Avatar of Vocabulary Set A1 - Basiswerkwoorden 1

Vocabulaireverzameling A1 - Basiswerkwoorden 1 in Niveau A1: Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'A1 - Basiswerkwoorden 1' in 'Niveau A1' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

wake up

/weɪk ˈʌp/

(phrasal verb) wakker worden, zich bewust worden

Voorbeeld:

I usually wake up at 7 AM.
Ik word meestal om 7 uur 's ochtends wakker.

get up

/ɡet ˈʌp/

(phrasal verb) opstaan, opzetten, regelen

Voorbeeld:

I usually get up at 7 AM on weekdays.
Ik sta meestal om 7 uur 's ochtends op op weekdagen.

go to bed

/ɡoʊ tə bɛd/

(phrase) naar bed gaan, slapen

Voorbeeld:

I'm tired, I think I'll go to bed now.
Ik ben moe, ik denk dat ik nu naar bed ga.

sleep

/sliːp/

(noun) slaap;

(verb) slapen

Voorbeeld:

I need to get more sleep.
Ik moet meer slapen.

work

/wɝːk/

(noun) werk, arbeid, taak;

(verb) werken, arbeiden, functioneren

Voorbeeld:

I have a lot of work to do today.
Ik heb vandaag veel werk te doen.

drive

/draɪv/

(verb) rijden, besturen, drijven;

(noun) rit, autorit, drang

Voorbeeld:

She learned to drive when she was sixteen.
Ze leerde rijden toen ze zestien was.

buy

/baɪ/

(verb) kopen, aanschaffen, geloven;

(noun) koop, aankoop

Voorbeeld:

I want to buy a new car.
Ik wil een nieuwe auto kopen.

sell

/sel/

(verb) verkopen, verhandelen, overtuigen;

(noun) verkoop, bedrog

Voorbeeld:

They decided to sell their old car.
Ze besloten hun oude auto te verkopen.

read

/riːd/

(verb) lezen, interpreteren, begrijpen;

(noun) lezing, leesbeurt

Voorbeeld:

She loves to read books in her free time.
Ze houdt ervan om boeken te lezen in haar vrije tijd.

write

/raɪt/

(verb) schrijven, componeren, noteren

Voorbeeld:

Please write your name clearly at the top of the form.
Gelieve uw naam duidelijk bovenaan het formulier te schrijven.

play

/pleɪ/

(verb) spelen, uitvoeren, afspelen;

(noun) toneelstuk, spel, recreatie

Voorbeeld:

The children are playing in the park.
De kinderen zijn aan het spelen in het park.

pay

/peɪ/

(verb) betalen, vergoeden, boeten;

(noun) salaris, loon

Voorbeeld:

I need to pay the rent by tomorrow.
Ik moet de huur morgen betalen.

rest

/rest/

(noun) rust, pauze, rest;

(verb) rusten, uitrusten, liggen

Voorbeeld:

I need to take a rest after a long day.
Ik moet rusten na een lange dag.

wash

/wɑːʃ/

(verb) wassen, reinigen, wasbaar zijn;

(noun) wasbeurt, wassen, laag

Voorbeeld:

Please wash your hands before dinner.
Gelieve uw handen te wassen voor het avondeten.

drink

/drɪŋk/

(noun) drankje, drank, slok;

(verb) drinken, alcohol drinken

Voorbeeld:

Would you like a drink?
Wilt u een drankje?

cook

/kʊk/

(verb) koken, bereiden;

(noun) kok, chef-kok

Voorbeeld:

She loves to cook Italian food.
Ze houdt ervan om Italiaans eten te koken.

eat

/iːt/

(verb) eten, nuttigen, een maaltijd nuttigen

Voorbeeld:

I like to eat breakfast early.
Ik hou ervan om vroeg te eten.

have

/hæv/

(verb) hebben, bezitten, ervaren;

(auxiliary verb) hulpwerkwoord

Voorbeeld:

I have a new car.
Ik heb een nieuwe auto.

make

/meɪk/

(verb) maken, bereiden, doen;

(noun) makelij, merk

Voorbeeld:

She likes to make her own clothes.
Ze houdt ervan om haar eigen kleding te maken.

wear

/wer/

(verb) dragen, slijten, verslijten;

(noun) slijtage, gebruik, kleding

Voorbeeld:

She likes to wear bright colors.
Ze draagt graag felle kleuren.

clean

/kliːn/

(adjective) schoon, rein, zuiver;

(verb) schoonmaken, reinigen;

(adverb) schoon, helemaal

Voorbeeld:

Please make sure your hands are clean before dinner.
Zorg ervoor dat je handen schoon zijn voor het avondeten.

shower

/ˈʃaʊ.ɚ/

(noun) douche, douchebeurt, bui;

(verb) douchen, neerregenen, overladen

Voorbeeld:

I need to fix the leaky shower head.
Ik moet de lekkende douchekop repareren.

wake

/weɪk/

(verb) wakker worden, wekken, kielzog;

(noun) wake, rouwplechtigheid, kielzog

Voorbeeld:

I usually wake up at 7 AM.
Ik word meestal om 7 uur 's ochtends wakker.

think

/θɪŋk/

(verb) denken, vinden, nadenken;

(noun) gedachte, overweging

Voorbeeld:

What do you think about the new policy?
Wat denk je van het nieuwe beleid?

thank

/θæŋk/

(verb) bedanken;

(noun) dank;

(exclamation) dank, bedankt

Voorbeeld:

I want to thank you for your help.
Ik wil je bedanken voor je hulp.

take

/teɪk/

(verb) nemen, pakken, brengen;

(noun) opname, shot, greep

Voorbeeld:

She decided to take a book from the shelf.
Ze besloot een boek van de plank te pakken.

stand

/stænd/

(verb) staan, plaatsen, zetten;

(noun) standaard, rek, standpunt

Voorbeeld:

Please stand when the judge enters.
Gelieve te staan wanneer de rechter binnenkomt.

speak

/spiːk/

(verb) spreken, praten, een lezing geven

Voorbeeld:

He didn't speak a word.
Hij sprak geen woord.

sound

/saʊnd/

(noun) geluid, klank, zeestraat;

(verb) klinken, luiden, lijken;

(adjective) gezond, deugdelijk, verstandig;

(adverb) diep, grondig

Voorbeeld:

The sound of music filled the room.
Het geluid van muziek vulde de kamer.

spell

/spel/

(verb) spellen, betekenen, voorspellen;

(noun) spreuk, betovering, periode

Voorbeeld:

Can you spell your name for me?
Kun je je naam voor me spellen?

add

/æd/

(verb) toevoegen, optellen, berekenen

Voorbeeld:

Please add your name to the list.
Gelieve uw naam aan de lijst toe te voegen.

call

/kɑːl/

(verb) roepen, schreeuwen, bellen;

(noun) bezoek, oproep, telefoontje

Voorbeeld:

She had to call his name twice before he heard her.
Ze moest zijn naam twee keer roepen voordat hij haar hoorde.

correct

/kəˈrekt/

(adjective) correct, juist;

(verb) corrigeren, verbeteren

Voorbeeld:

Please make sure your answers are correct.
Zorg ervoor dat uw antwoorden correct zijn.

create

/kriˈeɪt/

(verb) creëren, scheppen, maken

Voorbeeld:

Scientists are working to create new forms of energy.
Wetenschappers werken eraan om nieuwe vormen van energie te creëren.

cut

/kʌt/

(verb) snijden, knippen, hakken;

(noun) snede, knippen, coupe;

(adjective) gesneden, geknipt

Voorbeeld:

She accidentally cut her finger while chopping vegetables.
Ze sneed per ongeluk haar vinger tijdens het snijden van groenten.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland