Avatar of Vocabulary Set A2 - Letter P

Vocabulaireverzameling A2 - Letter P in Oxford 3000 - A2: Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'A2 - Letter P' in 'Oxford 3000 - A2' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

pack

/pæk/

(noun) pak, rugzak, bundel;

(verb) inpakken, verpakken, vullen

Voorbeeld:

He carried a large pack on his back.
Hij droeg een grote rugzak op zijn rug.

pain

/peɪn/

(noun) pijn, leed, verdriet;

(verb) pijn doen, kwellen

Voorbeeld:

She felt a sharp pain in her leg.
Ze voelde een scherpe pijn in haar been.

painter

/ˈpeɪn.t̬ɚ/

(noun) schilder, kunstschilder, verver

Voorbeeld:

Vincent van Gogh was a famous Dutch painter.
Vincent van Gogh was een beroemde Nederlandse schilder.

palace

/ˈpæl.ɪs/

(noun) paleis, herenhuis

Voorbeeld:

Buckingham Palace is the official residence of the British monarch.
Buckingham Palace is de officiële residentie van de Britse monarch.

pants

/pænts/

(plural noun) broek, onderbroek, slip;

(verb) hijgen, puffen

Voorbeeld:

He was wearing a pair of blue denim pants.
Hij droeg een blauwe spijkerbroek.

parking

/ˈpɑːr.kɪŋ/

(noun) parkeren, parkeerplaats;

(adjective) parkeer-, parkeerplaats

Voorbeeld:

Parking is not allowed here.
Parkeren is hier niet toegestaan.

particular

/pɚˈtɪk.jə.lɚ/

(adjective) bepaald, specifiek, kieskeurig;

(noun) details, bijzonderheden

Voorbeeld:

Is there any particular reason you're asking?
Is er een specifieke reden waarom je dit vraagt?

pass

/pæs/

(verb) passeren, voorbijgaan, slagen;

(noun) voldoende, geslaagd, pas

Voorbeeld:

A car passed us on the highway.
Een auto passeerde ons op de snelweg.

passenger

/ˈpæs.ən.dʒɚ/

(noun) passagier, reiziger

Voorbeeld:

The bus was full of passengers.
De bus zat vol met passagiers.

past

/pæst/

(adjective) voorbij, verleden;

(noun) verleden;

(preposition) voorbij, langs;

(adverb) voorbij

Voorbeeld:

In past years, we used to visit this beach every summer.
In voorbije jaren bezochten we dit strand elke zomer.

patient

/ˈpeɪ.ʃənt/

(adjective) geduldig;

(noun) patiënt

Voorbeeld:

You need to be more patient with your younger siblings.
Je moet geduldiger zijn met je jongere broers en zussen.

pattern

/ˈpæt̬.ɚn/

(noun) patroon, dessin, gedrag;

(verb) patroneren, vormgeven

Voorbeeld:

The wallpaper has a floral pattern.
Het behang heeft een bloemenpatroon.

pay

/peɪ/

(verb) betalen, vergoeden, boeten;

(noun) salaris, loon

Voorbeeld:

I need to pay the rent by tomorrow.
Ik moet de huur morgen betalen.

peace

/piːs/

(noun) vrede, rust;

(exclamation) vrede, doei

Voorbeeld:

She found peace in the quiet countryside.
Ze vond rust op het rustige platteland.

penny

/ˈpen.i/

(noun) penny, cent

Voorbeeld:

I found a penny on the sidewalk.
Ik vond een penny op de stoep.

per

/pɝː/

(preposition) per

Voorbeeld:

The cost is $10 per person.
De kosten zijn $10 per persoon.

per cent

/pər ˈsent/

(adverb) procent

Voorbeeld:

The interest rate is five per cent.
De rente is vijf procent.

perform

/pɚˈfɔːrm/

(verb) uitvoeren, verrichten, optreden

Voorbeeld:

The surgeon will perform the operation tomorrow.
De chirurg zal de operatie morgen uitvoeren.

perhaps

/pɚˈhæps/

(adverb) misschien, wellicht

Voorbeeld:

Perhaps it will rain tomorrow.
Misschien regent het morgen.

permission

/pɚˈmɪʃ.ən/

(noun) toestemming, vergunning

Voorbeeld:

You need permission to enter this area.
Je hebt toestemming nodig om dit gebied te betreden.

personality

/ˌpɝː.sənˈæl.ə.t̬i/

(noun) persoonlijkheid, karakter, beroemdheid

Voorbeeld:

She has a very outgoing personality.
Ze heeft een zeer extraverte persoonlijkheid.

pet

/pet/

(noun) huisdier, lieveling, oogappel;

(verb) aaien, strelen;

(adjective) huisdier-, tam

Voorbeeld:

My cat is a beloved pet.
Mijn kat is een geliefd huisdier.

petrol

/ˈpet.rəl/

(noun) benzine

Voorbeeld:

I need to fill up the car with petrol.
Ik moet de auto voltanken met benzine.

photograph

/ˈfoʊ.t̬oʊ.ɡræf/

(noun) foto, fotografie;

(verb) fotograferen, een foto maken

Voorbeeld:

She showed me a beautiful photograph of her family.
Ze liet me een prachtige foto van haar familie zien.

physical

/ˈfɪz.ɪ.kəl/

(adjective) fysiek, lichamelijk, materieel;

(noun) medische keuring, fysieke controle

Voorbeeld:

Regular physical activity is important for health.
Regelmatige fysieke activiteit is belangrijk voor de gezondheid.

physics

/ˈfɪz.ɪks/

(noun) natuurkunde

Voorbeeld:

She is studying physics at university.
Ze studeert natuurkunde aan de universiteit.

pick

/pɪk/

(verb) kiezen, uitkiezen, plukken;

(noun) keuze, selectie, houweel

Voorbeeld:

She had to pick a dress for the party.
Ze moest een jurk kiezen voor het feest.

pilot

/ˈpaɪ.lət/

(noun) piloot, loods, pilotaflevering;

(verb) besturen, loodsen;

(adjective) pilot, proef

Voorbeeld:

The pilot announced that we were beginning our descent.
De piloot kondigde aan dat we begonnen met onze daling.

planet

/ˈplæn.ɪt/

(noun) planeet

Voorbeeld:

Earth is the third planet from the Sun.
De aarde is de derde planeet vanaf de zon.

plant

/plænt/

(noun) plant, gewas, fabriek;

(verb) planten, zaaien, plaatsen

Voorbeeld:

She watered the plant every morning.
Ze gaf de plant elke ochtend water.

plastic

/ˈplæs.tɪk/

(noun) plastic;

(adjective) plastic, plastisch, buigzaam

Voorbeeld:

Many everyday items are made of plastic.
Veel alledaagse voorwerpen zijn gemaakt van plastic.

plate

/pleɪt/

(noun) bord, plaat;

(verb) plateren, bekleden

Voorbeeld:

Please put your empty plate in the sink.
Leg je lege bord in de gootsteen, alsjeblieft.

platform

/ˈplæt.fɔːrm/

(noun) platform, perron, programma

Voorbeeld:

The train arrived at platform 9.
De trein arriveerde op perron 9.

please

/pliːz/

(interjection) alsjeblieft, alstublieft;

(verb) behagen, plezieren

Voorbeeld:

Can you help me, please?
Kun je me helpen, alsjeblieft?

pleased

/pliːzd/

(adjective) blij, tevreden, verheugd

Voorbeeld:

She was very pleased with her new car.
Ze was erg blij met haar nieuwe auto.

pocket

/ˈpɑː.kɪt/

(noun) zak, enclave, gebied;

(verb) in zijn zak steken, op zak steken

Voorbeeld:

He put his keys in his pocket.
Hij stopte zijn sleutels in zijn zak.

polite

/pəˈlaɪt/

(adjective) beleefd, hoffelijk

Voorbeeld:

It's important to be polite to your elders.
Het is belangrijk om beleefd te zijn tegen je ouderen.

pollution

/pəˈluː.ʃən/

(noun) vervuiling, verontreiniging

Voorbeeld:

Air pollution is a major concern in big cities.
Luchtvervuiling is een grote zorg in grote steden.

pop

/pɑːp/

(noun) plof, knal, frisdrank;

(verb) ploffen, knallen, wippen;

(adjective) pop, populair;

(adverb) ploffend, knallend

Voorbeeld:

The balloon burst with a loud pop.
De ballon barstte met een luide plof.

population

/ˌpɑː.pjəˈleɪ.ʃən/

(noun) bevolking, inwoners, populatie

Voorbeeld:

The city's population has grown rapidly in the last decade.
De bevolking van de stad is de afgelopen tien jaar snel gegroeid.

position

/pəˈzɪʃ.ən/

(noun) positie, plaats, ligging;

(verb) positioneren, plaatsen, opstellen

Voorbeeld:

The car is in a good position for parking.
De auto staat op een goede positie om te parkeren.

possession

/pəˈzeʃ.ən/

(noun) bezit, eigendom, spullen

Voorbeeld:

The family lost all their possessions in the fire.
De familie verloor al hun bezittingen in de brand.

possibility

/ˌpɑː.səˈbɪl.ə.t̬i/

(noun) mogelijkheid, optie, kans

Voorbeeld:

There are many possibilities for your future career.
Er zijn veel mogelijkheden voor je toekomstige carrière.

poster

/ˈpoʊ.stɚ/

(noun) poster, plakkaat

Voorbeeld:

She hung a movie poster on her bedroom wall.
Ze hing een filmposter aan haar slaapkamermuur.

power

/ˈpaʊ.ɚ/

(noun) kracht, vermogen, macht;

(verb) aandrijven, van stroom voorzien

Voorbeeld:

The engine lacks sufficient power to climb the steep hill.
De motor mist voldoende vermogen om de steile heuvel te beklimmen.

predict

/prɪˈdɪkt/

(verb) voorspellen, voorzeggen

Voorbeeld:

It's difficult to predict the outcome of the election.
Het is moeilijk om de uitslag van de verkiezingen te voorspellen.

present

/ˈprez.ənt/

(noun) cadeau, geschenk, heden;

(adjective) aanwezig, huidig;

(verb) presenteren, aanbieden, geven

Voorbeeld:

She received a beautiful present for her birthday.
Ze kreeg een mooi cadeau voor haar verjaardag.

president

/ˈprez.ɪ.dənt/

(noun) president, rector, voorzitter

Voorbeeld:

The President addressed the nation on television.
De President sprak de natie toe op televisie.

prevent

/prɪˈvent/

(verb) voorkomen, verhinderen, beletten

Voorbeeld:

The new policy aims to prevent fraud.
Het nieuwe beleid is gericht op het voorkomen van fraude.

print

/prɪnt/

(verb) printen, afdrukken, schrijven in blokletters;

(noun) afdruk, print, spoor

Voorbeeld:

The company decided to print a new edition of the book.
Het bedrijf besloot een nieuwe editie van het boek te printen.

printer

/ˈprɪn.t̬ɚ/

(noun) printer, drukker

Voorbeeld:

My new printer can print in color.
Mijn nieuwe printer kan in kleur printen.

prison

/ˈprɪz.ən/

(noun) gevangenis, bajes;

(verb) gevangen zetten, opsluiten

Voorbeeld:

He spent ten years in prison for robbery.
Hij bracht tien jaar in de gevangenis door voor diefstal.

prize

/praɪz/

(noun) prijs, beloning, aanwinst;

(verb) waarderen, koesteren

Voorbeeld:

She won the first prize in the art competition.
Ze won de eerste prijs in de kunstwedstrijd.

process

/ˈprɑː.ses/

(noun) proces, gang van zaken, natuurlijk proces;

(verb) verwerken, bewerken, afhandelen

Voorbeeld:

The application process takes about two weeks.
Het aanvraagproces duurt ongeveer twee weken.

produce

/prəˈduːs/

(verb) produceren, vervaardigen, opleveren;

(noun) producten, landbouwproducten

Voorbeeld:

The factory produces cars.
De fabriek produceert auto's.

professional

/prəˈfeʃ.ən.əl/

(adjective) professioneel, beroepsmatig, vakkundig;

(noun) professional, vakman, expert

Voorbeeld:

She sought professional advice from a lawyer.
Ze zocht professioneel advies van een advocaat.

professor

/prəˈfes.ɚ/

(noun) professor, hoogleraar

Voorbeeld:

Professor Smith teaches history at the university.
Professor Smith doceert geschiedenis aan de universiteit.

profile

/ˈproʊ.faɪl/

(noun) profiel, zij-aanzicht, biografie;

(verb) profileren, een profiel opstellen

Voorbeeld:

The artist drew a beautiful profile of her face.
De kunstenaar tekende een prachtig profiel van haar gezicht.

program

/ˈproʊ.ɡræm/

(noun) programma, schema, uitzending;

(verb) programmeren, instellen, plannen

Voorbeeld:

I wrote a simple program to calculate my expenses.
Ik schreef een eenvoudig programma om mijn uitgaven te berekenen.

progress

/ˈprɑː.ɡres/

(noun) vooruitgang, progressie;

(verb) vorderen, vooruitgaan

Voorbeeld:

We are making good progress on the project.
We maken goede vooruitgang met het project.

promise

/ˈprɑː.mɪs/

(noun) belofte, potentieel;

(verb) beloven, voorspellen

Voorbeeld:

He made a promise to help her.
Hij deed een belofte om haar te helpen.

pronounce

/prəˈnaʊns/

(verb) uitspreken, verklaren

Voorbeeld:

How do you pronounce 'Worcestershire'?
Hoe spreek je 'Worcestershire' uit?

protect

/prəˈtekt/

(verb) beschermen, beveiligen

Voorbeeld:

The ozone layer protects us from harmful UV rays.
De ozonlaag beschermt ons tegen schadelijke UV-stralen.

provide

/prəˈvaɪd/

(verb) verschaffen, leveren, voorzien

Voorbeeld:

The hotel provides free Wi-Fi for guests.
Het hotel biedt gratis Wi-Fi voor gasten.

pub

/pʌb/

(noun) pub, kroeg

Voorbeeld:

Let's meet at the pub after work.
Laten we na het werk afspreken in de pub.

public

/ˈpʌb.lɪk/

(adjective) openbaar, publiek;

(noun) het publiek, de gemeenschap

Voorbeeld:

The library is open to the public.
De bibliotheek is open voor het publiek.

publish

/ˈpʌb.lɪʃ/

(verb) publiceren, uitgeven, bekendmaken

Voorbeeld:

The author hopes to publish her first novel next year.
De auteur hoopt volgend jaar haar eerste roman te publiceren.

pull

/pʊl/

(verb) trekken, halen, verwijderen;

(noun) trek, ruk, invloed

Voorbeeld:

She tried to pull the heavy door open.
Ze probeerde de zware deur open te trekken.

purpose

/ˈpɝː.pəs/

(noun) doel, streven, vastberadenheid;

(verb) van plan zijn, beogen

Voorbeeld:

The purpose of the meeting is to discuss the new project.
Het doel van de vergadering is om het nieuwe project te bespreken.

push

/pʊʃ/

(verb) duwen, stoten, zich een weg banen;

(noun) duw, stoot, inspanning

Voorbeeld:

She tried to push the heavy door open.
Ze probeerde de zware deur open te duwen.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland