Vocabulaireverzameling Literaire termen in Essentiële SAT-woordenschat voor het examen: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling 'Literaire termen' in 'Essentiële SAT-woordenschat voor het examen' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren(adjective) onderlegd, bekwaam, ervaren
Voorbeeld:
(adjective) onverschrokken, dapper, onbevreesd
Voorbeeld:
(noun) onbezonnenheid, vrijpostigheid
Voorbeeld:
(adjective) onpartijdig, rechtvaardig
Voorbeeld:
(adjective) vervloekt, verdoemd, verdomd
Voorbeeld:
(adjective) vermoeiend, lastig, moeilijk
Voorbeeld:
(adjective) vermoeiend, zwaar, belastend;
(verb) belasten, op de proef stellen
Voorbeeld:
(noun) gewaad, kledij;
(verb) kleden, uitdossen
Voorbeeld:
(noun) bevel, opdracht, volgorde;
(verb) bevelen, opdragen, bestellen
Voorbeeld:
(noun) groepje, pol, klont;
(verb) samenklonteren, groeperen, klossen
Voorbeeld:
(noun) feestmaal, banket, feestdag;
(verb) feesten, banketteren, traktatie geven
Voorbeeld:
(noun) borstelhaar, stekel;
(verb) borstelen, overeind staan, geïrriteerd reageren
Voorbeeld:
(adjective) diverse, verschillende;
(plural noun) diversen, kleinigheden
Voorbeeld:
(noun) vleugje, beetje, tikkeltje
Voorbeeld:
(verb) bijwonen, volgen, zorgen voor
Voorbeeld:
(noun) pad, spoor, sporen;
(verb) volgen, sporen, slepen
Voorbeeld:
(noun) drinker, innemer
Voorbeeld:
(noun) melancholie, somberheid, zwaarmoedigheid;
(adjective) melancholisch, somber, zwaarmoedig
Voorbeeld:
(adjective) vreemd, raar, queer;
(noun) queer, lhbtiq+ persoon;
(verb) verpesten, ruïneren
Voorbeeld:
(adjective) oud, muf, saai;
(verb) oud worden, muf worden
Voorbeeld:
(adjective) gekunsteld, stijf, op palen
Voorbeeld:
(noun) boezem, borst, hart
Voorbeeld:
(noun) boeg, voorsteven
Voorbeeld:
(verb) beschamen, verlegen maken
Voorbeeld:
(verb) oogluikend toelaten, samenspannen
Voorbeeld:
(verb) ploeteren, struikelen, worstelen;
(noun) bot, schol
Voorbeeld:
(noun) menigte, massa, drom;
(verb) zich verdringen, samenstromen, overspoelen
Voorbeeld:
(verb) doorzoeken, plunderen
Voorbeeld:
(verb) aarzelen, bezwaar maken;
(noun) bezwaar, aarzeling
Voorbeeld:
(verb) aanklampen, benaderen
Voorbeeld:
(noun) wanhoop, moedeloosheid, neerslachtigheid
Voorbeeld:
(adjective) afkeurend, deprecatoir, geringschattend
Voorbeeld:
(adjective) licht, gering, klein;
(verb) negeren, minachten, beledigen;
(noun) belediging, minachting, veronachtzaming
Voorbeeld:
(noun) brandstapel
Voorbeeld:
(noun) vrolijkheid, vreugde, blijdschap
Voorbeeld:
(verb) neuriën, zacht zingen;
(noun) gezang, geneurie
Voorbeeld:
(verb) afwachten, wachten op
Voorbeeld:
(adverb) lusteloos, mat
Voorbeeld:
(adjective) statig, majestueus, waardig
Voorbeeld:
(verb) zich begeven, gaan
Voorbeeld:
(verb) kwijnen, wegkwijnen, verslappen
Voorbeeld:
(verb) ineenkrimpen, terugdeinzen;
(noun) ineenkrimping, terugdeinzing
Voorbeeld:
(noun) storm, orkaan, commotie
Voorbeeld:
(noun) spoor, teken, rest;
(verb) traceren, achterhalen, opsporen
Voorbeeld:
(adjective) bedorven, verpest, verwend
Voorbeeld:
(noun) waaghals, durfal;
(adjective) waaghalzig, onverschrokken
Voorbeeld:
(noun) prieel, loofhut
Voorbeeld:
(verb) isoleren, afzonderen, beslag leggen op
Voorbeeld:
(adverb) laaghartig, gemeen
Voorbeeld:
(verb) vrijspreken, kwijtschelden, zich kwijten van
Voorbeeld:
(verb) verlaten, vertrekken, laten;
(noun) verlof, vrij, toestemming
Voorbeeld:
(verb) apostrofere, toespreken, van een apostrof voorzien
Voorbeeld:
(verb) zwijmelen, in zwijm vallen, flauwvallen;
(noun) zwijm, flauwte
Voorbeeld:
(noun) krans
Voorbeeld:
(noun) plaag, plantenziekte;
(verb) verpesten, aantasten
Voorbeeld:
(adjective) streng, rigoureus, nauwgezet
Voorbeeld:
(noun) stoppels, stoppelveld, stoppelbaard
Voorbeeld:
(noun) pathos, aandoenlijkheid
Voorbeeld:
(adverb) spoedig, weldra
Voorbeeld:
(noun) bouwwerk, gebouw, structuur
Voorbeeld:
(verb) doen blijken, betuigen, manifesteren
Voorbeeld:
(noun) schijn, uiterlijk
Voorbeeld:
(adverb) onverstandig, onberaden
Voorbeeld:
(adjective) gekleed, gehuld
Voorbeeld:
(noun) taverne, herberg
Voorbeeld:
(verb) ontkennen, tegenspreken, bestrijden
Voorbeeld: