Vocabulaireverzameling Delen en Soorten Fruit en Groenten in Ingrediënten: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling 'Delen en Soorten Fruit en Groenten' in 'Ingrediënten' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren(adjective) eetbaar;
(noun) eetwaren, voedingsmiddelen
Voorbeeld:
(adjective) oneetbaar
Voorbeeld:
(noun) peulvrucht, boon
Voorbeeld:
(noun) noot, moer, gek;
(verb) inbeuken, koppen
Voorbeeld:
(noun) graanvrucht, karyopse
Voorbeeld:
(noun) steenvrucht
Voorbeeld:
(noun) capsule, ruimtevaartuig, samenvatting;
(verb) samenvatten, inkapselen
Voorbeeld:
(noun) steenvrucht
Voorbeeld:
(noun) citrus, citrusboom, citrusvrucht;
(adjective) citrus, citrusachtig
Voorbeeld:
(adjective) pitloos, zaadloos
Voorbeeld:
(adjective) bladrijk, bladerig
Voorbeeld:
(noun) bol, gloeilamp, lamp
Voorbeeld:
(noun) stengel, stam, woordstam;
(verb) voortkomen uit, ontspringen, stoppen
Voorbeeld:
(noun) wortel, oorzaak, grondslag;
(verb) wortelen, zich vestigen, doen wortelen
Voorbeeld:
(noun) knol
Voorbeeld:
(adjective) knolachtig, knolvormig
Voorbeeld:
(noun) merg, beenmerg, kern
Voorbeeld:
(noun) kern, essentie, klokhuis;
(verb) ontkernen;
(adjective) kern, essentieel
Voorbeeld:
(noun) dextrose, druivensuiker
Voorbeeld:
(noun) vlees, lichaam, vruchtvlees;
(verb) uitwerken, verdiepen
Voorbeeld:
(noun) romp, schil, dop;
(verb) doppen, schillen
Voorbeeld:
(noun) sap, stroom, elektriciteit;
(verb) persen, sap maken
Voorbeeld:
(noun) nectar, nectar (drank van de goden), heerlijke drank
Voorbeeld:
(noun) pectine
Voorbeeld:
(verb) schillen, pellen, bladderen;
(noun) schil, schillen
Voorbeeld:
(noun) pit, zaad, stip;
(verb) piepen, een piep geven
Voorbeeld:
(noun) kuil, put, pit;
(verb) deuken, aantasten, laten vechten
Voorbeeld:
(noun) kern, essentie, merg;
(verb) ontmergen
Voorbeeld:
(noun) pulp, brei, moes;
(verb) verpulveren, tot moes maken
Voorbeeld:
(noun) schil, korst;
(verb) schillen, ontkorsten
Voorbeeld:
(noun) zaad, pit, kiem;
(verb) zaaien, inzaaien, ontpitten
Voorbeeld:
(noun) segment, deel, stuk;
(verb) segmenteren, verdelen
Voorbeeld:
(noun) huid, schil;
(verb) villen, schillen
Voorbeeld:
(noun) stengel, steel;
(verb) besluipen, stalken, stampen
Voorbeeld:
(noun) steen, pit;
(verb) ontpitten, ontstenen
Voorbeeld:
(noun) levenslust, enthousiasme, pit;
(verb) raspen, schillen
Voorbeeld:
(noun) maïskolf, kolf, cob;
(verb) cobben, bouwen met cob
Voorbeeld:
(noun) maïskolf
Voorbeeld:
(noun) oog, opening;
(verb) bekijken, observeren
Voorbeeld:
(noun) bloem, roosje
Voorbeeld:
(noun) top, bovenkant, bovenstuk;
(adjective) bovenste, hoogste, top;
(verb) toppen, overtreffen, afdekken;
(adverb) boven, bovenop
Voorbeeld:
(noun) endosperm, kiemwit
Voorbeeld:
(noun) zaadhuid
Voorbeeld:
(noun) pericarp, vruchtwand
Voorbeeld:
(adjective) vlezig, vleesachtig
Voorbeeld:
(noun) gekonfijt fruit, glacé fruit;
(adjective) glacé, geglazuurd
Voorbeeld:
(adjective) overrijp
Voorbeeld:
(adjective) ontpit, gehavend, getekend;
(verb) ontpitten, aantasten, deuken
Voorbeeld:
(adjective) rijp, geschikt
Voorbeeld:
(adjective) seizoensgebonden, afhankelijk van het seizoen
Voorbeeld:
(adjective) zon-gedroogd
Voorbeeld: