Vocabulaireverzameling Algemene Werkwoorden Gerelateerd aan Letsel in Gezondheid: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling 'Algemene Werkwoorden Gerelateerd aan Letsel' in 'Gezondheid' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren(noun) knal, slag, klap;
(verb) slaan, botsen;
(adverb) precies, recht
Voorbeeld:
(verb) bloeden, ontluchten, aftappen;
(noun) bloeding
Voorbeeld:
(verb) ondersteunen, steunen, handhaven
Voorbeeld:
(noun) wond, blessure, kwetsing;
(verb) verwonden, kwetsen, pijn doen
Voorbeeld:
(verb) snijden, knippen, hakken;
(noun) snede, knippen, coupe;
(adjective) gesneden, geknipt
Voorbeeld:
(verb) branden, verbranden, verbruiken;
(noun) brandwond, verbranding
Voorbeeld:
(verb) breken, stukmaken, onderbreken;
(noun) pauze, onderbreking, uitbraak
Voorbeeld:
(noun) blauwe plek, kneuzing;
(verb) kneuzen, blauwe plekken veroorzaken, kwetsen
Voorbeeld:
(noun) kramp, stijfheid, beek;
(verb) verkrampen, verrekken
Voorbeeld:
(noun) kreupele, invalide;
(verb) kreupel maken, verlammen
Voorbeeld:
(verb) verpletteren, verbrijzelen, onderdrukken;
(noun) crush, verliefdheid, menigte
Voorbeeld:
(verb) verzwakken, ondermijnen
Voorbeeld:
(verb) ontwrichten, luxeren, verstoren
Voorbeeld:
(verb) grazen, schampen, raken;
(noun) schaafwond, schram
Voorbeeld:
(verb) ongeschikt maken, buiten gevecht stellen, lamleggen
Voorbeeld:
(noun) jam, opstopping, file;
(verb) proppen, vastzetten, jammen
Voorbeeld:
(verb) verscheuren, scheuren, kwetsen
Voorbeeld:
(verb) verminken, kreupel maken
Voorbeeld:
(verb) verminken, verwrongen, beschadigen;
(noun) wringer, mangel
Voorbeeld:
(verb) verminken, mutileren, beschadigen
Voorbeeld:
(verb) verlammen, lamleggen
Voorbeeld:
(verb) scheuren, verscheuren, een gat maken;
(noun) traan
Voorbeeld:
(verb) vertrappen, verpletteren, negeren;
(noun) getrappel, verplettering
Voorbeeld:
(verb) draaien, vervormen, kronkelen;
(noun) draai, kronkel, wending
Voorbeeld:
(noun) moersleutel, steeksleutel, ruk;
(verb) rukken, verrekken, wringen
Voorbeeld:
(noun) stoot, bult;
(verb) botsen, stoten
Voorbeeld:
(verb) een hersenschudding veroorzaken, schudden
Voorbeeld:
(noun) breuk, scheur, scheiding;
(verb) breken, scheuren, splijten
Voorbeeld:
(verb) strompelen, mank lopen, boeien;
(noun) boeisel, beenband
Voorbeeld:
(noun) scheur, breuk, scheuring;
(verb) scheuren, breken
Voorbeeld:
(noun) korst, stakingbreker, onderkruiper;
(verb) korsten, een korst vormen, onderkruipen
Voorbeeld:
(verb) verbranden, schroeien, verhitten;
(noun) brandwond, verbranding
Voorbeeld:
(noun) kras, schram, start;
(verb) krassen, schrammen, krabben
Voorbeeld:
(noun) angel, steek, prik;
(verb) steken, prikken, branden
Voorbeeld:
(noun) litteken, trauma;
(verb) verminken, littekens achterlaten, traumatiseren
Voorbeeld:
(verb) schrapen, krabben, schaven;
(noun) schraap, schaafwond, kraak
Voorbeeld:
(verb) verstuiken;
(noun) verstuiking
Voorbeeld:
(verb) steken, prikken;
(noun) steek, prik
Voorbeeld: