Vocabulaireverzameling Acties in Veelvoorkomende woordenschat: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling 'Acties' in 'Veelvoorkomende woordenschat' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren(verb) marcheren, lopen, gaan;
(noun) mars, optocht, maart
Voorbeeld:
(verb) lopen, wandelen, uitlaten;
(noun) wandeling, loopafstand
Voorbeeld:
(verb) kruipen, langzaam voortbewegen;
(noun) kruipsnelheid, langzame voortgang
Voorbeeld:
(verb) slepen, trekken, voortslepen;
(noun) sleep, weerstand, drag
Voorbeeld:
(verb) duwen, stoten, zich een weg banen;
(noun) duw, stoot, inspanning
Voorbeeld:
(verb) springen, hossen, schieten;
(noun) sprong, hup, stijging
Voorbeeld:
(verb) springen, sprong maken, snel bewegen;
(noun) sprong, beweging
Voorbeeld:
(verb) slaan, raken, treffen;
(noun) slag, treffer, hit
Voorbeeld:
(verb) strekken, uitrekken, rekken;
(noun) rek, strekking, stuk
Voorbeeld:
(verb) optillen, opheffen, intrekken;
(noun) lift, heftoestel, rit
Voorbeeld:
(phrasal verb) neerleggen, neerzetten, neerhalen
Voorbeeld:
(verb) duiken, springen, snel bewegen;
(noun) duik, sprong, daling
Voorbeeld:
(verb) leunen, hellen, leunen op;
(adjective) slank, mager, schaars
Voorbeeld:
(verb) zitten, zitting hebben, behandelen;
(noun) zit, zitting
Voorbeeld:
(verb) buigen, plooien, zwichten;
(noun) bocht, kromming
Voorbeeld:
(verb) vasthouden, dragen, tegenhouden;
(noun) greep, houvast, wacht
Voorbeeld:
(verb) dragen, vervoeren, bezitten;
(noun) bereik, vlucht
Voorbeeld:
(noun) klap, tik;
(verb) slaan, klappen, gooien;
(adverb) recht, direct
Voorbeeld:
(noun) stoot, klap, perforator;
(verb) slaan, stompen, ponsen
Voorbeeld:
(verb) schoppen, trap, stoppen met;
(noun) schop, trap, kick
Voorbeeld:
(verb) vangen, grijpen, betrappen;
(noun) vangbal, vangspel, addertje onder het gras
Voorbeeld:
(verb) gooien, werpen, omverwerpen;
(noun) worp, gooi, plaid
Voorbeeld:
(verb) trekken, halen, verwijderen;
(noun) trek, ruk, invloed
Voorbeeld:
(verb) klimmen, stijgen, moeizaam klimmen;
(noun) klim, beklimming
Voorbeeld:
(verb) vallen, dalen, afnemen;
(noun) val, daling, herfst
Voorbeeld:
(noun) punt, uiteinde, plaats;
(verb) wijzen, aanduiden, richten
Voorbeeld:
(phrasal verb) oprakelen, opdiepen
Voorbeeld:
(verb) lezen, interpreteren, begrijpen;
(noun) lezing, leesbeurt
Voorbeeld:
(verb) schrobben, boenen, schrappen;
(noun) schrobbeurt, boenbeurt, struikgewas;
(adjective) onbelangrijk, minderwaardig
Voorbeeld:
(verb) zetten, leggen, plaatsen;
(noun) set, reeks, stand;
(adjective) vastgesteld, vast
Voorbeeld:
(verb) hinkelen, springen, overslaan;
(noun) hink, sprong, overslag
Voorbeeld:
(verb) naaien
Voorbeeld:
(verb) aaien, tikken;
(noun) klopje, aai, klontje;
(adjective) gemakkelijk, passend;
(adverb) precies, passend
Voorbeeld:
(verb) schreeuwen, roepen;
(noun) schreeuw, roep
Voorbeeld:
(verb) kriebelen, kitzelen, amuseren;
(noun) kriebel, kitzel
Voorbeeld:
(verb) vertellen, zeggen, onderscheiden;
(noun) teken, aanwijzing
Voorbeeld:
(verb) staan, plaatsen, zetten;
(noun) standaard, rek, standpunt
Voorbeeld:
(verb) niezen;
(noun) nies
Voorbeeld:
(verb) uitglijden, slippen, glippen;
(noun) fout, vergissing, briefje
Voorbeeld:
(verb) zingen, kwinkeleren, fluiten
Voorbeeld: