Avatar of Vocabulary Set Acties

Vocabulaireverzameling Acties in Veelvoorkomende woordenschat: Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'Acties' in 'Veelvoorkomende woordenschat' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

march

/mɑːrtʃ/

(verb) marcheren, lopen, gaan;

(noun) mars, optocht, maart

Voorbeeld:

The soldiers marched in perfect formation.
De soldaten marcheerden in perfecte formatie.

walk

/wɑːk/

(verb) lopen, wandelen, uitlaten;

(noun) wandeling, loopafstand

Voorbeeld:

She likes to walk in the park every morning.
Ze houdt ervan om elke ochtend in het park te wandelen.

crawl

/krɑːl/

(verb) kruipen, langzaam voortbewegen;

(noun) kruipsnelheid, langzame voortgang

Voorbeeld:

The baby learned to crawl before walking.
De baby leerde kruipen voordat hij ging lopen.

drag

/dræɡ/

(verb) slepen, trekken, voortslepen;

(noun) sleep, weerstand, drag

Voorbeeld:

She had to drag the heavy suitcase up the stairs.
Ze moest de zware koffer de trap op slepen.

push

/pʊʃ/

(verb) duwen, stoten, zich een weg banen;

(noun) duw, stoot, inspanning

Voorbeeld:

She tried to push the heavy door open.
Ze probeerde de zware deur open te duwen.

jump

/dʒʌmp/

(verb) springen, hossen, schieten;

(noun) sprong, hup, stijging

Voorbeeld:

The cat jumped onto the table.
De kat sprong op tafel.

leap

/liːp/

(verb) springen, sprong maken, snel bewegen;

(noun) sprong, beweging

Voorbeeld:

The deer leaped over the fence.
Het hert sprong over het hek.

hit

/hɪt/

(verb) slaan, raken, treffen;

(noun) slag, treffer, hit

Voorbeeld:

He accidentally hit his thumb with a hammer.
Hij sloeg per ongeluk zijn duim met een hamer.

stretch

/stretʃ/

(verb) strekken, uitrekken, rekken;

(noun) rek, strekking, stuk

Voorbeeld:

She woke up and began to stretch her arms above her head.
Ze werd wakker en begon haar armen boven haar hoofd te strekken.

lift

/lɪft/

(verb) optillen, opheffen, intrekken;

(noun) lift, heftoestel, rit

Voorbeeld:

She helped him lift the heavy box.
Ze hielp hem de zware doos optillen.

put down

/pʊt daʊn/

(phrasal verb) neerleggen, neerzetten, neerhalen

Voorbeeld:

Please put down your bags here.
Gelieve uw tassen hier neer te zetten.

dive

/daɪv/

(verb) duiken, springen, snel bewegen;

(noun) duik, sprong, daling

Voorbeeld:

He took a deep breath and dived into the pool.
Hij haalde diep adem en dook in het zwembad.

lean

/liːn/

(verb) leunen, hellen, leunen op;

(adjective) slank, mager, schaars

Voorbeeld:

He had to lean forward to hear what she was saying.
Hij moest naar voren leunen om te horen wat ze zei.

sit

/sɪt/

(verb) zitten, zitting hebben, behandelen;

(noun) zit, zitting

Voorbeeld:

Please sit down.
Ga alsjeblieft zitten.

bend

/bend/

(verb) buigen, plooien, zwichten;

(noun) bocht, kromming

Voorbeeld:

He tried to bend the metal rod.
Hij probeerde de metalen staaf te buigen.

hold

/hoʊld/

(verb) vasthouden, dragen, tegenhouden;

(noun) greep, houvast, wacht

Voorbeeld:

Can you hold this for a moment?
Kun je dit even vasthouden?

carry

/ˈker.i/

(verb) dragen, vervoeren, bezitten;

(noun) bereik, vlucht

Voorbeeld:

She helped him carry the heavy box.
Ze hielp hem de zware doos dragen.

slap

/slæp/

(noun) klap, tik;

(verb) slaan, klappen, gooien;

(adverb) recht, direct

Voorbeeld:

She gave him a hard slap across the face.
Ze gaf hem een harde klap in zijn gezicht.

punch

/pʌntʃ/

(noun) stoot, klap, perforator;

(verb) slaan, stompen, ponsen

Voorbeeld:

He delivered a powerful punch to his opponent's jaw.
Hij gaf een krachtige stoot op de kaak van zijn tegenstander.

kick

/kɪk/

(verb) schoppen, trap, stoppen met;

(noun) schop, trap, kick

Voorbeeld:

He tried to kick the ball into the goal.
Hij probeerde de bal in het doel te schoppen.

catch

/kætʃ/

(verb) vangen, grijpen, betrappen;

(noun) vangbal, vangspel, addertje onder het gras

Voorbeeld:

She managed to catch the ball with one hand.
Ze slaagde erin de bal met één hand te vangen.

throw

/θroʊ/

(verb) gooien, werpen, omverwerpen;

(noun) worp, gooi, plaid

Voorbeeld:

He decided to throw the ball to his dog.
Hij besloot de bal naar zijn hond te gooien.

pull

/pʊl/

(verb) trekken, halen, verwijderen;

(noun) trek, ruk, invloed

Voorbeeld:

She tried to pull the heavy door open.
Ze probeerde de zware deur open te trekken.

climb

/klaɪm/

(verb) klimmen, stijgen, moeizaam klimmen;

(noun) klim, beklimming

Voorbeeld:

We watched the children climb the tree.
We keken hoe de kinderen de boom beklommen.

fall

/fɑːl/

(verb) vallen, dalen, afnemen;

(noun) val, daling, herfst

Voorbeeld:

The apple fell from the tree.
De appel viel van de boom.

point

/pɔɪnt/

(noun) punt, uiteinde, plaats;

(verb) wijzen, aanduiden, richten

Voorbeeld:

The point of the knife was very sharp.
De punt van het mes was erg scherp.

rake up

/reɪk ʌp/

(phrasal verb) oprakelen, opdiepen

Voorbeeld:

Why do you always have to rake up old arguments?
Waarom moet je altijd oude ruzies oprakelen?

read

/riːd/

(verb) lezen, interpreteren, begrijpen;

(noun) lezing, leesbeurt

Voorbeeld:

She loves to read books in her free time.
Ze houdt ervan om boeken te lezen in haar vrije tijd.

scrub

/skrʌb/

(verb) schrobben, boenen, schrappen;

(noun) schrobbeurt, boenbeurt, struikgewas;

(adjective) onbelangrijk, minderwaardig

Voorbeeld:

She had to scrub the floor until it shone.
Ze moest de vloer schrobben tot hij glom.

set

/set/

(verb) zetten, leggen, plaatsen;

(noun) set, reeks, stand;

(adjective) vastgesteld, vast

Voorbeeld:

She set the book on the table.
Ze zette het boek op tafel.

skip

/skɪp/

(verb) hinkelen, springen, overslaan;

(noun) hink, sprong, overslag

Voorbeeld:

The children were skipping happily down the street.
De kinderen waren vrolijk de straat aan het hinkelen.

sew

/soʊ/

(verb) naaien

Voorbeeld:

She learned to sew her own clothes.
Ze leerde haar eigen kleren naaien.

pat

/pæt/

(verb) aaien, tikken;

(noun) klopje, aai, klontje;

(adjective) gemakkelijk, passend;

(adverb) precies, passend

Voorbeeld:

She patted the dog on its head.
Ze aaide de hond over zijn kop.

shout

/ʃaʊt/

(verb) schreeuwen, roepen;

(noun) schreeuw, roep

Voorbeeld:

She had to shout to be heard over the music.
Ze moest schreeuwen om boven de muziek uit te komen.

tickle

/ˈtɪk.əl/

(verb) kriebelen, kitzelen, amuseren;

(noun) kriebel, kitzel

Voorbeeld:

She tried to tickle her baby's feet.
Ze probeerde de voetjes van haar baby te kriebelen.

tell

/tel/

(verb) vertellen, zeggen, onderscheiden;

(noun) teken, aanwijzing

Voorbeeld:

Can you tell me your name?
Kun je me je naam vertellen?

stand

/stænd/

(verb) staan, plaatsen, zetten;

(noun) standaard, rek, standpunt

Voorbeeld:

Please stand when the judge enters.
Gelieve te staan wanneer de rechter binnenkomt.

sneeze

/sniːz/

(verb) niezen;

(noun) nies

Voorbeeld:

The dust made her sneeze.
Het stof deed haar niezen.

slip

/slɪp/

(verb) uitglijden, slippen, glippen;

(noun) fout, vergissing, briefje

Voorbeeld:

Be careful not to slip on the wet floor.
Pas op dat je niet uitglijdt op de natte vloer.

sleep

/sliːp/

(noun) slaap;

(verb) slapen

Voorbeeld:

I need to get more sleep.
Ik moet meer slapen.

sing

/sɪŋ/

(verb) zingen, kwinkeleren, fluiten

Voorbeeld:

She loves to sing in the shower.
Ze houdt ervan om onder de douche te zingen.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland