat
Voorbeeld:
(noun) maître d’hôtel, hoofdober
Voorbeeld: