Vocabulaireverzameling Onderdelen van kleding in Kleding en Mode: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling 'Onderdelen van kleding' in 'Kleding en Mode' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren(noun) strik, lus, boog;
(verb) buigen, neigen, krommen
Voorbeeld:
(noun) gesp;
(verb) gespen, vastmaken, knikken
Voorbeeld:
(noun) knoop, knop;
(verb) knopen, dichtknopen, op een knop drukken
Voorbeeld:
(noun) kraag, halsband;
(verb) arresteren, pakken
Voorbeeld:
(noun) rits;
(verb) ritsen, dichtritsen, openritsen
Voorbeeld:
(noun) manchet, opslag, klap;
(verb) slaan, boeien
Voorbeeld:
(noun) sluiting, bevestigingsmiddel, verbindingselement
Voorbeeld:
(verb) vliegen, schieten, voorbijvliegen;
(noun) vlieg, gulp
Voorbeeld:
(noun) zoom, rand;
(verb) zomen, omzomen, insluiten;
(interjection) uhm, keelschraap
Voorbeeld:
(noun) capuchon, motorkap, buurt
Voorbeeld:
(noun) knie;
(verb) knielen, met de knie slaan
Voorbeeld:
(noun) been, poot, etappe;
(verb) lopen, rennen
Voorbeeld:
(noun) voering, bekleding, vlies
Voorbeeld:
(noun) nek, hals, kraag;
(verb) zoenen, tongzoenen
Voorbeeld:
(noun) zak, enclave, gebied;
(verb) in zijn zak steken, op zak steken
Voorbeeld:
(noun) schouder, vluchtstrook, berm;
(verb) schouderen, dragen
Voorbeeld:
(noun) mouw, hoes, omhulsel
Voorbeeld:
(noun) schoudervulling
Voorbeeld:
(noun) band, riem;
(verb) vastmaken, gespen
Voorbeeld:
(noun) schakelaar, wisseltoets;
(verb) omschakelen, wisselen
Voorbeeld:
(noun) schoenveter
Voorbeeld:
(noun) tong, taal;
(verb) likken
Voorbeeld:
(noun) hiel, hak, hiel (van sok);
(verb) hellen, volgen
Voorbeeld:
(noun) sluiting, gesp, greep;
(verb) vastgrijpen, klemmen, vastmaken
Voorbeeld:
(noun) voetzool, zool, tong;
(adjective) enig, alleen;
(verb) verzolen
Voorbeeld:
(noun) kroon, Kroon, monarchie;
(verb) kronen, bekronen, toppen
Voorbeeld:
(noun) teen, neus, teen (van sok);
(verb) tikken met de teen, aanraken met de teen
Voorbeeld:
(noun) paillet, lovertje;
(verb) pailletteren, met pailletten versieren
Voorbeeld:
(noun) knoopsgat, knoopsgatbloem, corsage;
(verb) onderscheppen, aanhouden
Voorbeeld:
(noun) armgat
Voorbeeld:
(noun) lijfje
Voorbeeld:
(adjective) haperig, zwak, onbetrouwbaar;
(noun) klapstoel, noodzitje
Voorbeeld:
(noun) epaulet
Voorbeeld:
(verb) stormen, wegstormen;
(noun) ruche, strook
Voorbeeld:
(noun) inzetstuk, kruisstuk;
(verb) voorzien van een inzetstuk, een inzetstuk toevoegen
Voorbeeld:
(noun) zoomlijn, rokzoom
Voorbeeld:
(noun) revers
Voorbeeld:
(noun) halslijn
Voorbeeld:
(noun) opgestikte zak
Voorbeeld:
(noun) trein, sleep;
(verb) trainen, opleiden, oefenen
Voorbeeld:
(noun) halster, haltertop, halterhals;
(verb) halsteren
Voorbeeld:
(noun) taille, middel, taillelijn
Voorbeeld:
(noun) juk, verbinding, band;
(verb) jukken, spannen, verbinden
Voorbeeld:
(noun) peplum, schootje
Voorbeeld: