Avatar of Vocabulary Set Onderdelen van kleding

Vocabulaireverzameling Onderdelen van kleding in Kleding en Mode: Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'Onderdelen van kleding' in 'Kleding en Mode' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

bow

/baʊ/

(noun) strik, lus, boog;

(verb) buigen, neigen, krommen

Voorbeeld:

She tied her hair back with a pretty pink bow.
Ze bond haar haar vast met een mooie roze strik.

buckle

/ˈbʌk.əl/

(noun) gesp;

(verb) gespen, vastmaken, knikken

Voorbeeld:

He fastened the buckle of his belt.
Hij maakte de gesp van zijn riem vast.

button

/ˈbʌt̬.ən/

(noun) knoop, knop;

(verb) knopen, dichtknopen, op een knop drukken

Voorbeeld:

She sewed a new button on her coat.
Ze naaide een nieuwe knoop op haar jas.

collar

/ˈkɑː.lɚ/

(noun) kraag, halsband;

(verb) arresteren, pakken

Voorbeeld:

He adjusted the collar of his shirt.
Hij verstelde de kraag van zijn overhemd.

zipper

/ˈzɪp.ɚ/

(noun) rits;

(verb) ritsen, dichtritsen, openritsen

Voorbeeld:

Can you help me close the zipper on my dress?
Kun je me helpen de rits van mijn jurk te sluiten?

cuff

/kʌf/

(noun) manchet, opslag, klap;

(verb) slaan, boeien

Voorbeeld:

He rolled up the cuffs of his shirt.
Hij rolde de manchetten van zijn overhemd op.

fastener

/ˈfæs.ən.ɚ/

(noun) sluiting, bevestigingsmiddel, verbindingselement

Voorbeeld:

The zipper is a common fastener on clothing.
De rits is een veelvoorkomende sluiting op kleding.

fly

/flaɪ/

(verb) vliegen, schieten, voorbijvliegen;

(noun) vlieg, gulp

Voorbeeld:

Birds fly south for the winter.
Vogels vliegen naar het zuiden voor de winter.

hem

/hem/

(noun) zoom, rand;

(verb) zomen, omzomen, insluiten;

(interjection) uhm, keelschraap

Voorbeeld:

She sewed a new hem on her skirt.
Ze naaide een nieuwe zoom aan haar rok.

hood

/hʊd/

(noun) capuchon, motorkap, buurt

Voorbeeld:

She pulled her hood up to protect herself from the rain.
Ze trok haar capuchon op om zich tegen de regen te beschermen.

knee

/niː/

(noun) knie;

(verb) knielen, met de knie slaan

Voorbeeld:

He fell and scraped his knee.
Hij viel en schaafde zijn knie.

leg

/leɡ/

(noun) been, poot, etappe;

(verb) lopen, rennen

Voorbeeld:

She broke her leg playing soccer.
Ze brak haar been tijdens het voetballen.

lining

/ˈlaɪ.nɪŋ/

(noun) voering, bekleding, vlies

Voorbeeld:

The coat has a silk lining.
De jas heeft een zijden voering.

neck

/nek/

(noun) nek, hals, kraag;

(verb) zoenen, tongzoenen

Voorbeeld:

She wore a beautiful necklace around her neck.
Ze droeg een prachtige ketting om haar nek.

pocket

/ˈpɑː.kɪt/

(noun) zak, enclave, gebied;

(verb) in zijn zak steken, op zak steken

Voorbeeld:

He put his keys in his pocket.
Hij stopte zijn sleutels in zijn zak.

shoulder

/ˈʃoʊl.dɚ/

(noun) schouder, vluchtstrook, berm;

(verb) schouderen, dragen

Voorbeeld:

He carried the bag on his shoulder.
Hij droeg de tas op zijn schouder.

sleeve

/sliːv/

(noun) mouw, hoes, omhulsel

Voorbeeld:

He rolled up his sleeves and got to work.
Hij stroopte zijn mouwen op en ging aan het werk.

shoulder pad

/ˈʃoʊl.dər ˌpæd/

(noun) schoudervulling

Voorbeeld:

The blazer had large shoulder pads, typical of 1980s fashion.
De blazer had grote schoudervullingen, typisch voor de mode van de jaren 80.

strap

/stræp/

(noun) band, riem;

(verb) vastmaken, gespen

Voorbeeld:

He adjusted the strap of his backpack.
Hij verstelde de band van zijn rugzak.

toggle

/ˈtɑː.ɡəl/

(noun) schakelaar, wisseltoets;

(verb) omschakelen, wisselen

Voorbeeld:

Press the toggle switch to turn on the light.
Druk op de schakelaar om het licht aan te doen.

shoelace

/ˈʃuː.leɪs/

(noun) schoenveter

Voorbeeld:

My shoelace came undone while I was running.
Mijn schoenveter ging los terwijl ik aan het rennen was.

tongue

/tʌŋ/

(noun) tong, taal;

(verb) likken

Voorbeeld:

She bit her tongue while eating.
Ze beet op haar tong tijdens het eten.

heel

/hiːl/

(noun) hiel, hak, hiel (van sok);

(verb) hellen, volgen

Voorbeeld:

She wore shoes with high heels.
Ze droeg schoenen met hoge hakken.

clasp

/klæsp/

(noun) sluiting, gesp, greep;

(verb) vastgrijpen, klemmen, vastmaken

Voorbeeld:

She fastened the necklace with a delicate gold clasp.
Ze maakte de ketting vast met een delicate gouden sluiting.

sole

/soʊl/

(noun) voetzool, zool, tong;

(adjective) enig, alleen;

(verb) verzolen

Voorbeeld:

He had a blister on the sole of his foot.
Hij had een blaar op de voetzool.

crown

/kraʊn/

(noun) kroon, Kroon, monarchie;

(verb) kronen, bekronen, toppen

Voorbeeld:

The queen wore a magnificent crown during the ceremony.
De koningin droeg een prachtige kroon tijdens de ceremonie.

toe

/toʊ/

(noun) teen, neus, teen (van sok);

(verb) tikken met de teen, aanraken met de teen

Voorbeeld:

She stubbed her toe on the table leg.
Ze stootte haar teen tegen de tafelpoot.

sequin

/ˈsiː.kwɪn/

(noun) paillet, lovertje;

(verb) pailletteren, met pailletten versieren

Voorbeeld:

Her dress was covered in sparkling sequins.
Haar jurk was bedekt met sprankelende pailletten.

buttonhole

/ˈbʌt̬.ən.hoʊl/

(noun) knoopsgat, knoopsgatbloem, corsage;

(verb) onderscheppen, aanhouden

Voorbeeld:

She sewed a new buttonhole on the coat.
Ze naaide een nieuw knoopsgat op de jas.

armhole

/ˈɑːrm.hoʊl/

(noun) armgat

Voorbeeld:

The tailor adjusted the armhole of the jacket to fit better.
De kleermaker paste het armgat van het jasje aan voor een betere pasvorm.

bodice

/ˈbɑː.dɪs/

(noun) lijfje

Voorbeeld:

The dress had a fitted bodice and a flowing skirt.
De jurk had een getailleerd lijfje en een zwierige rok.

dicky

/ˈdɪk.i/

(adjective) haperig, zwak, onbetrouwbaar;

(noun) klapstoel, noodzitje

Voorbeeld:

My car engine is a bit dicky.
Mijn automotor is een beetje haperig.

epaulette

/ˌep.əˈlet/

(noun) epaulet

Voorbeeld:

The general's uniform was adorned with gold epaulettes.
Het uniform van de generaal was versierd met gouden epauletten.

flounce

/flaʊns/

(verb) stormen, wegstormen;

(noun) ruche, strook

Voorbeeld:

She flounced out of the room, slamming the door behind her.
Ze stormde de kamer uit en sloeg de deur achter zich dicht.

gusset

/ˈɡʌs.ɪt/

(noun) inzetstuk, kruisstuk;

(verb) voorzien van een inzetstuk, een inzetstuk toevoegen

Voorbeeld:

The tailor added a gusset to the sleeve for more movement.
De kleermaker voegde een inzetstuk toe aan de mouw voor meer bewegingsvrijheid.

hemline

/ˈhem.laɪn/

(noun) zoomlijn, rokzoom

Voorbeeld:

The designer decided to raise the hemline for the new collection.
De ontwerper besloot de zoomlijn te verhogen voor de nieuwe collectie.

lapel

/ləˈpel/

(noun) revers

Voorbeeld:

He wore a suit with wide lapels.
Hij droeg een pak met brede revers.

neckline

/ˈnek.laɪn/

(noun) halslijn

Voorbeeld:

The dress had a beautiful V-neckline.
De jurk had een prachtige V-halslijn.

patch pocket

/ˈpætʃ ˌpɑː.kɪt/

(noun) opgestikte zak

Voorbeeld:

The jacket has two large patch pockets on the front.
De jas heeft twee grote opgestikte zakken aan de voorkant.

train

/treɪn/

(noun) trein, sleep;

(verb) trainen, opleiden, oefenen

Voorbeeld:

The train arrived at the station on time.
De trein arriveerde op tijd op het station.

halter

/ˈhɑːl.t̬ɚ/

(noun) halster, haltertop, halterhals;

(verb) halsteren

Voorbeeld:

She put the halter on the horse before leading it to the stable.
Ze deed het halster om het paard voordat ze het naar de stal leidde.

waistline

/ˈweɪst.laɪn/

(noun) taille, middel, taillelijn

Voorbeeld:

She measured her waistline to see if her diet was working.
Ze mat haar taille om te zien of haar dieet werkte.

yoke

/joʊk/

(noun) juk, verbinding, band;

(verb) jukken, spannen, verbinden

Voorbeeld:

The farmer put the yoke on the oxen.
De boer legde het juk op de ossen.

peplum

/ˈpep.ləm/

(noun) peplum, schootje

Voorbeeld:

The dress featured a delicate lace bodice and a flowing peplum.
De jurk had een delicaat kanten lijfje en een zwierige peplum.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland