Vocabulaireverzameling A1 - Letter W in Oxford 3000 - A1: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling 'A1 - Letter W' in 'Oxford 3000 - A1' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren(verb) wachten, klaarstaan;
(noun) wachttijd, wacht
Voorbeeld:
(noun) ober, kelner
Voorbeeld:
(verb) wakker worden, wekken, kielzog;
(noun) wake, rouwplechtigheid, kielzog
Voorbeeld:
(verb) lopen, wandelen, uitlaten;
(noun) wandeling, loopafstand
Voorbeeld:
(noun) muur, wand;
(verb) ommuuren, afsluiten met een muur
Voorbeeld:
(verb) willen, behoeven, ontbreken;
(noun) gebrek, behoefte
Voorbeeld:
(adjective) warm, hartelijk;
(verb) opwarmen, verwarmen;
(adverb) warm, hartelijk
Voorbeeld:
(verb) wassen, reinigen, wasbaar zijn;
(noun) wasbeurt, wassen, laag
Voorbeeld:
(verb) kijken, observeren, opletten;
(noun) horloge, wacht, bewaking
Voorbeeld:
(noun) water;
(verb) wateren, begieten
Voorbeeld:
(noun) manier, wijze, weg;
(adverb) veel, erg
Voorbeeld:
(verb) dragen, slijten, verslijten;
(noun) slijtage, gebruik, kleding
Voorbeeld:
(noun) weer;
(verb) verweren, aantasten, doorstaan
Voorbeeld:
(noun) website
Voorbeeld:
(noun) woensdag
Voorbeeld:
(noun) week, werkweek
Voorbeeld:
(noun) weekend
Voorbeeld:
(verb) verwelkomen, begroeten;
(exclamation) welkom;
(adjective) welkom, aangenaam;
(noun) welkom, ontvangst
Voorbeeld:
(adverb) goed, ruim;
(adjective) goed, gezond;
(interjection) nou, wel;
(noun) put, bron;
(verb) opwellen, stromen
Voorbeeld:
(noun) westen, het Westen;
(adjective) westelijk;
(adverb) westwaarts
Voorbeeld:
(pronoun) wat, welke;
(determiner) wat, welke;
(adverb) wat;
(interjection) wat
Voorbeeld:
(adverb) wanneer, toen;
(noun) wanneer, tijdstip;
(conjunction) dat, toen
Voorbeeld:
(adverb) waar, waarheen, waarop;
(conjunction) waar, de plaats waar;
(noun) verblijfplaats, locatie
Voorbeeld:
(determiner) welke, wat voor;
(pronoun) welke, wat, die
Voorbeeld:
(adjective) wit, blank;
(noun) wit, de kleur wit, blanken;
(verb) witten, bleken
Voorbeeld:
(adverb) waarom;
(noun) reden, oorzaak;
(interjection) nou, ach
Voorbeeld:
(noun) vrouw, echtgenote
Voorbeeld:
(modal verb) zullen, willen, van plan zijn;
(noun) wil, wilskracht, testament;
(verb) vermaken, nalaten
Voorbeeld:
(verb) winnen, verkrijgen;
(noun) overwinning, winst
Voorbeeld:
(noun) raam, venster, tijdvenster;
(verb) van ramen voorzien, ramen plaatsen
Voorbeeld:
(noun) wijn;
(verb) wijn drinken, verwennen
Voorbeeld:
(noun) winter;
(verb) overwinteren
Voorbeeld:
(preposition) met;
(adverb) mee, erbij
Voorbeeld:
(preposition) zonder;
(adverb) buiten
Voorbeeld:
(noun) vrouw
Voorbeeld:
(adjective) geweldig, prachtig, fantastisch
Voorbeeld:
(noun) woord, bericht, sein;
(verb) formuleren, onder woorden brengen
Voorbeeld:
(noun) werk, arbeid, taak;
(verb) werken, arbeiden, functioneren
Voorbeeld:
(noun) werker, arbeider, werkster (insect)
Voorbeeld:
(noun) wereld, gebied
Voorbeeld:
(modal verb) zou
Voorbeeld:
(verb) schrijven, componeren, noteren
Voorbeeld:
(noun) schrijver, auteur
Voorbeeld:
(noun) schrijven, handschrift, geschrift;
(verb) schrijvend, aan het schrijven
Voorbeeld:
(adjective) fout, verkeerd, onjuist;
(adverb) verkeerd, fout;
(noun) fout, onrecht;
(verb) onrecht aandoen, benadelen
Voorbeeld: