Avatar of Vocabulary Set A1 - Letter F

Vocabulaireverzameling A1 - Letter F in Oxford 3000 - A1: Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'A1 - Letter F' in 'Oxford 3000 - A1' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

face

/feɪs/

(noun) gezicht, wijzerplaat, wand;

(verb) onder ogen zien, tegemoet treden, liggen

Voorbeeld:

She washed her face with cold water.
Ze waste haar gezicht met koud water.

fact

/fækt/

(noun) feit, gegeven, informatie

Voorbeeld:

It's a well-known fact that the Earth revolves around the Sun.
Het is een bekend feit dat de aarde om de zon draait.

fall

/fɑːl/

(verb) vallen, dalen, afnemen;

(noun) val, daling, herfst

Voorbeeld:

The apple fell from the tree.
De appel viel van de boom.

false

/fɑːls/

(adjective) onwaar, vals, fout;

(adverb) fout, onjuist

Voorbeeld:

That statement is completely false.
Die bewering is volledig onwaar.

family

/ˈfæm.əl.i/

(noun) familie, gezin, geslacht;

(adjective) familie-, gezins-

Voorbeeld:

My family is coming to visit next week.
Mijn familie komt volgende week op bezoek.

famous

/ˈfeɪ.məs/

(adjective) beroemd, bekend

Voorbeeld:

She is a famous singer.
Zij is een beroemde zangeres.

fantastic

/fænˈtæs.tɪk/

(adjective) fantastisch, geweldig, verbeeldingsvol

Voorbeeld:

The view from the mountain was fantastic.
Het uitzicht vanaf de berg was fantastisch.

far

/fɑːr/

(adverb) ver, veel, erg;

(adjective) ver

Voorbeeld:

How far is it to the nearest gas station?
Hoe ver is het naar het dichtstbijzijnde tankstation?

farm

/fɑːrm/

(noun) boerderij, hoeve;

(verb) verbouwen, boeren

Voorbeeld:

My grandparents live on a large farm in the countryside.
Mijn grootouders wonen op een grote boerderij op het platteland.

farmer

/ˈfɑːr.mɚ/

(noun) boer, landbouwer

Voorbeeld:

The farmer harvested his crops early this year.
De boer oogstte zijn gewassen dit jaar vroeg.

fast

/fæst/

(adjective) snel, vlug, vast;

(adverb) snel, stevig, vast;

(verb) vasten;

(noun) vasten

Voorbeeld:

A cheetah is a very fast runner.
Een jachtluipaard is een zeer snelle renner.

fat

/fæt/

(noun) vet;

(adjective) dik, vet, groot

Voorbeeld:

The chef trimmed the excess fat from the meat.
De chef sneed het overtollige vet van het vlees.

father

/ˈfɑː.ðɚ/

(noun) vader, papa, pater;

(verb) verwekken, vader zijn van, oprichten

Voorbeeld:

My father taught me how to ride a bike.
Mijn vader leerde me fietsen.

favorite

/ˈfeɪ.vər.ət/

(adjective) favoriet, lievelings;

(noun) favoriet, lieveling

Voorbeeld:

What's your favorite color?
Wat is je favoriete kleur?

February

/ˈfeb.ruː.er.i/

(noun) februari

Voorbeeld:

My birthday is in February.
Mijn verjaardag is in februari.

feel

/fiːl/

(verb) voelen, aanraken, vinden;

(noun) gevoel, aanraking, intuïtie

Voorbeeld:

I feel happy today.
Ik voel me vandaag gelukkig.

feeling

/ˈfiː.lɪŋ/

(noun) gevoel, emotie, tastzin

Voorbeeld:

She had a strange feeling that something was wrong.
Ze had een vreemd gevoel dat er iets mis was.

festival

/ˈfes.tə.vəl/

(noun) festival, feest

Voorbeeld:

The town celebrates a summer festival every year.
De stad viert elk jaar een zomerfestival.

few

/fjuː/

(determiner) weinig, enkele;

(pronoun) weinig, enkelen;

(adjective) weinig, niet veel

Voorbeeld:

I have a few friends coming over tonight.
Ik heb vanavond een paar vrienden op bezoek.

fifteen

/ˌfɪfˈtiːn/

(number) vijftien;

(noun) vijftien, het getal 15

Voorbeeld:

There are fifteen students in the class.
Er zijn vijftien studenten in de klas.

fifth

/fɪfθ/

(ordinal number) vijfde;

(noun) vijfde, een vijfde deel

Voorbeeld:

She finished fifth in the race.
Ze eindigde als vijfde in de race.

fifty

/ˈfɪf.ti/

(number) vijftig;

(noun) vijftigje, biljet van vijftig

Voorbeeld:

She is fifty years old.
Ze is vijftig jaar oud.

fill

/fɪl/

(verb) vullen, opvullen, invullen;

(noun) vulling, hoeveelheid

Voorbeeld:

Please fill the bottle with water.
Gelieve de fles met water te vullen.

film

/fɪlm/

(noun) film, laagje;

(verb) filmen, opnemen

Voorbeeld:

We watched a horror film last night.
We hebben gisteravond een horrorfilm gekeken.

final

/ˈfaɪ.nəl/

(adjective) laatste, definitief, bindend;

(noun) finale, eindexamen

Voorbeeld:

This is the final warning.
Dit is de laatste waarschuwing.

find

/faɪnd/

(verb) vinden, ontdekken, ervaren;

(noun) vondst, ontdekking

Voorbeeld:

I need to find my keys.
Ik moet mijn sleutels vinden.

fine

/faɪn/

(adjective) fijn, uitstekend, goed;

(noun) boete, geldstraf;

(verb) beboeten, een boete opleggen;

(adverb) prima, goed

Voorbeeld:

This is a fine example of ancient pottery.
Dit is een fijn voorbeeld van oud aardewerk.

finish

/ˈfɪn.ɪʃ/

(noun) einde, afloop, afwerking;

(verb) afmaken, voltooien, eindigen

Voorbeeld:

We reached the finish line after a long race.
We bereikten de finishlijn na een lange race.

fire

/faɪr/

(noun) vuur, brand, schieten;

(verb) vuren, afschieten, ontslaan

Voorbeeld:

The house caught fire and burned down.
Het huis vatte vuur en brandde af.

first

/ˈfɝːst/

(adjective) eerste;

(adverb) eerst, als eerste;

(noun) eerste, de eerste

Voorbeeld:

She was the first person to arrive.
Zij was de eerste persoon die aankwam.

fish

/fɪʃ/

(noun) vis;

(verb) vissen, vissen naar, uitvragen

Voorbeeld:

We caught a big fish in the lake.
We vingen een grote vis in het meer.

five

/faɪv/

(number) vijf;

(noun) vijftal, groep van vijf

Voorbeeld:

She counted five apples in the basket.
Ze telde vijf appels in de mand.

flat

/flæt/

(adjective) vlak, plat, dun;

(noun) appartement, flat;

(adverb) plat, horizontaal

Voorbeeld:

The road was long and flat.
De weg was lang en vlak.

flight

/flaɪt/

(noun) vlucht, zwerm, trap

Voorbeeld:

The bird took flight from the branch.
De vogel nam de vlucht van de tak.

floor

/flɔːr/

(noun) vloer, verdieping;

(verb) vloeren, verbijsteren

Voorbeeld:

The wooden floor creaked as he walked across it.
De houten vloer kraakte toen hij eroverheen liep.

flower

/ˈflaʊ.ɚ/

(noun) bloem;

(verb) bloeien

Voorbeeld:

The garden is full of beautiful flowers.
De tuin staat vol met prachtige bloemen.

fly

/flaɪ/

(verb) vliegen, schieten, voorbijvliegen;

(noun) vlieg, gulp

Voorbeeld:

Birds fly south for the winter.
Vogels vliegen naar het zuiden voor de winter.

follow

/ˈfɑː.loʊ/

(verb) volgen, opvolgen, naleven;

(noun) aanhang, volgers

Voorbeeld:

The dog followed its owner everywhere.
De hond volgde zijn baasje overal.

food

/fuːd/

(noun) voedsel, eten

Voorbeeld:

We need to buy some food for dinner.
We moeten wat eten kopen voor het avondeten.

foot

/fʊt/

(noun) voet, lengtemaat, onderkant;

(verb) lopen, te voet gaan, betalen

Voorbeeld:

He hurt his foot playing soccer.
Hij bezeerde zijn voet tijdens het voetballen.

football

/ˈfʊt.bɑːl/

(noun) voetbal, football, rugbybal

Voorbeeld:

He loves watching football on Sundays.
Hij kijkt graag naar voetbal op zondag.

for

/fɔːr/

(preposition) voor, gedurende;

(conjunction) vanwege, voor

Voorbeeld:

This gift is for you.
Dit cadeau is voor jou.

forget

/fɚˈɡet/

(verb) vergeten, veronachtzamen, over het hoofd zien

Voorbeeld:

I always forget people's names.
Ik vergeet altijd namen van mensen.

form

/fɔːrm/

(noun) vorm, soort, formulier;

(verb) vormen, creëren, ontstaan

Voorbeeld:

Water can exist in solid, liquid, or gaseous form.
Water kan bestaan in vaste, vloeibare of gasvormige vorm.

forty

/ˈfɔːr.t̬i/

(number) veertig

Voorbeeld:

She turned forty last month.
Ze is vorige maand veertig geworden.

four

/fɔːr/

(number) vier

Voorbeeld:

There are four seasons in a year.
Er zijn vier seizoenen in een jaar.

fourteen

/ˌfɔːrˈtiːn/

(number) veertien

Voorbeeld:

There are fourteen days in two weeks.
Er zijn veertien dagen in twee weken.

fourth

/fɔːrθ/

(ordinal number) vierde;

(noun) kwart

Voorbeeld:

He finished fourth in the race.
Hij eindigde als vierde in de race.

free

/friː/

(adjective) vrij, onafhankelijk, gratis;

(verb) bevrijden, vrijlaten;

(adverb) gratis, kosteloos

Voorbeeld:

She felt free after leaving her old job.
Ze voelde zich vrij na het verlaten van haar oude baan.

friday

/ˈfraɪ.deɪ/

(noun) vrijdag

Voorbeeld:

I'm looking forward to Friday.
Ik kijk uit naar vrijdag.

friend

/frend/

(noun) vriend, vriendin, supporter;

(verb) vrienden, toevoegen als vriend

Voorbeeld:

She introduced me to her best friend.
Ze stelde me voor aan haar beste vriendin.

friendly

/ˈfrend.li/

(adjective) vriendelijk, aardig, onschadelijk

Voorbeeld:

She has a very friendly smile.
Ze heeft een heel vriendelijke glimlach.

from

/frʌm/

(preposition) van, uit, vanaf

Voorbeeld:

He walked from the house to the car.
Hij liep van het huis naar de auto.

front

/frʌnt/

(noun) voorkant, voorzijde, front (weer);

(adjective) voor, voorste;

(verb) uitkijken op, grenzen aan;

(adverb) voorin, vooraan

Voorbeeld:

The car was damaged at the front.
De auto was beschadigd aan de voorkant.

fruit

/fruːt/

(noun) fruit, vrucht, resultaat;

(verb) vruchten dragen, fruit produceren

Voorbeeld:

Apples and oranges are common types of fruit.
Appels en sinaasappels zijn veelvoorkomende soorten fruit.

full

/fʊl/

(adjective) vol, volledig, totaal;

(adverb) vol, precies

Voorbeeld:

The basket is full of apples.
De mand is vol met appels.

fun

/fʌn/

(noun) plezier, pret, vermaak;

(adjective) leuk, grappig, vermakelijk

Voorbeeld:

We had a lot of fun at the party.
We hadden veel plezier op het feest.

funny

/ˈfʌn.i/

(adjective) grappig, humoristisch, vreemd

Voorbeeld:

He told a really funny joke.
Hij vertelde een echt grappige grap.

future

/ˈfjuː.tʃɚ/

(noun) toekomst, vooruitzichten;

(adjective) toekomstig

Voorbeeld:

We need to plan for the future.
We moeten plannen voor de toekomst.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland