Avatar of Vocabulary Set A2 - Letter T

Vocabulaireverzameling A2 - Letter T in Oxford 3000 - A2: Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'A2 - Letter T' in 'Oxford 3000 - A2' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

tablet

/ˈtæb.lət/

(noun) tablet, plaat, pil

Voorbeeld:

Ancient civilizations used clay tablets to record their history.
Oude beschavingen gebruikten kleitabletten om hun geschiedenis vast te leggen.

talk

/tɑːk/

(verb) praten, spreken, lezing geven;

(noun) gesprek, praatje, lezing

Voorbeeld:

Can we talk for a moment?
Kunnen we even praten?

target

/ˈtɑːr.ɡɪt/

(noun) doel, doelwit, streven;

(verb) richten op, doelwit maken van, viseren

Voorbeeld:

The archer hit the target with his arrow.
De boogschutter raakte het doel met zijn pijl.

task

/tæsk/

(noun) taak, opdracht;

(verb) belasten, opdragen

Voorbeeld:

Completing this report is my main task for today.
Het voltooien van dit rapport is mijn belangrijkste taak voor vandaag.

taste

/teɪst/

(noun) smaak, voorkeur;

(verb) proeven, smaken

Voorbeeld:

The soup has a delicious taste.
De soep heeft een heerlijke smaak.

teaching

/ˈtiː.tʃɪŋ/

(noun) onderwijs, lesgeven, lering

Voorbeeld:

She decided to go into teaching after graduating from college.
Ze besloot na haar afstuderen aan de universiteit het onderwijs in te gaan.

technology

/tekˈnɑː.lə.dʒi/

(noun) technologie, apparatuur

Voorbeeld:

Advancements in technology have transformed our daily lives.
Vooruitgang in technologie heeft ons dagelijks leven getransformeerd.

teenage

/ˈtiːn.eɪdʒ/

(adjective) tiener, adolescent

Voorbeeld:

She spent her teenage years living in London.
Ze bracht haar tienerjaren door in Londen.

temperature

/ˈtem.pɚ.ə.tʃɚ/

(noun) temperatuur, koorts

Voorbeeld:

The room temperature is 25 degrees Celsius.
De kamertemperatuur is 25 graden Celsius.

term

/tɝːm/

(noun) term, uitdrukking, termijn;

(verb) noemen, betitelen

Voorbeeld:

The legal term 'habeas corpus' is often misunderstood.
De juridische term 'habeas corpus' wordt vaak verkeerd begrepen.

text

/tekst/

(noun) tekst, geschrift, sms;

(verb) sms'en, een sms sturen

Voorbeeld:

The original text of the novel was much longer.
De originele tekst van de roman was veel langer.

themselves

/ðəmˈselvz/

(pronoun) zichzelf, zelf

Voorbeeld:

They bought themselves a new car.
Ze kochten zichzelf een nieuwe auto.

thick

/θɪk/

(adjective) dik, dicht, compact;

(adverb) dicht, dik

Voorbeeld:

The book has a thick cover.
Het boek heeft een dikke kaft.

thief

/θiːf/

(noun) dief

Voorbeeld:

The thief was caught trying to escape with the stolen jewels.
De dief werd betrapt toen hij probeerde te ontsnappen met de gestolen juwelen.

thin

/θɪn/

(adjective) dun, mager, slank;

(verb) verdunnen, uitdunnen;

(adverb) dun

Voorbeeld:

The book has a thin cover.
Het boek heeft een dunne kaft.

thinking

/ˈθɪŋ.kɪŋ/

(noun) denken, gedachte;

(verb) denkend, overwegend;

(adjective) denkend, nadenkend

Voorbeeld:

Her thinking was clear and logical.
Haar denken was helder en logisch.

third

/θɝːd/

(ordinal number) derde;

(noun) derde;

(adverb) derde

Voorbeeld:

She finished third in the race.
Ze eindigde als derde in de race.

thought

/θɑːt/

(noun) gedachte, idee, mening;

(past tense) dacht, gedacht

Voorbeeld:

She shared her thoughts on the matter.
Ze deelde haar gedachten over de kwestie.

throw

/θroʊ/

(verb) gooien, werpen, omverwerpen;

(noun) worp, gooi, plaid

Voorbeeld:

He decided to throw the ball to his dog.
Hij besloot de bal naar zijn hond te gooien.

tidy

/ˈtaɪ.di/

(adjective) netjes, opgeruimd;

(verb) opruimen, netjes maken

Voorbeeld:

Her room is always very tidy.
Haar kamer is altijd erg netjes.

tie

/taɪ/

(noun) das, stropdas, gelijkspel;

(verb) binden, vastmaken, gelijkspelen

Voorbeeld:

He wore a suit and a red tie to the wedding.
Hij droeg een pak en een rode das naar de bruiloft.

tip

/tɪp/

(noun) fooi, tip, advies;

(verb) fooi geven, omkiepen, kantelen

Voorbeeld:

He left a generous tip for the waiter.
Hij liet een royale fooi achter voor de ober.

tool

/tuːl/

(noun) gereedschap, hulpmiddel, instrument;

(verb) uitrusten, voorzien van gereedschap

Voorbeeld:

He used a hammer as a tool to fix the broken chair.
Hij gebruikte een hamer als gereedschap om de kapotte stoel te repareren.

top

/tɑːp/

(noun) top, bovenkant, bovenstuk;

(adjective) bovenste, hoogste, top;

(verb) toppen, overtreffen, afdekken;

(adverb) boven, bovenop

Voorbeeld:

He reached the top of the mountain.
Hij bereikte de top van de berg.

touch

/tʌtʃ/

(verb) aanraken, raken, aangrijpen;

(noun) aanraking, gevoel, vleugje

Voorbeeld:

Don't touch the wet paint.
Raak de natte verf niet aan.

tour

/tʊr/

(noun) rondreis, tournee, rondleiding;

(verb) toeren, rondreizen

Voorbeeld:

They went on a grand tour of Europe.
Ze gingen op een grote rondreis door Europa.

tourism

/ˈtʊr.ɪ.zəm/

(noun) toerisme

Voorbeeld:

The city's economy relies heavily on tourism.
De economie van de stad is sterk afhankelijk van toerisme.

towards

/tɔːrdz/

(preposition) naar, richting, voor

Voorbeeld:

She walked towards the door.
Ze liep naar de deur.

towel

/taʊəl/

(noun) handdoek;

(verb) afdrogen, drogen met een handdoek

Voorbeeld:

Please hand me that clean towel.
Geef me alsjeblieft die schone handdoek.

tower

/ˈtaʊ.ɚ/

(noun) toren;

(verb) uittorenen boven, bovenuit steken

Voorbeeld:

The Eiffel Tower is a famous landmark in Paris.
De Eiffeltoren is een beroemd herkenningspunt in Parijs.

toy

/tɔɪ/

(noun) speelgoed, speeltje, amusementsobject;

(verb) spelen met, overwegen

Voorbeeld:

The child played with a wooden toy car.
Het kind speelde met een houten speelgoedauto.

track

/træk/

(noun) pad, spoor, rupsband;

(verb) volgen, traceren, monitoren

Voorbeeld:

The old logging track was overgrown with weeds.
Het oude houthakkerspad was overwoekerd met onkruid.

tradition

/trəˈdɪʃ.ən/

(noun) traditie, gebruik, overlevering

Voorbeeld:

It's a family tradition to have turkey on Christmas Day.
Het is een familietraditie om kalkoen te eten op eerste kerstdag.

traditional

/trəˈdɪʃ.ən.əl/

(adjective) traditioneel, gebruikelijk

Voorbeeld:

The village still follows traditional customs.
Het dorp volgt nog steeds traditionele gebruiken.

train

/treɪn/

(noun) trein, sleep;

(verb) trainen, opleiden, oefenen

Voorbeeld:

The train arrived at the station on time.
De trein arriveerde op tijd op het station.

trainer

/ˈtreɪ.nɚ/

(noun) trainer, coach, sneaker

Voorbeeld:

The horse's trainer prepared it for the race.
De trainer van het paard bereidde het voor op de race.

training

/ˈtreɪ.nɪŋ/

(noun) training, opleiding

Voorbeeld:

The company provides extensive training for new employees.
Het bedrijf biedt uitgebreide training voor nieuwe medewerkers.

transport

/ˈtræn.spɔːrt/

(verb) vervoeren, transporteren, overweldigen;

(noun) vervoer, transportmiddel, vervoering

Voorbeeld:

The company uses trucks to transport goods across the country.
Het bedrijf gebruikt vrachtwagens om goederen door het hele land te vervoeren.

traveler

/ˈtræv.əl.ɚ/

(noun) reiziger, passagier

Voorbeeld:

The experienced traveler knew how to pack light.
De ervaren reiziger wist hoe hij licht moest inpakken.

trouble

/ˈtrʌb.əl/

(noun) moeite, problemen, gedoe;

(verb) storen, lastigvallen

Voorbeeld:

He's always getting into trouble.
Hij komt altijd in de problemen.

truck

/trʌk/

(noun) vrachtwagen, truck, kar;

(verb) vervoeren met vrachtwagen, trucken

Voorbeeld:

The delivery truck arrived late.
De bezorgwagen kwam te laat.

twin

/twɪn/

(noun) tweeling, tegenhanger, evenbeeld;

(verb) koppelen, verbroederen, een tweeling vormen;

(adjective) tweeling-, dubbel

Voorbeeld:

My sister gave birth to healthy twins.
Mijn zus beviel van gezonde tweelingen.

typical

/ˈtɪp.ɪ.kəl/

(adjective) typisch, kenmerkend, gebruikelijk

Voorbeeld:

It was a typical example of his generosity.
Het was een typisch voorbeeld van zijn vrijgevigheid.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland