Vocabulaireverzameling Vervoer en reismogelijkheden in Toerismebranche: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling 'Vervoer en reismogelijkheden' in 'Toerismebranche' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren(noun) voertuig, rijtuig, middel
Voorbeeld:
(noun) vervoer, transport
Voorbeeld:
(noun) openbaar vervoer
Voorbeeld:
(noun) bus;
(verb) met de bus vervoeren
Voorbeeld:
(noun) trein, sleep;
(verb) trainen, opleiden, oefenen
Voorbeeld:
(noun) metro, ondergrondse, voetgangerstunnel
Voorbeeld:
(noun) tram
Voorbeeld:
(noun) taxi;
(verb) taxien, rijden met een taxi
Voorbeeld:
(noun) auto, wagon, rijtuig
Voorbeeld:
(noun) fiets;
(verb) fietsen
Voorbeeld:
(noun) motorfiets, motor;
(verb) motorrijden
Voorbeeld:
(noun) scooter, bromfiets, step
Voorbeeld:
(noun) bestelwagen, busje, voorhoede
Voorbeeld:
(noun) vrachtwagen, truck, kar;
(verb) vervoeren met vrachtwagen, trucken
Voorbeeld:
(noun) ambulance
Voorbeeld:
(noun) brandweerwagen, brandweerauto
Voorbeeld:
(noun) politieauto, politiewagen
Voorbeeld:
(noun) helikopter;
(verb) helikopteren, met de helikopter vliegen
Voorbeeld:
(noun) vliegtuig
Voorbeeld:
(noun) boot, vaartuig;
(verb) varen, bootje varen
Voorbeeld:
(noun) veerboot, pont;
(verb) overzetten, vervoeren
Voorbeeld:
(noun) cruiseschip
Voorbeeld:
(noun) jacht;
(verb) jachten, zeilen met een jacht
Voorbeeld:
(noun) voetganger;
(adjective) alledaags, saai, gewoon
Voorbeeld:
(noun) chauffeur, bestuurder, driver
Voorbeeld:
(noun) passagier, reiziger
Voorbeeld:
(noun) verkeer, handel, smokkel;
(verb) verhandelen, smokkelen
Voorbeeld:
(noun) file, verkeersopstopping
Voorbeeld:
(noun) weg, straat, koers
Voorbeeld:
(noun) snelweg, autoweg
Voorbeeld:
(noun) straat, weg, straatbewoners
Voorbeeld:
(noun) laan, avenue, weg
Voorbeeld:
(noun) kruising, snijpunt, kruispunt
Voorbeeld:
(noun) rotonde;
(adjective) omslachtig, indirect
Voorbeeld:
(noun) zebrapad, voetgangersoversteekplaats
Voorbeeld:
(noun) stoep, trottoir
Voorbeeld:
(noun) brug, neusbrug, verbinding;
(verb) overbruggen, verkleinen
Voorbeeld:
(noun) tunnel;
(verb) tunnelen, graven
Voorbeeld:
(noun) verkeerslicht, stoplicht
Voorbeeld:
(noun) bushalte
Voorbeeld:
(noun) treinstation, station
Voorbeeld:
(noun) luchthaven, vliegveld
Voorbeeld:
(noun) haven, toevluchtsoord, schuilplaats;
(verb) koesteren, herbergen, onderdak bieden aan
Voorbeeld:
(noun) parkeerplaats
Voorbeeld:
(noun) fietspad, fietsstrook
Voorbeeld:
(verb) carpool, rijden in een carpool;
(noun) carpool, rijden in een carpool
Voorbeeld:
(verb) forenzen, pendelen, omzetten;
(noun) woon-werkverkeer, forenzenreis
Voorbeeld:
(noun) kaartje, ticket, boete;
(verb) bekeuren, een boete geven
Voorbeeld:
(noun) tarief, prijs, kost;
(verb) presteren, gaan
Voorbeeld:
(noun) platform, perron, programma
Voorbeeld:
(noun) vertrek, afreis, afwijking
Voorbeeld:
(noun) aankomst, komst, aanwinst
Voorbeeld:
(noun) schema, rooster, tijdschema;
(verb) plannen, inplannen
Voorbeeld:
(noun) dienstregeling, tijdschema;
(verb) plannen, roosteren
Voorbeeld:
(verb) vertragen, uitstellen, aarzelen;
(noun) vertraging, uitstel
Voorbeeld:
(verb) overdragen, overbrengen, verplaatsen;
(noun) overdracht, overplaatsing, verplaatsing
Voorbeeld:
(noun) route, weg;
(verb) routeren, leiden
Voorbeeld:
(noun) stop, einde, halte;
(verb) stoppen, beëindigen, ophouden
Voorbeeld:
(noun) richting, leiding, aanwijzing
Voorbeeld:
(noun) kaart;
(verb) karteren, in kaart brengen
Voorbeeld:
(abbreviation) GPS, navigatiesysteem
Voorbeeld:
(noun) opstopping, congestie, verstopping
Voorbeeld:
(noun) stuur, stuurwiel
Voorbeeld:
(noun) veiligheidsgordel, autoband
Voorbeeld:
(noun) snelheidslimiet
Voorbeeld:
(verb) inhalen, voorbijgaan, overtreffen
Voorbeeld:
(verb) fuseren, samenvoegen, verenigen
Voorbeeld:
(noun) weg, pad, rijstrook
Voorbeeld:
(verb) draaien, wenden, afbuigen;
(noun) bocht, beurt
Voorbeeld:
(noun) U-bocht, keerbeweging, koerswijziging;
(verb) U-bocht maken, keren
Voorbeeld:
(noun) park, reservaat;
(verb) parkeren
Voorbeeld:
(verb) achteruitrijden, omkeren, terugdraaien;
(noun) achterkant, tegenovergestelde, omgekeerde;
(adjective) omgekeerd, achteruit
Voorbeeld:
(noun) hoorn, claxon;
(verb) toeteren, claxonneren
Voorbeeld:
(noun) kruispunt, wegsplitsing, keuzemoment
Voorbeeld:
(adjective) eenrichtings-, enkel, eenzijdig
Voorbeeld:
(noun) retour, heen- en terugreis;
(adjective) retour, heen en terug
Voorbeeld:
(noun) fly-over, viaduct, vliegshow
Voorbeeld:
(noun) onderdoorgang, viaduct
Voorbeeld:
(noun) zebrapad
Voorbeeld:
(noun) fietsdelen, fietsdeelsysteem
Voorbeeld:
(noun) ritdelen, carpoolen
Voorbeeld:
(noun) elektrische scooter, e-scooter
Voorbeeld:
(trademark) Segway
Voorbeeld:
(noun) monorail, eenspoorbaan
Voorbeeld:
(noun) kabelbaan, gondel
Voorbeeld:
(noun) ritdelen, ritdeeldienst
Voorbeeld:
(noun) e-bike, elektrische fiets
Voorbeeld:
(noun) koets, rijtuig, wagon
Voorbeeld:
(noun) riksja
Voorbeeld:
(noun) skateboard, skateplank;
(verb) skateboarden
Voorbeeld:
(noun) woon-werkverkeer, pendelen;
(verb) pendelend, reizend
Voorbeeld:
(noun) openbaar vervoer
Voorbeeld:
(noun) spitsuur, spits
Voorbeeld:
(noun) verkeersopstopping, file, impasse;
(verb) verlammen, vastzetten
Voorbeeld:
(noun) metrostation, ondergronds station
Voorbeeld:
(noun) taxistandplaats, taxistand
Voorbeeld:
(noun) stadscentrum, binnenstad
Voorbeeld:
(adverb) naar het centrum, in het centrum;
(noun) centrum, binnenstad;
(adjective) centraal, binnenstedelijk
Voorbeeld:
(noun) ringweg, rondweg
Voorbeeld: