Vocabulaireverzameling Haarverzorging in Persoonlijke verzorging: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling 'Haarverzorging' in 'Persoonlijke verzorging' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren(verb) föhnen;
(noun) föhnbeurt
Voorbeeld:
(noun) borstel, aanraking, schamp;
(verb) borstelen, vegen, aanraken
Voorbeeld:
(noun) staat, conditie, voorwaarde;
(verb) conditioneren, trainen
Voorbeeld:
(verb) golven, plooien, belemmeren;
(noun) vouw, golf, beperking
Voorbeeld:
(noun) gewas, oogst, kort kapsel;
(verb) snoeien, verbouwen, knippen
Voorbeeld:
(verb) krullen, opkrullen;
(noun) krul
Voorbeeld:
(verb) ontluizen
Voorbeeld:
(noun) verf, kleurstof;
(verb) verven, kleuren
Voorbeeld:
(verb) repareren, herstellen, bevestigen;
(noun) oplossing, reparatie, dosis
Voorbeeld:
(noun) kapsel, haarsnit, knipbeurt
Voorbeeld:
(noun) styling, vormgeving;
(verb) stylen, vormgeven
Voorbeeld:
(verb) opmaken, zich mooi maken, zich optutten
Voorbeeld:
(verb) zetten, leggen, plaatsen;
(noun) set, reeks, stand;
(adjective) vastgesteld, vast
Voorbeeld:
(verb) knippen, snoeien, trimmen;
(noun) bies, sierrand, versiering;
(adjective) netjes, verzorgd, strak
Voorbeeld:
(noun) verzorging, toilettage, voorbereiding
Voorbeeld:
(noun) kapsel, haardracht
Voorbeeld:
(verb) touperen
Voorbeeld:
(verb) ontwarren, ontknopen, oplossen
Voorbeeld:
(noun) kapsel, haardracht;
(verb) kapselen, friseren
Voorbeeld:
(verb) snijden, knippen, hakken;
(noun) snede, knippen, coupe;
(adjective) gesneden, geknipt
Voorbeeld:
(noun) vlecht;
(verb) vlechten
Voorbeeld:
(noun) kam;
(verb) kammen, doorzoeken, uitkammen
Voorbeeld:
(noun) gel;
(verb) geleren, stollen, uitpakken
Voorbeeld:
(verb) benadrukken, markeren, accentueren;
(noun) hoogtepunt, topmoment
Voorbeeld:
(noun) laag;
(verb) in lagen leggen, stapelen
Voorbeeld:
(noun) deel, stuk, rol;
(verb) scheiden, uiteengaan;
(adverb) deels, gedeeltelijk
Voorbeeld:
(noun) permanent;
(verb) permanenten
Voorbeeld:
(noun) vlecht;
(verb) vlechten
Voorbeeld:
(noun) shampoo;
(verb) wassen met shampoo, shampooën
Voorbeeld:
(phrasal verb) gladstrijken, plat maken
Voorbeeld:
(adjective) glad, glimmend, gelikt;
(noun) olievlek, gladde plek;
(verb) glad maken, glimmend maken
Voorbeeld:
(noun) streep, spoor, reeks;
(verb) schieten, razen, strepen
Voorbeeld:
(verb) plagen, tergen, touperen;
(noun) plaaggeest, terger
Voorbeeld:
(noun) tint, kleurschakering, haarkleuring;
(verb) tinten, kleuren
Voorbeeld:
(verb) woelen, verward maken
Voorbeeld:
(verb) ontspannen, tot rust komen, versoepelen
Voorbeeld:
(noun) mousse, haarmousse, scheermousse;
(verb) mousseren
Voorbeeld:
(verb) vegen, buigen, bestrijken;
(noun) veeg, veegbeurt, bocht
Voorbeeld:
(verb) verfrommelen, kreukelen, knarsen;
(noun) gekraak, geknars
Voorbeeld:
(noun) henna;
(verb) henna aanbrengen, verven met henna
Voorbeeld:
(noun) pomade;
(verb) pomaderen, haar invetten
Voorbeeld:
(noun) bruidegom, paardenverzorger, staljongen;
(verb) verzorgen, poetsen, voorbereiden
Voorbeeld: