Avatar of Vocabulary Set Delen en Soorten Fruit en Groenten

Vocabulaireverzameling Delen en Soorten Fruit en Groenten in Ingrediënten: Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'Delen en Soorten Fruit en Groenten' in 'Ingrediënten' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

edible

/ˈed.ə.bəl/

(adjective) eetbaar;

(noun) eetwaren, voedingsmiddelen

Voorbeeld:

These mushrooms are edible.
Deze paddenstoelen zijn eetbaar.

inedible

/ˌɪnˈed.ə.bəl/

(adjective) oneetbaar

Voorbeeld:

The berries were beautiful, but unfortunately, they were inedible.
De bessen waren prachtig, maar helaas waren ze oneetbaar.

legume

/ˈleɡ.juːm/

(noun) peulvrucht, boon

Voorbeeld:

Soybeans are a common legume used in many dishes.
Sojabonen zijn een veelvoorkomende peulvrucht die in veel gerechten wordt gebruikt.

nut

/nʌt/

(noun) noot, moer, gek;

(verb) inbeuken, koppen

Voorbeeld:

Squirrels bury nuts for the winter.
Eekhoorns begraven noten voor de winter.

caryopsis

/ˌker.iˈɑːp.sɪs/

(noun) graanvrucht, karyopse

Voorbeeld:

Wheat grains are a classic example of a caryopsis.
Tarwekorrels zijn een klassiek voorbeeld van een graanvrucht.

drupe

/druːp/

(noun) steenvrucht

Voorbeeld:

Cherries are a classic example of a drupe.
Kersen zijn een klassiek voorbeeld van een steenvrucht.

capsule

/ˈkæp.səl/

(noun) capsule, ruimtevaartuig, samenvatting;

(verb) samenvatten, inkapselen

Voorbeeld:

Take two capsules with water after meals.
Neem twee capsules met water na de maaltijd.

stone fruit

/ˈstoʊn fruːt/

(noun) steenvrucht

Voorbeeld:

Peaches, plums, and cherries are all types of stone fruit.
Perziken, pruimen en kersen zijn allemaal soorten steenvruchten.

citrus

/ˈsɪt.rəs/

(noun) citrus, citrusboom, citrusvrucht;

(adjective) citrus, citrusachtig

Voorbeeld:

The orchard is filled with various citrus trees.
De boomgaard is gevuld met verschillende citrusbomen.

seedless

/ˈsiːd.ləs/

(adjective) pitloos, zaadloos

Voorbeeld:

I prefer seedless grapes for snacking.
Ik geef de voorkeur aan pitloze druiven om te snacken.

leafy

/ˈliː.fi/

(adjective) bladrijk, bladerig

Voorbeeld:

The leafy trees provided much-needed shade.
De bladrijke bomen zorgden voor broodnodige schaduw.

bulb

/bʌlb/

(noun) bol, gloeilamp, lamp

Voorbeeld:

Plant the tulip bulb in the fall for spring blooms.
Plant de tulpenbol in de herfst voor lentebloemen.

stem

/stem/

(noun) stengel, stam, woordstam;

(verb) voortkomen uit, ontspringen, stoppen

Voorbeeld:

The rose stem had sharp thorns.
De rozenstengel had scherpe doornen.

root

/ruːt/

(noun) wortel, oorzaak, grondslag;

(verb) wortelen, zich vestigen, doen wortelen

Voorbeeld:

The tree's roots spread deep into the soil.
De wortels van de boom verspreiden zich diep in de grond.

tuber

/ˈtuː.bɚ/

(noun) knol

Voorbeeld:

Potatoes are a common example of a tuber.
Aardappelen zijn een veelvoorkomend voorbeeld van een knol.

tuberous

/ˈtuː.bɚ.əs/

(adjective) knolachtig, knolvormig

Voorbeeld:

Potatoes are a common example of tuberous plants.
Aardappelen zijn een veelvoorkomend voorbeeld van knolachtige planten.

marrow

/ˈmer.oʊ/

(noun) merg, beenmerg, kern

Voorbeeld:

Bone marrow is essential for producing blood cells.
Beenmerg is essentieel voor de aanmaak van bloedcellen.

core

/kɔːr/

(noun) kern, essentie, klokhuis;

(verb) ontkernen;

(adjective) kern, essentieel

Voorbeeld:

The core of the issue is lack of communication.
De kern van het probleem is gebrek aan communicatie.

dextrose

/ˈdek.stroʊs/

(noun) dextrose, druivensuiker

Voorbeeld:

Many sports drinks contain dextrose for quick energy.
Veel sportdranken bevatten dextrose voor snelle energie.

flesh

/fleʃ/

(noun) vlees, lichaam, vruchtvlees;

(verb) uitwerken, verdiepen

Voorbeeld:

The wound went deep into the flesh.
De wond ging diep in het vlees.

hull

/hʌl/

(noun) romp, schil, dop;

(verb) doppen, schillen

Voorbeeld:

The ship's hull was damaged after hitting the iceberg.
De romp van het schip raakte beschadigd na het raken van de ijsberg.

juice

/dʒuːs/

(noun) sap, stroom, elektriciteit;

(verb) persen, sap maken

Voorbeeld:

She squeezed fresh orange juice for breakfast.
Ze perste verse sinaasappelsap voor het ontbijt.

nectar

/ˈnek.tɚ/

(noun) nectar, nectar (drank van de goden), heerlijke drank

Voorbeeld:

Bees collect nectar from flowers to make honey.
Bijen verzamelen nectar van bloemen om honing te maken.

pectin

/ˈpek.tɪn/

(noun) pectine

Voorbeeld:

Apples are rich in natural pectin, which helps jams set.
Appels zijn rijk aan natuurlijke pectine, wat helpt bij het stollen van jam.

peel

/piːl/

(verb) schillen, pellen, bladderen;

(noun) schil, schillen

Voorbeeld:

She carefully peeled the apple before slicing it.
Ze schilde de appel voorzichtig voordat ze hem sneed.

pip

/pɪp/

(noun) pit, zaad, stip;

(verb) piepen, een piep geven

Voorbeeld:

Be careful not to swallow the pips when eating an apple.
Pas op dat je de pitjes niet doorslikt als je een appel eet.

pit

/pɪt/

(noun) kuil, put, pit;

(verb) deuken, aantasten, laten vechten

Voorbeeld:

The construction workers dug a deep pit for the foundation.
De bouwvakkers groeven een diepe kuil voor de fundering.

pith

/pɪθ/

(noun) kern, essentie, merg;

(verb) ontmergen

Voorbeeld:

The editor's job is to extract the pith of the argument.
De taak van de redacteur is om de kern van het argument te extraheren.

pulp

/pʌlp/

(noun) pulp, brei, moes;

(verb) verpulveren, tot moes maken

Voorbeeld:

The fruit was crushed into a sticky pulp.
Het fruit werd tot een kleverige pulp geplet.

rind

/raɪnd/

(noun) schil, korst;

(verb) schillen, ontkorsten

Voorbeeld:

Peel the rind off the orange before eating.
Schil de schil van de sinaasappel voordat je hem eet.

seed

/siːd/

(noun) zaad, pit, kiem;

(verb) zaaien, inzaaien, ontpitten

Voorbeeld:

Plant the seed in fertile soil.
Plant het zaad in vruchtbare grond.

segment

/ˈseɡ.mənt/

(noun) segment, deel, stuk;

(verb) segmenteren, verdelen

Voorbeeld:

The orange was divided into several segments.
De sinaasappel was verdeeld in verschillende segmenten.

skin

/skɪn/

(noun) huid, schil;

(verb) villen, schillen

Voorbeeld:

She has very sensitive skin.
Ze heeft een zeer gevoelige huid.

stalk

/stɑːk/

(noun) stengel, steel;

(verb) besluipen, stalken, stampen

Voorbeeld:

The flower had a long, slender stalk.
De bloem had een lange, slanke stengel.

stone

/stoʊn/

(noun) steen, pit;

(verb) ontpitten, ontstenen

Voorbeeld:

He threw a stone into the lake.
Hij gooide een steen in het meer.

zest

/zest/

(noun) levenslust, enthousiasme, pit;

(verb) raspen, schillen

Voorbeeld:

She approached life with a remarkable zest.
Ze benaderde het leven met een opmerkelijke levenslust.

cob

/kɑːb/

(noun) maïskolf, kolf, cob;

(verb) cobben, bouwen met cob

Voorbeeld:

After eating the corn, she discarded the cob.
Na het eten van de maïs gooide ze de kolf weg.

corncob

/ˈkɔːrn.kɑːb/

(noun) maïskolf

Voorbeeld:

After eating the corn, she discarded the corncob.
Na het eten van de maïs gooide ze de maïskolf weg.

eye

/aɪ/

(noun) oog, opening;

(verb) bekijken, observeren

Voorbeeld:

She has beautiful blue eyes.
Ze heeft prachtige blauwe ogen.

floret

/ˈflɔːr.ət/

(noun) bloem, roosje

Voorbeeld:

Each tiny floret contributed to the beauty of the sunflower.
Elke kleine bloem droeg bij aan de schoonheid van de zonnebloem.

top

/tɑːp/

(noun) top, bovenkant, bovenstuk;

(adjective) bovenste, hoogste, top;

(verb) toppen, overtreffen, afdekken;

(adverb) boven, bovenop

Voorbeeld:

He reached the top of the mountain.
Hij bereikte de top van de berg.

endosperm

/ˈen.doʊ.spɝːm/

(noun) endosperm, kiemwit

Voorbeeld:

The endosperm provides nourishment for the germinating seed.
Het endosperm voorziet het kiemende zaad van voeding.

seed coat

/ˈsiːd koʊt/

(noun) zaadhuid

Voorbeeld:

The seed coat protects the embryo inside.
De zaadhuid beschermt het embryo binnenin.

pericarp

/ˈper.ɪ.kɑːrp/

(noun) pericarp, vruchtwand

Voorbeeld:

The fleshy part of an apple is its pericarp.
Het vlezige deel van een appel is de pericarp.

fleshy

/ˈfleʃ.i/

(adjective) vlezig, vleesachtig

Voorbeeld:

The fruit has a thick, fleshy rind.
De vrucht heeft een dikke, vlezige schil.

glace

/ɡlæsˈeɪ/

(noun) gekonfijt fruit, glacé fruit;

(adjective) glacé, geglazuurd

Voorbeeld:

The fruitcake was filled with colorful glacé cherries.
De vruchtencake was gevuld met kleurrijke gekonfijte kersen.

overripe

/ˌoʊ.vɚˈraɪp/

(adjective) overrijp

Voorbeeld:

The bananas were overripe and mushy.
De bananen waren overrijp en papperig.

pitted

/ˈpɪt̬.ɪd/

(adjective) ontpit, gehavend, getekend;

(verb) ontpitten, aantasten, deuken

Voorbeeld:

These olives are already pitted.
Deze olijven zijn al ontpit.

ripe

/raɪp/

(adjective) rijp, geschikt

Voorbeeld:

The bananas are perfectly ripe for eating.
De bananen zijn perfect rijp om te eten.

seasonal

/ˈsiː.zən.əl/

(adjective) seizoensgebonden, afhankelijk van het seizoen

Voorbeeld:

The store offers a variety of seasonal fruits and vegetables.
De winkel biedt een verscheidenheid aan seizoensgebonden groenten en fruit.

sun-dried

/ˈsʌn.draɪd/

(adjective) zon-gedroogd

Voorbeeld:

She added sun-dried tomatoes to the pasta sauce.
Ze voegde zon-gedroogde tomaten toe aan de pastasaus.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland