Avatar of Vocabulary Set Veelvoorkomende Engelse Medische Woordenschat

Vocabulaireverzameling Veelvoorkomende Engelse Medische Woordenschat in Gezondheidswetenschappen: Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'Veelvoorkomende Engelse Medische Woordenschat' in 'Gezondheidswetenschappen' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

ache

/eɪk/

(noun) pijn, verdriet, verlangen;

(verb) pijn doen, zeuren, verlangen

Voorbeeld:

I have a dull ache in my lower back.
Ik heb een doffe pijn in mijn onderrug.

allergy

/ˈæl.ɚ.dʒi/

(noun) allergie

Voorbeeld:

She has a severe allergy to peanuts.
Ze heeft een ernstige allergie voor pinda's.

antihistamine

/ˌæn.t̬iˈhɪs.tə.mɪn/

(noun) antihistaminicum

Voorbeeld:

She took an antihistamine to relieve her hay fever symptoms.
Ze nam een antihistaminicum om haar hooikoortssymptomen te verlichten.

appetite

/ˈæp.ə.taɪt/

(noun) eetlust, trek, verlangen

Voorbeeld:

He has a healthy appetite after his morning run.
Hij heeft een gezonde eetlust na zijn ochtendloop.

aspirin

/ˈæs.prɪn/

(noun) aspirine

Voorbeeld:

She took an aspirin for her headache.
Ze nam een aspirine tegen haar hoofdpijn.

bandage

/ˈbæn.dɪdʒ/

(noun) verband, zwachtel;

(verb) verbanden, zwachtelen

Voorbeeld:

She wrapped a bandage around his sprained ankle.
Ze wikkelde een verband om zijn verstuikte enkel.

blood

/blʌd/

(noun) bloed, temperament, aard;

(verb) bloeden, bevlekken met bloed

Voorbeeld:

He lost a lot of blood in the accident.
Hij verloor veel bloed bij het ongeluk.

bone

/boʊn/

(noun) bot, been, botmateriaal;

(verb) ontbenen

Voorbeeld:

The dog buried a bone in the backyard.
De hond begroef een bot in de achtertuin.

broken

/ˈbroʊ.kən/

(adjective) gebroken, kapot, geschonden;

(past participle) gebroken, verbroken

Voorbeeld:

The vase fell and was completely broken.
De vaas viel en was volledig gebroken.

bronchitis

/brɑːŋˈkaɪ.t̬əs/

(noun) bronchitis

Voorbeeld:

The doctor diagnosed him with acute bronchitis.
De dokter diagnosticeerde hem met acute bronchitis.

bruise

/bruːz/

(noun) blauwe plek, kneuzing;

(verb) kneuzen, blauwe plekken veroorzaken, kwetsen

Voorbeeld:

He had a large bruise on his arm after falling.
Hij had een grote blauwe plek op zijn arm na het vallen.

clinic

/ˈklɪn.ɪk/

(noun) kliniek, polikliniek, cursus

Voorbeeld:

She has an appointment at the dental clinic tomorrow.
Ze heeft morgen een afspraak bij de tandartskliniek.

cold

/koʊld/

(adjective) koud, afstandelijk, ongevoelig;

(noun) verkoudheid

Voorbeeld:

It's cold outside, so wear a jacket.
Het is koud buiten, dus draag een jas.

contagious

/kənˈteɪ.dʒəs/

(adjective) besmettelijk, aanstekelijk

Voorbeeld:

The flu is highly contagious.
De griep is zeer besmettelijk.

cough

/kɑːf/

(verb) hoesten;

(noun) hoest

Voorbeeld:

He started to cough uncontrollably during the meeting.
Hij begon oncontroleerbaar te hoesten tijdens de vergadering.

crutch

/krʌtʃ/

(noun) kruk, steun, hulpmiddel;

(verb) met krukken lopen, ondersteunen met krukken

Voorbeeld:

After the accident, he had to use a crutch to walk.
Na het ongeluk moest hij een kruk gebruiken om te lopen.

cut

/kʌt/

(verb) snijden, knippen, hakken;

(noun) snede, knippen, coupe;

(adjective) gesneden, geknipt

Voorbeeld:

She accidentally cut her finger while chopping vegetables.
Ze sneed per ongeluk haar vinger tijdens het snijden van groenten.

decongestant

/ˌdiː.kənˈdʒes.tənt/

(noun) decongestivum, ontzwellend middel;

(adjective) decongestief, ontzwellend

Voorbeeld:

She took a decongestant to relieve her stuffy nose.
Ze nam een decongestivum om haar verstopte neus te verlichten.

diarrhea

/ˌdaɪ.əˈriː.ə/

(noun) diarree

Voorbeeld:

He suffered from severe diarrhea after eating contaminated food.
Hij leed aan ernstige diarree na het eten van besmet voedsel.

dizzy

/ˈdɪz.i/

(adjective) duizelig, duizelingwekkend, dwaas

Voorbeeld:

I felt dizzy after spinning around so fast.
Ik voelde me duizelig na zo snel rond te draaien.

fever

/ˈfiː.vɚ/

(noun) koorts, opwinding

Voorbeeld:

The child had a high fever and was restless.
Het kind had hoge koorts en was onrustig.

first aid

/ˌfɜːrst ˈeɪd/

(noun) eerste hulp

Voorbeeld:

He administered first aid to the injured runner.
Hij diende eerste hulp toe aan de geblesseerde hardloper.

flu

/fluː/

(noun) griep

Voorbeeld:

I've got the flu and feel terrible.
Ik heb de griep en voel me verschrikkelijk.

headache

/ˈhed.eɪk/

(noun) hoofdpijn, probleem, lastpost

Voorbeeld:

I woke up with a terrible headache this morning.
Ik werd vanmorgen wakker met een vreselijke hoofdpijn.

indigestion

/ˌɪn.dɪˈdʒes.tʃən/

(noun) indigestie, spijsverteringsstoornis

Voorbeeld:

After eating too much, he suffered from severe indigestion.
Na te veel gegeten te hebben, leed hij aan ernstige indigestie.

infection

/ɪnˈfek.ʃən/

(noun) infectie, besmetting, infectieziekte

Voorbeeld:

The doctor prescribed antibiotics to treat the bacterial infection.
De dokter schreef antibiotica voor om de bacteriële infectie te behandelen.

influenza

/ˌɪn.fluˈen.zə/

(noun) influenza, griep

Voorbeeld:

The doctor diagnosed her with influenza.
De dokter diagnosticeerde haar met influenza.

injection

/ɪnˈdʒek.ʃən/

(noun) injectie, prik, inbreng

Voorbeeld:

The nurse gave him an injection to relieve the pain.
De verpleegster gaf hem een injectie om de pijn te verlichten.

injury

/ˈɪn.dʒər.i/

(noun) blessure, verwonding, schade

Voorbeeld:

He sustained a serious leg injury in the accident.
Hij liep een ernstige beenblessure op bij het ongeluk.

medication

/ˌmed.əˈkeɪ.ʃən/

(noun) medicatie, geneesmiddel, behandeling

Voorbeeld:

He is currently on medication for his high blood pressure.
Hij gebruikt momenteel medicatie voor zijn hoge bloeddruk.

muscle

/ˈmʌs.əl/

(noun) spier, spierkracht, kracht;

(verb) zich opdringen, met geweld binnendringen

Voorbeeld:

He pulled a muscle in his leg while running.
Hij verrekte een spier in zijn been tijdens het rennen.

nausea

/ˈnɑː.ʒə/

(noun) misselijkheid, walging, afkeer

Voorbeeld:

She experienced severe nausea after taking the medication.
Ze ervoer ernstige misselijkheid na het innemen van de medicatie.

pain

/peɪn/

(noun) pijn, leed, verdriet;

(verb) pijn doen, kwellen

Voorbeeld:

She felt a sharp pain in her leg.
Ze voelde een scherpe pijn in haar been.

painful

/ˈpeɪn.fəl/

(adjective) pijnlijk, kwetsend

Voorbeeld:

The injection was quite painful.
De injectie was behoorlijk pijnlijk.

prescribe

/prɪˈskraɪb/

(verb) voorschrijven, bepalen

Voorbeeld:

The doctor prescribed antibiotics for her infection.
De dokter schreef antibiotica voor haar infectie voor.

prescription

/prɪˈskrɪp.ʃən/

(noun) recept, doktersvoorschrift, voorschrijven

Voorbeeld:

The doctor gave me a prescription for antibiotics.
De dokter gaf me een recept voor antibiotica.

rash

/ræʃ/

(noun) uitslag, huiduitslag;

(adjective) overhaast, onbezonnen

Voorbeeld:

The baby developed a diaper rash.
De baby ontwikkelde luieruitslag.

shot

/ʃɑːt/

(noun) schot, afvuren, poging;

(past tense) schoot, opgenomen;

(past participle) schoot, opgenomen

Voorbeeld:

We heard a loud shot in the distance.
We hoorden een luid schot in de verte.

sneeze

/sniːz/

(verb) niezen;

(noun) nies

Voorbeeld:

The dust made her sneeze.
Het stof deed haar niezen.

sore

/sɔːr/

(adjective) pijnlijk, gevoelig, geërgerd;

(noun) zweer, wond, koortslip

Voorbeeld:

My muscles are sore after the workout.
Mijn spieren zijn pijnlijk na de training.

splint

/splɪnt/

(noun) spalk;

(verb) spalken

Voorbeeld:

The doctor applied a splint to her broken arm.
De dokter legde een spalk om haar gebroken arm.

sprain

/spreɪn/

(verb) verstuiken;

(noun) verstuiking

Voorbeeld:

She fell and sprained her ankle.
Ze viel en verstuwde haar enkel.

stomach

/ˈstʌm.ək/

(noun) maag, buik, abdomen;

(verb) verdragen, tolereren

Voorbeeld:

My stomach hurts after eating too much.
Mijn maag doet pijn na te veel eten.

tendon

/ˈten.dən/

(noun) pees

Voorbeeld:

He strained a tendon in his ankle while playing basketball.
Hij verrekte een pees in zijn enkel tijdens het basketballen.

thermometer

/θɚˈmɑː.mə.t̬ɚ/

(noun) thermometer

Voorbeeld:

The nurse used a thermometer to check the patient's temperature.
De verpleegster gebruikte een thermometer om de temperatuur van de patiënt te controleren.

virus

/ˈvaɪ.rəs/

(noun) virus, computervirus

Voorbeeld:

The common cold is caused by a virus.
De verkoudheid wordt veroorzaakt door een virus.

vomit

/ˈvɑː.mɪt/

(verb) overgeven, braken;

(noun) braaksel, overgeefsel

Voorbeeld:

He felt so sick that he thought he was going to vomit.
Hij voelde zich zo ziek dat hij dacht dat hij zou overgeven.

waiting room

/ˈweɪtɪŋ ruːm/

(noun) wachtkamer

Voorbeeld:

The doctor's waiting room was full of patients.
De wachtkamer van de dokter zat vol patiënten.

wound

/wuːnd/

(noun) wond, blessure, kwetsing;

(verb) verwonden, kwetsen, pijn doen

Voorbeeld:

The doctor cleaned the deep wound on his arm.
De dokter reinigde de diepe wond op zijn arm.

overweight

/ˌoʊ.vɚˈweɪt/

(adjective) overgewicht, te zwaar

Voorbeeld:

The doctor told him he was overweight and needed to exercise more.
De dokter vertelde hem dat hij overgewicht had en meer moest bewegen.

obesity

/oʊˈbiː.sə.t̬i/

(noun) obesitas, zwaarlijvigheid

Voorbeeld:

Childhood obesity is a growing concern worldwide.
Kinderobesitas is wereldwijd een groeiende zorg.

eating disorder

/ˈiːtɪŋ dɪsˌɔːrdər/

(noun) eetstoornis

Voorbeeld:

She sought therapy for her eating disorder.
Ze zocht therapie voor haar eetstoornis.

nutrient

/ˈnuː.tri.ənt/

(noun) voedingsstof, voedingsmiddel

Voorbeeld:

Plants absorb essential nutrients from the soil.
Planten nemen essentiële voedingsstoffen op uit de bodem.

diet

/ˈdaɪ.ət/

(noun) dieet, voeding, kuur;

(verb) diëten, op dieet zijn

Voorbeeld:

A healthy diet includes plenty of fruits and vegetables.
Een gezond dieet omvat veel fruit en groenten.

overeating

/ˌoʊ.vɚˈiː.t̬ɪŋ/

(noun) overeten, vraatzucht

Voorbeeld:

Overeating can lead to weight gain and health problems.
Overeten kan leiden tot gewichtstoename en gezondheidsproblemen.

ingredient

/ɪnˈɡriː.di.ənt/

(noun) ingrediënt, bestanddeel, factor

Voorbeeld:

The main ingredient of this cake is flour.
Het belangrijkste ingrediënt van deze cake is bloem.

additive

/ˈæd.ə.t̬ɪv/

(noun) additief, toevoeging, hulpstof;

(adjective) additief, toevoegend

Voorbeeld:

Many processed foods contain artificial additives.
Veel bewerkte voedingsmiddelen bevatten kunstmatige additieven.

prevent

/prɪˈvent/

(verb) voorkomen, verhinderen, beletten

Voorbeeld:

The new policy aims to prevent fraud.
Het nieuwe beleid is gericht op het voorkomen van fraude.

variety

/vəˈraɪ.ə.t̬i/

(noun) verscheidenheid, variatie, variëteit

Voorbeeld:

The store offers a wide variety of products.
De winkel biedt een grote verscheidenheid aan producten.

fibre

/ˈfaɪ.bɚ/

(noun) vezel, voedingsvezel

Voorbeeld:

Cotton fibres are used to make fabric.
Katoenvezels worden gebruikt om stof te maken.

regular

/ˈreɡ.jə.lɚ/

(adjective) regelmatig, gewoon, gelijkmatig;

(noun) vaste klant, habitué

Voorbeeld:

She makes regular visits to her grandmother.
Ze brengt regelmatig bezoeken aan haar grootmoeder.

diabetes

/ˌdaɪ.əˈbiː.t̬iːz/

(noun) diabetes, suikerziekte

Voorbeeld:

She was diagnosed with type 2 diabetes last year.
Ze werd vorig jaar gediagnosticeerd met type 2 diabetes.

abnormal

/æbˈnɔːr.məl/

(adjective) abnormaal, ongewoon

Voorbeeld:

The patient's blood test results were abnormal.
De bloedtestresultaten van de patiënt waren abnormaal.

acute

/əˈkjuːt/

(adjective) acuut, scherpzinnig, ernstig

Voorbeeld:

She has an acute sense of smell.
Ze heeft een acuut reukvermogen.

chronic disease

/ˈkrɑː.nɪk dɪˈziːz/

(noun) chronische ziekte

Voorbeeld:

Diabetes is a common chronic disease that requires daily management.
Diabetes is een veelvoorkomende chronische ziekte die dagelijks beheer vereist.

amnesia

/æmˈniː.ʒə/

(noun) amnesie, geheugenverlies

Voorbeeld:

After the accident, he suffered from temporary amnesia.
Na het ongeluk leed hij aan tijdelijke amnesie.

appointment

/əˈpɔɪnt.mənt/

(noun) afspraak, benoeming, aanstelling

Voorbeeld:

I have a doctor's appointment at 3 PM.
Ik heb een doktersafspraak om 15.00 uur.

antibiotic

/ˌæn.t̬i.baɪˈɑː.t̬ɪk/

(noun) antibioticum;

(adjective) antibiotisch

Voorbeeld:

The doctor prescribed an antibiotic for her infection.
De dokter schreef een antibioticum voor haar infectie voor.

asthma

/ˈæz.mə/

(noun) astma

Voorbeeld:

She has suffered from asthma since childhood.
Ze lijdt al sinds haar jeugd aan astma.

bedsore

/ˈbed.sɔːr/

(noun) doorligwond, decubitus

Voorbeeld:

The nurse carefully cleaned the patient's bedsore.
De verpleegster reinigde voorzichtig de doorligwond van de patiënt.

biopsy

/ˈbaɪ.ɑːp.si/

(noun) biopsie;

(verb) biopseren

Voorbeeld:

The doctor recommended a biopsy to check for abnormal cells.
De dokter raadde een biopsie aan om te controleren op afwijkende cellen.

blood pressure

/ˈblʌd ˌpreʃ.ər/

(noun) bloeddruk

Voorbeeld:

The doctor checked her blood pressure during the examination.
De dokter controleerde haar bloeddruk tijdens het onderzoek.

cancer

/ˈkæn.sɚ/

(noun) kanker, Kreeft, sterrenbeeld Kreeft

Voorbeeld:

She is undergoing treatment for lung cancer.
Ze ondergaat behandeling voor longkanker.

chemotherapy

/ˌkiː.moʊˈθer.ə.pi/

(noun) chemotherapie

Voorbeeld:

She is undergoing chemotherapy for breast cancer.
Ze ondergaat chemotherapie voor borstkanker.

deficiency

/dɪˈfɪʃ.ən.si/

(noun) tekort, gebrek, tekortkoming

Voorbeeld:

The patient was diagnosed with a vitamin D deficiency.
De patiënt werd gediagnosticeerd met een vitamine D-tekort.

disease

/dɪˈziːz/

(noun) ziekte, aandoening

Voorbeeld:

Heart disease is a major cause of death.
Hartziekte is een belangrijke doodsoorzaak.

growth

/ɡroʊθ/

(noun) groei, toename, ontwikkeling

Voorbeeld:

The company experienced rapid growth in the last quarter.
Het bedrijf kende een snelle groei in het laatste kwartaal.

hives

/hɑɪvz/

(plural noun) netelroos, urticaria

Voorbeeld:

After eating the peanuts, she broke out in hives.
Na het eten van de pinda's kreeg ze netelroos.

incision

/ɪnˈsɪʒ.ən/

(noun) incisie, snede, inkeping

Voorbeeld:

The surgeon made a small incision to begin the operation.
De chirurg maakte een kleine incisie om de operatie te beginnen.

infant

/ˈɪn.fənt/

(noun) baby, zuigeling;

(adjective) zuigeling, beginnend, rudimentair

Voorbeeld:

The infant slept peacefully in its crib.
De baby sliep vredig in zijn wiegje.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland