Vocabulaireverzameling Oxford 5000 - C1 - Letter B in Oxford 5000 - C1: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling 'Oxford 5000 - C1 - Letter B' in 'Oxford 5000 - C1' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren(noun) achterdoek, decor, achtergrond
Voorbeeld:
(noun) steun, ondersteuning, rug
Voorbeeld:
(noun) back-up, reservekopie, ondersteuning;
(verb) back-uppen, een reservekopie maken;
(adjective) reserve, back-up
Voorbeeld:
(noun) borgtocht, schepemmer, hoosvat;
(verb) op borgtocht vrijlaten, hozen, leegscheppen
Voorbeeld:
(noun) stembus, stemming, stembiljet;
(verb) stemmen, een stemming houden
Voorbeeld:
(noun) spandoek, banier, banner
Voorbeeld:
(adjective) kaal, bloot, minimaal;
(verb) ontbloten, blootleggen
Voorbeeld:
(noun) vat, ton, loop;
(verb) razen, stormen
Voorbeeld:
(noun) bas, baars, contrabas
Voorbeeld:
(noun) vleermuis, knuppel, bat;
(verb) slaan, raken, knipperen
Voorbeeld:
(noun) slagveld, strijdtoneel, arena
Voorbeeld:
(noun) baai, nis, ruimte;
(verb) blaffen, huilen
Voorbeeld:
(noun) balk, straal;
(verb) stralen, glimlachen, uitzenden
Voorbeeld:
(noun) beest, dier, bruut
Voorbeeld:
(noun) namens, ten behoeve van
Voorbeeld:
(adjective) geliefd, dierbaar;
(noun) geliefde, dierbare
Voorbeeld:
(noun) bank, werkbank, laboratoriumtafel;
(verb) banken, op de bank zetten, benchmarken
Voorbeeld:
(noun) benchmark, referentiepunt;
(verb) benchmarken, vergelijken
Voorbeeld:
(preposition) onder, beneden, onwaardig;
(adverb) beneden, onder
Voorbeeld:
(noun) begunstigde, ontvanger
Voorbeeld:
(verb) verraden, onthullen
Voorbeeld:
(verb) binden, vastbinden, verplichten;
(noun) benarde situatie, klem
Voorbeeld:
(noun) biografie, levensbeschrijving
Voorbeeld:
(noun) bisschop, loper
Voorbeeld:
(adjective) bizar, vreemd, eigenaardig
Voorbeeld:
(noun) lemmet, blad, grashalm
Voorbeeld:
(noun) schokgolf, luchtstroom, toeter;
(verb) opblazen, dynamiteren, blazen
Voorbeeld:
(verb) bloeden, ontluchten, aftappen;
(noun) bloeding
Voorbeeld:
(verb) mengen, blenden, passen bij;
(noun) melange, mengsel
Voorbeeld:
(verb) zegenen, wijden, begunstigen;
(exclamation) ach, goh
Voorbeeld:
(noun) zegen, voordeel, geluk
Voorbeeld:
(verb) opscheppen, pochen, beschikken over;
(noun) opschepperij, pochen
Voorbeeld:
(noun) bonus, premie, extraatje
Voorbeeld:
(noun) dreun, knal, boom;
(verb) dreunen, galmen, bloeien;
(adjective) bloeiend, groeiend;
(interjection) dreun, knal
Voorbeeld:
(verb) stuiteren, terugkaatsen, springen;
(noun) stuiter, terugkaatsing, opleving
Voorbeeld:
(noun) grens, scheidingslijn, beperking
Voorbeeld:
(noun) strik, lus, boog;
(verb) buigen, neigen, krommen
Voorbeeld:
(noun) schending, breuk, doorbraak;
(verb) schenden, doorbreken
Voorbeeld:
(noun) pech, storing, inzinking
Voorbeeld:
(noun) doorbraak
Voorbeeld:
(verb) fokken, voortplanten, veroorzaken;
(noun) ras, soort, type
Voorbeeld:
(noun) breedband;
(adjective) breedband
Voorbeeld:
(noun) browser, webbrowser, grazer
Voorbeeld:
(adjective) brutaal, wreed, hard
Voorbeeld:
(noun) dollar, bok, mannetje;
(verb) weerstaan, bokken
Voorbeeld:
(noun) maatje, vriend;
(verb) bevriend raken, samenwerken
Voorbeeld:
(noun) buffer, stootkussen, bufferoplossing;
(verb) bufferen, verzachten
Voorbeeld:
(noun) grootste deel, meerderheid, omvang;
(verb) aankomen, uitbreiden
Voorbeeld:
(noun) last, vracht, verantwoordelijkheid;
(verb) belasten, bezwaren
Voorbeeld:
(noun) bureaucratie, bestuursapparaat, ambtenarenapparaat
Voorbeeld:
(noun) begrafenis, ter aarde bestelling, begraafplaats
Voorbeeld:
(verb) barsten, knappen, uitbarsten;
(noun) uitbarsting, vlaag
Voorbeeld: