Vocabulaireverzameling A1 - Basiswerkwoorden 1 in Niveau A1: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling 'A1 - Basiswerkwoorden 1' in 'Niveau A1' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren(phrasal verb) wakker worden, zich bewust worden
Voorbeeld:
(phrasal verb) opstaan, opzetten, regelen
Voorbeeld:
(phrase) naar bed gaan, slapen
Voorbeeld:
(noun) werk, arbeid, taak;
(verb) werken, arbeiden, functioneren
Voorbeeld:
(verb) rijden, besturen, drijven;
(noun) rit, autorit, drang
Voorbeeld:
(verb) kopen, aanschaffen, geloven;
(noun) koop, aankoop
Voorbeeld:
(verb) verkopen, verhandelen, overtuigen;
(noun) verkoop, bedrog
Voorbeeld:
(verb) lezen, interpreteren, begrijpen;
(noun) lezing, leesbeurt
Voorbeeld:
(verb) schrijven, componeren, noteren
Voorbeeld:
(verb) spelen, uitvoeren, afspelen;
(noun) toneelstuk, spel, recreatie
Voorbeeld:
(verb) betalen, vergoeden, boeten;
(noun) salaris, loon
Voorbeeld:
(noun) rust, pauze, rest;
(verb) rusten, uitrusten, liggen
Voorbeeld:
(verb) wassen, reinigen, wasbaar zijn;
(noun) wasbeurt, wassen, laag
Voorbeeld:
(noun) drankje, drank, slok;
(verb) drinken, alcohol drinken
Voorbeeld:
(verb) koken, bereiden;
(noun) kok, chef-kok
Voorbeeld:
(verb) eten, nuttigen, een maaltijd nuttigen
Voorbeeld:
(verb) hebben, bezitten, ervaren;
(auxiliary verb) hulpwerkwoord
Voorbeeld:
(verb) maken, bereiden, doen;
(noun) makelij, merk
Voorbeeld:
(verb) dragen, slijten, verslijten;
(noun) slijtage, gebruik, kleding
Voorbeeld:
(adjective) schoon, rein, zuiver;
(verb) schoonmaken, reinigen;
(adverb) schoon, helemaal
Voorbeeld:
(noun) douche, douchebeurt, bui;
(verb) douchen, neerregenen, overladen
Voorbeeld:
(verb) wakker worden, wekken, kielzog;
(noun) wake, rouwplechtigheid, kielzog
Voorbeeld:
(verb) denken, vinden, nadenken;
(noun) gedachte, overweging
Voorbeeld:
(verb) bedanken;
(noun) dank;
(exclamation) dank, bedankt
Voorbeeld:
(verb) nemen, pakken, brengen;
(noun) opname, shot, greep
Voorbeeld:
(verb) staan, plaatsen, zetten;
(noun) standaard, rek, standpunt
Voorbeeld:
(verb) spreken, praten, een lezing geven
Voorbeeld:
(noun) geluid, klank, zeestraat;
(verb) klinken, luiden, lijken;
(adjective) gezond, deugdelijk, verstandig;
(adverb) diep, grondig
Voorbeeld:
(verb) spellen, betekenen, voorspellen;
(noun) spreuk, betovering, periode
Voorbeeld:
(verb) toevoegen, optellen, berekenen
Voorbeeld:
(verb) roepen, schreeuwen, bellen;
(noun) bezoek, oproep, telefoontje
Voorbeeld:
(adjective) correct, juist;
(verb) corrigeren, verbeteren
Voorbeeld:
(verb) creëren, scheppen, maken
Voorbeeld:
(verb) snijden, knippen, hakken;
(noun) snede, knippen, coupe;
(adjective) gesneden, geknipt
Voorbeeld: