Vocabulaireverzameling A2 - Letter T in Oxford 3000 - A2: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling 'A2 - Letter T' in 'Oxford 3000 - A2' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren(noun) tablet, plaat, pil
Voorbeeld:
(verb) praten, spreken, lezing geven;
(noun) gesprek, praatje, lezing
Voorbeeld:
(noun) doel, doelwit, streven;
(verb) richten op, doelwit maken van, viseren
Voorbeeld:
(noun) taak, opdracht;
(verb) belasten, opdragen
Voorbeeld:
(noun) smaak, voorkeur;
(verb) proeven, smaken
Voorbeeld:
(noun) onderwijs, lesgeven, lering
Voorbeeld:
(noun) technologie, apparatuur
Voorbeeld:
(adjective) tiener, adolescent
Voorbeeld:
(noun) temperatuur, koorts
Voorbeeld:
(noun) term, uitdrukking, termijn;
(verb) noemen, betitelen
Voorbeeld:
(noun) tekst, geschrift, sms;
(verb) sms'en, een sms sturen
Voorbeeld:
(pronoun) zichzelf, zelf
Voorbeeld:
(adjective) dik, dicht, compact;
(adverb) dicht, dik
Voorbeeld:
(noun) dief
Voorbeeld:
(adjective) dun, mager, slank;
(verb) verdunnen, uitdunnen;
(adverb) dun
Voorbeeld:
(noun) denken, gedachte;
(verb) denkend, overwegend;
(adjective) denkend, nadenkend
Voorbeeld:
(ordinal number) derde;
(noun) derde;
(adverb) derde
Voorbeeld:
(noun) gedachte, idee, mening;
(past tense) dacht, gedacht
Voorbeeld:
(verb) gooien, werpen, omverwerpen;
(noun) worp, gooi, plaid
Voorbeeld:
(adjective) netjes, opgeruimd;
(verb) opruimen, netjes maken
Voorbeeld:
(noun) das, stropdas, gelijkspel;
(verb) binden, vastmaken, gelijkspelen
Voorbeeld:
(noun) fooi, tip, advies;
(verb) fooi geven, omkiepen, kantelen
Voorbeeld:
(noun) gereedschap, hulpmiddel, instrument;
(verb) uitrusten, voorzien van gereedschap
Voorbeeld:
(noun) top, bovenkant, bovenstuk;
(adjective) bovenste, hoogste, top;
(verb) toppen, overtreffen, afdekken;
(adverb) boven, bovenop
Voorbeeld:
(verb) aanraken, raken, aangrijpen;
(noun) aanraking, gevoel, vleugje
Voorbeeld:
(noun) rondreis, tournee, rondleiding;
(verb) toeren, rondreizen
Voorbeeld:
(noun) toerisme
Voorbeeld:
(preposition) naar, richting, voor
Voorbeeld:
(noun) handdoek;
(verb) afdrogen, drogen met een handdoek
Voorbeeld:
(noun) toren;
(verb) uittorenen boven, bovenuit steken
Voorbeeld:
(noun) speelgoed, speeltje, amusementsobject;
(verb) spelen met, overwegen
Voorbeeld:
(noun) pad, spoor, rupsband;
(verb) volgen, traceren, monitoren
Voorbeeld:
(noun) traditie, gebruik, overlevering
Voorbeeld:
(adjective) traditioneel, gebruikelijk
Voorbeeld:
(noun) trein, sleep;
(verb) trainen, opleiden, oefenen
Voorbeeld:
(noun) trainer, coach, sneaker
Voorbeeld:
(noun) training, opleiding
Voorbeeld:
(verb) vervoeren, transporteren, overweldigen;
(noun) vervoer, transportmiddel, vervoering
Voorbeeld:
(noun) reiziger, passagier
Voorbeeld:
(noun) moeite, problemen, gedoe;
(verb) storen, lastigvallen
Voorbeeld:
(noun) vrachtwagen, truck, kar;
(verb) vervoeren met vrachtwagen, trucken
Voorbeeld:
(noun) tweeling, tegenhanger, evenbeeld;
(verb) koppelen, verbroederen, een tweeling vormen;
(adjective) tweeling-, dubbel
Voorbeeld:
(adjective) typisch, kenmerkend, gebruikelijk
Voorbeeld: