Vocabulaireverzameling Werkwoorden gerelateerd aan Architectuur en Constructie in Architectuur en Constructie: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling 'Werkwoorden gerelateerd aan Architectuur en Constructie' in 'Architectuur en Constructie' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren(verb) bouwen, opbouwen, toenemen;
(noun) bouw, lichaamsbouw
Voorbeeld:
(verb) verzamelen, bijeenkomen, monteren
Voorbeeld:
(verb) instorten, ineenstorten, bezinken;
(noun) instorting, ineenstorting, val
Voorbeeld:
(noun) beton;
(adjective) concreet, tastbaar;
(verb) betonneren
Voorbeeld:
(verb) bouwen, construeren, opbouwen;
(noun) construct, bouwsel
Voorbeeld:
(verb) slopen, afbreken, vernietigen
Voorbeeld:
(adjective) rechtop, opgericht;
(verb) oprichten, bouwen
Voorbeeld:
(verb) uitgraven, opgraven, blootleggen
Voorbeeld:
(noun) glazuur, glanslaag, glans;
(verb) glaceren, glazuren, glazig worden
Voorbeeld:
(noun) buik, ingewanden, onderbuikgevoel;
(verb) ontweiden, schoonmaken, uitbranden;
(adjective) instinctief, onderbuik
Voorbeeld:
(phrasal verb) neerslaan, omverwerpen, verlagen
Voorbeeld:
(noun) niveau, peil, vlak;
(adjective) vlak, waterpas;
(verb) egaliseren, vlak maken
Voorbeeld:
(noun) pleister, stucwerk, verband;
(verb) pleisteren, stucen, verband aanleggen
Voorbeeld:
(phrasal verb) slopen, afbreken, naar beneden halen
Voorbeeld:
(verb) herbouwen, wederopbouwen, herstellen
Voorbeeld:
(verb) reconstrueren, herbouwen, natrekken
Voorbeeld:
(verb) renoveren, opknappen
Voorbeeld:
(verb) versterken, verstevigen, aanvullen
Voorbeeld:
(verb) verlenen, geven, uitspreken
Voorbeeld:
(verb) opnieuw bedraden, herbedraden, herprogrammeren
Voorbeeld:
(noun) draad, afluisterapparaat, microfoon;
(verb) overmaken, bedraden, installeren
Voorbeeld:
(noun) zand;
(verb) schuren, gladschuren
Voorbeeld:
(verb) ondersteunen, steunen, onderhouden;
(noun) ondersteuning, steun, draagvlak
Voorbeeld:
(noun) riet, strooien dak;
(verb) rietdekken, met stro bedekken
Voorbeeld:
(noun) tegel, dakpan;
(verb) betegelen, dakpannen leggen
Voorbeeld:
(noun) klomp;
(verb) verstoppen, blokkeren
Voorbeeld:
(verb) peilen, diepte meten, doorgronden;
(adjective) loodrecht, verticaal;
(adverb) precies, exact
Voorbeeld:
(verb) leggen, eieren leggen;
(noun) ligging, indeling;
(adjective) leken, niet-geestelijk
Voorbeeld:
(noun) hamer, hamer (vuurwapen);
(verb) hameren, slaan
Voorbeeld:
(verb) installeren, plaatsen, aanstellen
Voorbeeld:
(noun) inlegwerk, inlegstuk, inlay;
(verb) inleggen, inbedden
Voorbeeld:
(verb) onderhouden, in stand houden, handhaven
Voorbeeld:
(noun) ontwerp, tekening, vormgeving;
(verb) ontwerpen, vormgeven, bestemmen voor
Voorbeeld:
(noun) ingenieur;
(verb) ontwerpen, bouwen, manipuleren
Voorbeeld:
(verb) lassen, smeden, verenigen;
(noun) las, lasverbinding
Voorbeeld:
(verb) verzinnen, vervalsen, fabriceren
Voorbeeld:
(verb) demonteren, afbreken, ontmantelen
Voorbeeld:
(noun) plan, ontwerp, plattegrond;
(verb) plannen, organiseren
Voorbeeld:
(verb) inspecteren, controleren, nazien
Voorbeeld:
(noun) lijst, kozijn, frame;
(verb) lijsten, inlijsten, formuleren
Voorbeeld:
(noun) landschap, landschapsschilderij, landschapsfoto;
(verb) landschappen, aanleggen
Voorbeeld:
(adjective) stevig, veilig, vast;
(verb) bevestigen, vastzetten, verzekeren
Voorbeeld:
(noun) afdichting, zegel, stempel;
(verb) verzegelen, afdichten, bezegelen
Voorbeeld: