Vocabulaireverzameling In het Theater en de Bioscoop in Bioscoop en Theater: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling 'In het Theater en de Bioscoop' in 'Bioscoop en Theater' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren(noun) gangpad, pad
Voorbeeld:
(noun) auditorium, aula, zaal
Voorbeeld:
(noun) achterdoek, decorstuk, achtergrond
Voorbeeld:
(noun) achterdoek, decor, achtergrond
Voorbeeld:
(adverb) achter het podium, achter de schermen, vertrouwelijk;
(noun) achter het podium, backstage;
(adjective) achter het podium, backstage
Voorbeeld:
(noun) balkon, galerij
Voorbeeld:
(noun) rekening, factuur, wetsvoorstel;
(verb) factureren, rekening sturen, aankondigen
Voorbeeld:
(noun) cirkel, kring, groep;
(verb) cirkelen, rondgaan, omcirkelen
Voorbeeld:
(noun) gordijn, barrière, scherm;
(verb) voorzien van gordijnen, afschermen
Voorbeeld:
(adverb) naar het voortoneel, op het voortoneel;
(adjective) voortoneel, aan de voorkant van het toneel
Voorbeeld:
(noun) kleedkamer, paskamer
Voorbeeld:
(noun) valdoek, toneelgordijn
Voorbeeld:
(noun) entr'acte, tussenspel, tussenstuk
Voorbeeld:
(noun) vlooienbak, krot
Voorbeeld:
(noun) foyer, hal, entree
Voorbeeld:
(noun) galerie, kunstgalerie, galerij
Voorbeeld:
(noun) gangpad, doorgang, loopplank;
(exclamation) gangpad vrij, ruimte maken
Voorbeeld:
(noun) green room, artiestenruimte
Voorbeeld:
(noun) huis, gebouw;
(verb) huisvesten, onderbrengen
Voorbeeld:
(noun) mezzanine, tussenverdieping
Voorbeeld:
(noun) orkest, orkestbak, orkestruimte
Voorbeeld:
(noun) ovatie, applaus
Voorbeeld:
(noun) programma, theaterprogramma
Voorbeeld:
(noun) stut, steun, prop;
(verb) stutten, ondersteunen, schoren
Voorbeeld:
(noun) proscenium, toneelopening
Voorbeeld:
(noun) veiligheidsgordijn, brandgordijn
Voorbeeld:
(noun) landschap, natuur, decor
Voorbeeld:
(verb) zetten, leggen, plaatsen;
(noun) set, reeks, stand;
(adjective) vastgesteld, vast
Voorbeeld:
(noun) podium, toneel, fase;
(verb) opvoeren, organiseren
Voorbeeld:
(noun) artiesteningang, achterdeur van het theater
Voorbeeld:
(noun) toneel links;
(adverb) toneel links
Voorbeeld:
(noun) toneel rechts;
(adverb) naar toneel rechts
Voorbeeld:
(noun) bovenste cirkel, balkon
Voorbeeld:
(adverb) achter op het podium, naar achteren op het podium;
(verb) overtreffen, de aandacht afleiden van
Voorbeeld:
(noun) kledingkast, garderobekast, garderobe
Voorbeeld:
(noun) windmachine
Voorbeeld:
(noun) kassa, kaartverkoop, kassucces
Voorbeeld:
(noun) vleugel, gedeelte, factie;
(verb) voorzien van vleugels, in de vleugel raken, improviseren
Voorbeeld:
(noun) amfitheater, natuurlijk amfitheater, komvormig dal
Voorbeeld:
(noun) catwalk, loopbrug, onderhoudsbrug
Voorbeeld:
(noun) gel;
(verb) geleren, stollen, uitpakken
Voorbeeld:
(noun) partytent, feesttent, luifel;
(adjective) belangrijk, prominent, top
Voorbeeld:
(noun) boventitel
Voorbeeld:
(noun) schort, platform, vliegtuigopstelplaats
Voorbeeld:
(noun) boxset, verzamelbox
Voorbeeld:
(adjective) vlak, plat, dun;
(noun) appartement, flat;
(adverb) plat, horizontaal
Voorbeeld: