Avatar of Vocabulary Set A1 - Basiswerkwoorden 3

Vocabulaireverzameling A1 - Basiswerkwoorden 3 in Niveau A1: Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'A1 - Basiswerkwoorden 3' in 'Niveau A1' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

walk

/wɑːk/

(verb) lopen, wandelen, uitlaten;

(noun) wandeling, loopafstand

Voorbeeld:

She likes to walk in the park every morning.
Ze houdt ervan om elke ochtend in het park te wandelen.

run

/rʌn/

(verb) rennen, lopen, werken;

(noun) loop, ren, periode

Voorbeeld:

She decided to run a marathon next year.
Ze besloot volgend jaar een marathon te rennen.

go

/ɡoʊ/

(verb) gaan, werken, functioneren;

(noun) poging, beurt;

(adjective) klaar, gereed;

(exclamation) gaan, kom op

Voorbeeld:

I need to go to the store.
Ik moet naar de winkel gaan.

come

/kʌm/

(verb) komen, klaarkomen, orgasme hebben

Voorbeeld:

Are you coming to the party tonight?
Kom je vanavond naar het feest?

come from

/kʌm frʌm/

(phrasal verb) afkomstig zijn van, voortkomen uit, afkomstig zijn uit

Voorbeeld:

The word 'robot' comes from the Czech language.
Het woord 'robot' komt uit het Tsjechisch.

sit

/sɪt/

(verb) zitten, zitting hebben, behandelen;

(noun) zit, zitting

Voorbeeld:

Please sit down.
Ga alsjeblieft zitten.

stand up

/stænd ˈʌp/

(phrasal verb) opstaan, gaan staan, opkomen voor

Voorbeeld:

Please stand up when the judge enters the courtroom.
Gelieve op te staan wanneer de rechter de rechtszaal binnenkomt.

sit down

/sɪt daʊn/

(phrasal verb) gaan zitten, zitten

Voorbeeld:

Please sit down.
Ga alsjeblieft zitten.

fall

/fɑːl/

(verb) vallen, dalen, afnemen;

(noun) val, daling, herfst

Voorbeeld:

The apple fell from the tree.
De appel viel van de boom.

kick

/kɪk/

(verb) schoppen, trap, stoppen met;

(noun) schop, trap, kick

Voorbeeld:

He tried to kick the ball into the goal.
Hij probeerde de bal in het doel te schoppen.

jump

/dʒʌmp/

(verb) springen, hossen, schieten;

(noun) sprong, hup, stijging

Voorbeeld:

The cat jumped onto the table.
De kat sprong op tafel.

bring

/brɪŋ/

(verb) brengen, meenemen, veroorzaken

Voorbeeld:

Don't forget to bring your umbrella.
Vergeet je paraplu niet mee te nemen.

give

/ɡɪv/

(verb) geven, schenken, afgeven;

(noun) rek, elasticiteit

Voorbeeld:

Can you give me that book?
Kun je me dat boek geven?

take

/teɪk/

(verb) nemen, pakken, brengen;

(noun) opname, shot, greep

Voorbeeld:

She decided to take a book from the shelf.
Ze besloot een boek van de plank te pakken.

lose

/luːz/

(verb) verliezen, kwijtraken

Voorbeeld:

I don't want to lose my job.
Ik wil mijn baan niet verliezen.

find

/faɪnd/

(verb) vinden, ontdekken, ervaren;

(noun) vondst, ontdekking

Voorbeeld:

I need to find my keys.
Ik moet mijn sleutels vinden.

open

/ˈoʊ.pən/

(adjective) open, geopend, onbedekt;

(verb) openen, beginnen;

(adverb) open;

(noun) open ruimte, buitenlucht

Voorbeeld:

The door was open.
De deur was open.

close

/kloʊz/

(verb) sluiten, dichtdoen, afsluiten;

(adjective) dichtbij, nabij, nauwkeurig;

(adverb) dichtbij, nabij

Voorbeeld:

Please close the door when you leave.
Gelieve de deur te sluiten wanneer u vertrekt.

pull

/pʊl/

(verb) trekken, halen, verwijderen;

(noun) trek, ruk, invloed

Voorbeeld:

She tried to pull the heavy door open.
Ze probeerde de zware deur open te trekken.

push

/pʊʃ/

(verb) duwen, stoten, zich een weg banen;

(noun) duw, stoot, inspanning

Voorbeeld:

She tried to push the heavy door open.
Ze probeerde de zware deur open te duwen.

start

/stɑːrt/

(noun) start, begin;

(verb) beginnen, starten, opzetten

Voorbeeld:

The race will start at 10 AM.
De race zal om 10 uur 's ochtends beginnen.

stop

/stɑːp/

(noun) stop, einde, halte;

(verb) stoppen, beëindigen, ophouden

Voorbeeld:

The car came to a sudden stop.
De auto kwam plotseling tot stilstand.

finish

/ˈfɪn.ɪʃ/

(noun) einde, afloop, afwerking;

(verb) afmaken, voltooien, eindigen

Voorbeeld:

We reached the finish line after a long race.
We bereikten de finishlijn na een lange race.

build

/bɪld/

(verb) bouwen, opbouwen, toenemen;

(noun) bouw, lichaamsbouw

Voorbeeld:

They plan to build a new house next year.
Ze zijn van plan volgend jaar een nieuw huis te bouwen.

do

/də/

(verb) doen, uitvoeren, voltooien;

(auxiliary verb) hulpwerkwoord, benadrukken;

(noun) feest, evenement, kapsel

Voorbeeld:

What are you going to do today?
Wat ga je vandaag doen?

get

/ɡet/

(verb) krijgen, verkrijgen, ontvangen;

(noun) opbrengst, vangst

Voorbeeld:

Did you get the mail today?
Heb je de post vandaag gekregen?

turn

/tɝːn/

(verb) draaien, wenden, afbuigen;

(noun) bocht, beurt

Voorbeeld:

The Earth turns on its axis.
De aarde draait om haar as.

introduce

/ˌɪn.trəˈduːs/

(verb) voorstellen, introduceren, invoeren

Voorbeeld:

Let me introduce you to my colleague, Sarah.
Laat me je voorstellen aan mijn collega, Sarah.

travel

/ˈtræv.əl/

(verb) reizen, verplaatsen, zich voortbewegen;

(noun) reis, reizen

Voorbeeld:

I love to travel to new countries.
Ik hou ervan om naar nieuwe landen te reizen.

meet

/miːt/

(verb) ontmoeten, voldoen aan, halen;

(noun) bijeenkomst, wedstrijd

Voorbeeld:

I'm going to meet my friends at the cafe.
Ik ga mijn vrienden ontmoeten in het café.

match

/mætʃ/

(noun) wedstrijd, match, lucifer;

(verb) overeenkomen, passen bij, matchen

Voorbeeld:

The football match ended in a draw.
De voetbalwedstrijd eindigde in een gelijkspel.

help

/help/

(verb) helpen, bijstaan, verbeteren;

(noun) hulp, bijstand;

(exclamation) help, hulp

Voorbeeld:

Can you help me with my homework?
Kun je me helpen met mijn huiswerk?

include

/ɪnˈkluːd/

(verb) omvatten, bevatten, opnemen

Voorbeeld:

The price includes tax and service charge.
De prijs is inclusief belasting en servicekosten.

let

/let/

(verb) laten, toestaan, let;

(noun) huur, verhuur

Voorbeeld:

She wouldn't let him go.
Ze wilde hem niet laten gaan.

lie

/laɪ/

(verb) liggen, zich bevinden, liegen;

(noun) leugen, onwaarheid

Voorbeeld:

She likes to lie on the beach and read.
Ze houdt ervan om op het strand te liggen en te lezen.

sound

/saʊnd/

(noun) geluid, klank, zeestraat;

(verb) klinken, luiden, lijken;

(adjective) gezond, deugdelijk, verstandig;

(adverb) diep, grondig

Voorbeeld:

The sound of music filled the room.
Het geluid van muziek vulde de kamer.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland