Avatar of Vocabulary Set A1 - Letter W

Vocabulaireverzameling A1 - Letter W in Oxford 3000 - A1: Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'A1 - Letter W' in 'Oxford 3000 - A1' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

wait

/weɪt/

(verb) wachten, klaarstaan;

(noun) wachttijd, wacht

Voorbeeld:

I'll wait for you at the corner.
Ik zal op je wachten op de hoek.

waiter

/ˈweɪ.t̬ɚ/

(noun) ober, kelner

Voorbeeld:

The waiter brought us the menu.
De ober bracht ons de menukaart.

wake

/weɪk/

(verb) wakker worden, wekken, kielzog;

(noun) wake, rouwplechtigheid, kielzog

Voorbeeld:

I usually wake up at 7 AM.
Ik word meestal om 7 uur 's ochtends wakker.

walk

/wɑːk/

(verb) lopen, wandelen, uitlaten;

(noun) wandeling, loopafstand

Voorbeeld:

She likes to walk in the park every morning.
Ze houdt ervan om elke ochtend in het park te wandelen.

wall

/wɑːl/

(noun) muur, wand;

(verb) ommuuren, afsluiten met een muur

Voorbeeld:

The garden is surrounded by a high brick wall.
De tuin is omgeven door een hoge bakstenen muur.

want

/wɑːnt/

(verb) willen, behoeven, ontbreken;

(noun) gebrek, behoefte

Voorbeeld:

I want a new car.
Ik wil een nieuwe auto.

warm

/wɔːrm/

(adjective) warm, hartelijk;

(verb) opwarmen, verwarmen;

(adverb) warm, hartelijk

Voorbeeld:

The sun felt warm on my skin.
De zon voelde warm op mijn huid.

wash

/wɑːʃ/

(verb) wassen, reinigen, wasbaar zijn;

(noun) wasbeurt, wassen, laag

Voorbeeld:

Please wash your hands before dinner.
Gelieve uw handen te wassen voor het avondeten.

watch

/wɑːtʃ/

(verb) kijken, observeren, opletten;

(noun) horloge, wacht, bewaking

Voorbeeld:

I like to watch movies on weekends.
Ik kijk graag films in het weekend.

water

/ˈwɑː.t̬ɚ/

(noun) water;

(verb) wateren, begieten

Voorbeeld:

Please give me a glass of water.
Geef me alsjeblieft een glas water.

way

/weɪ/

(noun) manier, wijze, weg;

(adverb) veel, erg

Voorbeeld:

There are many ways to solve this problem.
Er zijn veel manieren om dit probleem op te lossen.

we

/wiː/

(pronoun) wij, we

Voorbeeld:

We are going to the park.
Wij gaan naar het park.

wear

/wer/

(verb) dragen, slijten, verslijten;

(noun) slijtage, gebruik, kleding

Voorbeeld:

She likes to wear bright colors.
Ze draagt graag felle kleuren.

weather

/ˈweð.ɚ/

(noun) weer;

(verb) verweren, aantasten, doorstaan

Voorbeeld:

The weather is beautiful today.
Het weer is prachtig vandaag.

website

/ˈweb.saɪt/

(noun) website

Voorbeeld:

I found the information on their official website.
Ik vond de informatie op hun officiële website.

wednesday

/ˈwenz.deɪ/

(noun) woensdag

Voorbeeld:

I have a meeting on Wednesday morning.
Ik heb een vergadering op woensdagochtend.

week

/wiːk/

(noun) week, werkweek

Voorbeeld:

There are seven days in a week.
Er zijn zeven dagen in een week.

weekend

/ˈwiːk.end/

(noun) weekend

Voorbeeld:

I'm looking forward to the weekend.
Ik kijk uit naar het weekend.

welcome

/ˈwel.kəm/

(verb) verwelkomen, begroeten;

(exclamation) welkom;

(adjective) welkom, aangenaam;

(noun) welkom, ontvangst

Voorbeeld:

We welcomed the new neighbors to the community.
We verwelkomden de nieuwe buren in de gemeenschap.

well

/wel/

(adverb) goed, ruim;

(adjective) goed, gezond;

(interjection) nou, wel;

(noun) put, bron;

(verb) opwellen, stromen

Voorbeeld:

She sings very well.
Ze zingt heel goed.

west

/west/

(noun) westen, het Westen;

(adjective) westelijk;

(adverb) westwaarts

Voorbeeld:

The sun sets in the west.
De zon gaat onder in het westen.

what

/wɑːt/

(pronoun) wat, welke;

(determiner) wat, welke;

(adverb) wat;

(interjection) wat

Voorbeeld:

What is your name?
Wat is je naam?

when

/wen/

(adverb) wanneer, toen;

(noun) wanneer, tijdstip;

(conjunction) dat, toen

Voorbeeld:

When did you arrive?
Wanneer ben je aangekomen?

where

/wer/

(adverb) waar, waarheen, waarop;

(conjunction) waar, de plaats waar;

(noun) verblijfplaats, locatie

Voorbeeld:

Where are you going?
Waar ga je heen?

which

/wɪtʃ/

(determiner) welke, wat voor;

(pronoun) welke, wat, die

Voorbeeld:

Which book do you want?
Welk boek wil je?

white

/waɪt/

(adjective) wit, blank;

(noun) wit, de kleur wit, blanken;

(verb) witten, bleken

Voorbeeld:

She wore a beautiful white dress to the party.
Ze droeg een prachtige witte jurk naar het feest.

who

/huː/

(pronoun) wie, die

Voorbeeld:

Who is coming to the party?
Wie komt er naar het feest?

why

/waɪ/

(adverb) waarom;

(noun) reden, oorzaak;

(interjection) nou, ach

Voorbeeld:

Why did you do that?
Waarom deed je dat?

wife

/waɪf/

(noun) vrouw, echtgenote

Voorbeeld:

My wife and I are going on vacation next month.
Mijn vrouw en ik gaan volgende maand op vakantie.

will

/wɪl/

(modal verb) zullen, willen, van plan zijn;

(noun) wil, wilskracht, testament;

(verb) vermaken, nalaten

Voorbeeld:

I will be there by 5 PM.
Ik zal er om 17.00 uur zijn.

win

/wɪn/

(verb) winnen, verkrijgen;

(noun) overwinning, winst

Voorbeeld:

Our team hopes to win the championship this year.
Ons team hoopt dit jaar het kampioenschap te winnen.

window

/ˈwɪn.doʊ/

(noun) raam, venster, tijdvenster;

(verb) van ramen voorzien, ramen plaatsen

Voorbeeld:

She looked out the window at the rain.
Ze keek uit het raam naar de regen.

wine

/waɪn/

(noun) wijn;

(verb) wijn drinken, verwennen

Voorbeeld:

We had a bottle of red wine with dinner.
We hadden een fles rode wijn bij het avondeten.

winter

/ˈwɪn.t̬ɚ/

(noun) winter;

(verb) overwinteren

Voorbeeld:

I love to ski in the winter.
Ik hou van skiën in de winter.

with

/wɪð/

(preposition) met;

(adverb) mee, erbij

Voorbeeld:

She went to the party with her friends.
Ze ging naar het feest met haar vrienden.

without

/wɪˈðaʊt/

(preposition) zonder;

(adverb) buiten

Voorbeeld:

She left without saying goodbye.
Ze vertrok zonder afscheid te nemen.

woman

/ˈwʊm.ən/

(noun) vrouw

Voorbeeld:

The woman walked into the room.
De vrouw liep de kamer binnen.

wonderful

/ˈwʌn.dɚ.fəl/

(adjective) geweldig, prachtig, fantastisch

Voorbeeld:

We had a wonderful time at the party.
We hadden een geweldige tijd op het feest.

word

/wɝːd/

(noun) woord, bericht, sein;

(verb) formuleren, onder woorden brengen

Voorbeeld:

The teacher asked the students to spell a difficult word.
De leraar vroeg de studenten om een moeilijk woord te spellen.

work

/wɝːk/

(noun) werk, arbeid, taak;

(verb) werken, arbeiden, functioneren

Voorbeeld:

I have a lot of work to do today.
Ik heb vandaag veel werk te doen.

worker

/ˈwɝː.kɚ/

(noun) werker, arbeider, werkster (insect)

Voorbeeld:

She is a hard worker and always meets deadlines.
Zij is een harde werker en haalt altijd deadlines.

world

/wɝːld/

(noun) wereld, gebied

Voorbeeld:

The world is a beautiful place.
De wereld is een prachtige plek.

would

/wʊd/

(modal verb) zou

Voorbeeld:

He said he would be here by noon.
Hij zei dat hij er zou zijn tegen de middag.

write

/raɪt/

(verb) schrijven, componeren, noteren

Voorbeeld:

Please write your name clearly at the top of the form.
Gelieve uw naam duidelijk bovenaan het formulier te schrijven.

writer

/ˈraɪ.t̬ɚ/

(noun) schrijver, auteur

Voorbeeld:

She is a famous writer of children's books.
Zij is een beroemde schrijfster van kinderboeken.

writing

/ˈraɪ.t̬ɪŋ/

(noun) schrijven, handschrift, geschrift;

(verb) schrijvend, aan het schrijven

Voorbeeld:

Her writing is clear and easy to read.
Haar handschrift is duidelijk en gemakkelijk te lezen.

wrong

/rɑːŋ/

(adjective) fout, verkeerd, onjuist;

(adverb) verkeerd, fout;

(noun) fout, onrecht;

(verb) onrecht aandoen, benadelen

Voorbeeld:

You got the answer wrong.
Je hebt het antwoord fout.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland