Vocabulaireverzameling A1 - Basiswerkwoorden 3 in Niveau A1: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling 'A1 - Basiswerkwoorden 3' in 'Niveau A1' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren(verb) lopen, wandelen, uitlaten;
(noun) wandeling, loopafstand
Voorbeeld:
(verb) rennen, lopen, werken;
(noun) loop, ren, periode
Voorbeeld:
(verb) gaan, werken, functioneren;
(noun) poging, beurt;
(adjective) klaar, gereed;
(exclamation) gaan, kom op
Voorbeeld:
(verb) komen, klaarkomen, orgasme hebben
Voorbeeld:
(phrasal verb) afkomstig zijn van, voortkomen uit, afkomstig zijn uit
Voorbeeld:
(verb) zitten, zitting hebben, behandelen;
(noun) zit, zitting
Voorbeeld:
(phrasal verb) opstaan, gaan staan, opkomen voor
Voorbeeld:
(phrasal verb) gaan zitten, zitten
Voorbeeld:
(verb) vallen, dalen, afnemen;
(noun) val, daling, herfst
Voorbeeld:
(verb) schoppen, trap, stoppen met;
(noun) schop, trap, kick
Voorbeeld:
(verb) springen, hossen, schieten;
(noun) sprong, hup, stijging
Voorbeeld:
(verb) brengen, meenemen, veroorzaken
Voorbeeld:
(verb) geven, schenken, afgeven;
(noun) rek, elasticiteit
Voorbeeld:
(verb) nemen, pakken, brengen;
(noun) opname, shot, greep
Voorbeeld:
(verb) verliezen, kwijtraken
Voorbeeld:
(verb) vinden, ontdekken, ervaren;
(noun) vondst, ontdekking
Voorbeeld:
(adjective) open, geopend, onbedekt;
(verb) openen, beginnen;
(adverb) open;
(noun) open ruimte, buitenlucht
Voorbeeld:
(verb) sluiten, dichtdoen, afsluiten;
(adjective) dichtbij, nabij, nauwkeurig;
(adverb) dichtbij, nabij
Voorbeeld:
(verb) trekken, halen, verwijderen;
(noun) trek, ruk, invloed
Voorbeeld:
(verb) duwen, stoten, zich een weg banen;
(noun) duw, stoot, inspanning
Voorbeeld:
(noun) start, begin;
(verb) beginnen, starten, opzetten
Voorbeeld:
(noun) stop, einde, halte;
(verb) stoppen, beëindigen, ophouden
Voorbeeld:
(noun) einde, afloop, afwerking;
(verb) afmaken, voltooien, eindigen
Voorbeeld:
(verb) bouwen, opbouwen, toenemen;
(noun) bouw, lichaamsbouw
Voorbeeld:
(verb) doen, uitvoeren, voltooien;
(auxiliary verb) hulpwerkwoord, benadrukken;
(noun) feest, evenement, kapsel
Voorbeeld:
(verb) krijgen, verkrijgen, ontvangen;
(noun) opbrengst, vangst
Voorbeeld:
(verb) draaien, wenden, afbuigen;
(noun) bocht, beurt
Voorbeeld:
(verb) voorstellen, introduceren, invoeren
Voorbeeld:
(verb) reizen, verplaatsen, zich voortbewegen;
(noun) reis, reizen
Voorbeeld:
(verb) ontmoeten, voldoen aan, halen;
(noun) bijeenkomst, wedstrijd
Voorbeeld:
(noun) wedstrijd, match, lucifer;
(verb) overeenkomen, passen bij, matchen
Voorbeeld:
(verb) helpen, bijstaan, verbeteren;
(noun) hulp, bijstand;
(exclamation) help, hulp
Voorbeeld:
(verb) omvatten, bevatten, opnemen
Voorbeeld:
(verb) laten, toestaan, let;
(noun) huur, verhuur
Voorbeeld:
(verb) liggen, zich bevinden, liegen;
(noun) leugen, onwaarheid
Voorbeeld:
(noun) geluid, klank, zeestraat;
(verb) klinken, luiden, lijken;
(adjective) gezond, deugdelijk, verstandig;
(adverb) diep, grondig
Voorbeeld: