Vocabulaireverzameling A1 - Letter F in Oxford 3000 - A1: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling 'A1 - Letter F' in 'Oxford 3000 - A1' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren(noun) gezicht, wijzerplaat, wand;
(verb) onder ogen zien, tegemoet treden, liggen
Voorbeeld:
(noun) feit, gegeven, informatie
Voorbeeld:
(verb) vallen, dalen, afnemen;
(noun) val, daling, herfst
Voorbeeld:
(adjective) onwaar, vals, fout;
(adverb) fout, onjuist
Voorbeeld:
(noun) familie, gezin, geslacht;
(adjective) familie-, gezins-
Voorbeeld:
(adjective) beroemd, bekend
Voorbeeld:
(adjective) fantastisch, geweldig, verbeeldingsvol
Voorbeeld:
(adverb) ver, veel, erg;
(adjective) ver
Voorbeeld:
(noun) boerderij, hoeve;
(verb) verbouwen, boeren
Voorbeeld:
(noun) boer, landbouwer
Voorbeeld:
(adjective) snel, vlug, vast;
(adverb) snel, stevig, vast;
(verb) vasten;
(noun) vasten
Voorbeeld:
(noun) vet;
(adjective) dik, vet, groot
Voorbeeld:
(noun) vader, papa, pater;
(verb) verwekken, vader zijn van, oprichten
Voorbeeld:
(adjective) favoriet, lievelings;
(noun) favoriet, lieveling
Voorbeeld:
(noun) februari
Voorbeeld:
(verb) voelen, aanraken, vinden;
(noun) gevoel, aanraking, intuïtie
Voorbeeld:
(noun) gevoel, emotie, tastzin
Voorbeeld:
(noun) festival, feest
Voorbeeld:
(determiner) weinig, enkele;
(pronoun) weinig, enkelen;
(adjective) weinig, niet veel
Voorbeeld:
(number) vijftien;
(noun) vijftien, het getal 15
Voorbeeld:
(ordinal number) vijfde;
(noun) vijfde, een vijfde deel
Voorbeeld:
(number) vijftig;
(noun) vijftigje, biljet van vijftig
Voorbeeld:
(verb) vullen, opvullen, invullen;
(noun) vulling, hoeveelheid
Voorbeeld:
(noun) film, laagje;
(verb) filmen, opnemen
Voorbeeld:
(adjective) laatste, definitief, bindend;
(noun) finale, eindexamen
Voorbeeld:
(verb) vinden, ontdekken, ervaren;
(noun) vondst, ontdekking
Voorbeeld:
(adjective) fijn, uitstekend, goed;
(noun) boete, geldstraf;
(verb) beboeten, een boete opleggen;
(adverb) prima, goed
Voorbeeld:
(noun) einde, afloop, afwerking;
(verb) afmaken, voltooien, eindigen
Voorbeeld:
(noun) vuur, brand, schieten;
(verb) vuren, afschieten, ontslaan
Voorbeeld:
(adjective) eerste;
(adverb) eerst, als eerste;
(noun) eerste, de eerste
Voorbeeld:
(noun) vis;
(verb) vissen, vissen naar, uitvragen
Voorbeeld:
(number) vijf;
(noun) vijftal, groep van vijf
Voorbeeld:
(adjective) vlak, plat, dun;
(noun) appartement, flat;
(adverb) plat, horizontaal
Voorbeeld:
(noun) vlucht, zwerm, trap
Voorbeeld:
(noun) vloer, verdieping;
(verb) vloeren, verbijsteren
Voorbeeld:
(noun) bloem;
(verb) bloeien
Voorbeeld:
(verb) vliegen, schieten, voorbijvliegen;
(noun) vlieg, gulp
Voorbeeld:
(verb) volgen, opvolgen, naleven;
(noun) aanhang, volgers
Voorbeeld:
(noun) voedsel, eten
Voorbeeld:
(noun) voet, lengtemaat, onderkant;
(verb) lopen, te voet gaan, betalen
Voorbeeld:
(noun) voetbal, football, rugbybal
Voorbeeld:
(preposition) voor, gedurende;
(conjunction) vanwege, voor
Voorbeeld:
(verb) vergeten, veronachtzamen, over het hoofd zien
Voorbeeld:
(noun) vorm, soort, formulier;
(verb) vormen, creëren, ontstaan
Voorbeeld:
(number) veertig
Voorbeeld:
(number) vier
Voorbeeld:
(number) veertien
Voorbeeld:
(ordinal number) vierde;
(noun) kwart
Voorbeeld:
(adjective) vrij, onafhankelijk, gratis;
(verb) bevrijden, vrijlaten;
(adverb) gratis, kosteloos
Voorbeeld:
(noun) vrijdag
Voorbeeld:
(noun) vriend, vriendin, supporter;
(verb) vrienden, toevoegen als vriend
Voorbeeld:
(adjective) vriendelijk, aardig, onschadelijk
Voorbeeld:
(preposition) van, uit, vanaf
Voorbeeld:
(noun) voorkant, voorzijde, front (weer);
(adjective) voor, voorste;
(verb) uitkijken op, grenzen aan;
(adverb) voorin, vooraan
Voorbeeld:
(noun) fruit, vrucht, resultaat;
(verb) vruchten dragen, fruit produceren
Voorbeeld:
(adjective) vol, volledig, totaal;
(adverb) vol, precies
Voorbeeld:
(noun) plezier, pret, vermaak;
(adjective) leuk, grappig, vermakelijk
Voorbeeld:
(adjective) grappig, humoristisch, vreemd
Voorbeeld:
(noun) toekomst, vooruitzichten;
(adjective) toekomstig
Voorbeeld: