Vocabulaireverzameling Veelvoorkomende Engelse Medische Woordenschat in Gezondheidswetenschappen: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling 'Veelvoorkomende Engelse Medische Woordenschat' in 'Gezondheidswetenschappen' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren(noun) pijn, verdriet, verlangen;
(verb) pijn doen, zeuren, verlangen
Voorbeeld:
(noun) allergie
Voorbeeld:
(noun) antihistaminicum
Voorbeeld:
(noun) eetlust, trek, verlangen
Voorbeeld:
(noun) aspirine
Voorbeeld:
(noun) verband, zwachtel;
(verb) verbanden, zwachtelen
Voorbeeld:
(noun) bloed, temperament, aard;
(verb) bloeden, bevlekken met bloed
Voorbeeld:
(noun) bot, been, botmateriaal;
(verb) ontbenen
Voorbeeld:
(adjective) gebroken, kapot, geschonden;
(past participle) gebroken, verbroken
Voorbeeld:
(noun) bronchitis
Voorbeeld:
(noun) blauwe plek, kneuzing;
(verb) kneuzen, blauwe plekken veroorzaken, kwetsen
Voorbeeld:
(noun) kliniek, polikliniek, cursus
Voorbeeld:
(adjective) koud, afstandelijk, ongevoelig;
(noun) verkoudheid
Voorbeeld:
(adjective) besmettelijk, aanstekelijk
Voorbeeld:
(verb) hoesten;
(noun) hoest
Voorbeeld:
(noun) kruk, steun, hulpmiddel;
(verb) met krukken lopen, ondersteunen met krukken
Voorbeeld:
(verb) snijden, knippen, hakken;
(noun) snede, knippen, coupe;
(adjective) gesneden, geknipt
Voorbeeld:
(noun) decongestivum, ontzwellend middel;
(adjective) decongestief, ontzwellend
Voorbeeld:
(noun) diarree
Voorbeeld:
(adjective) duizelig, duizelingwekkend, dwaas
Voorbeeld:
(noun) koorts, opwinding
Voorbeeld:
(noun) eerste hulp
Voorbeeld:
(noun) griep
Voorbeeld:
(noun) hoofdpijn, probleem, lastpost
Voorbeeld:
(noun) indigestie, spijsverteringsstoornis
Voorbeeld:
(noun) infectie, besmetting, infectieziekte
Voorbeeld:
(noun) influenza, griep
Voorbeeld:
(noun) injectie, prik, inbreng
Voorbeeld:
(noun) blessure, verwonding, schade
Voorbeeld:
(noun) medicatie, geneesmiddel, behandeling
Voorbeeld:
(noun) spier, spierkracht, kracht;
(verb) zich opdringen, met geweld binnendringen
Voorbeeld:
(noun) misselijkheid, walging, afkeer
Voorbeeld:
(noun) pijn, leed, verdriet;
(verb) pijn doen, kwellen
Voorbeeld:
(adjective) pijnlijk, kwetsend
Voorbeeld:
(verb) voorschrijven, bepalen
Voorbeeld:
(noun) recept, doktersvoorschrift, voorschrijven
Voorbeeld:
(noun) uitslag, huiduitslag;
(adjective) overhaast, onbezonnen
Voorbeeld:
(noun) schot, afvuren, poging;
(past tense) schoot, opgenomen;
(past participle) schoot, opgenomen
Voorbeeld:
(verb) niezen;
(noun) nies
Voorbeeld:
(adjective) pijnlijk, gevoelig, geërgerd;
(noun) zweer, wond, koortslip
Voorbeeld:
(noun) spalk;
(verb) spalken
Voorbeeld:
(verb) verstuiken;
(noun) verstuiking
Voorbeeld:
(noun) maag, buik, abdomen;
(verb) verdragen, tolereren
Voorbeeld:
(noun) pees
Voorbeeld:
(noun) thermometer
Voorbeeld:
(noun) virus, computervirus
Voorbeeld:
(verb) overgeven, braken;
(noun) braaksel, overgeefsel
Voorbeeld:
(noun) wachtkamer
Voorbeeld:
(noun) wond, blessure, kwetsing;
(verb) verwonden, kwetsen, pijn doen
Voorbeeld:
(adjective) overgewicht, te zwaar
Voorbeeld:
(noun) obesitas, zwaarlijvigheid
Voorbeeld:
(noun) eetstoornis
Voorbeeld:
(noun) voedingsstof, voedingsmiddel
Voorbeeld:
(noun) dieet, voeding, kuur;
(verb) diëten, op dieet zijn
Voorbeeld:
(noun) overeten, vraatzucht
Voorbeeld:
(noun) ingrediënt, bestanddeel, factor
Voorbeeld:
(noun) additief, toevoeging, hulpstof;
(adjective) additief, toevoegend
Voorbeeld:
(verb) voorkomen, verhinderen, beletten
Voorbeeld:
(noun) verscheidenheid, variatie, variëteit
Voorbeeld:
(noun) vezel, voedingsvezel
Voorbeeld:
(adjective) regelmatig, gewoon, gelijkmatig;
(noun) vaste klant, habitué
Voorbeeld:
(noun) diabetes, suikerziekte
Voorbeeld:
(adjective) abnormaal, ongewoon
Voorbeeld:
(adjective) acuut, scherpzinnig, ernstig
Voorbeeld:
(noun) chronische ziekte
Voorbeeld:
(noun) amnesie, geheugenverlies
Voorbeeld:
(noun) afspraak, benoeming, aanstelling
Voorbeeld:
(noun) antibioticum;
(adjective) antibiotisch
Voorbeeld:
(noun) astma
Voorbeeld:
(noun) doorligwond, decubitus
Voorbeeld:
(noun) biopsie;
(verb) biopseren
Voorbeeld:
(noun) bloeddruk
Voorbeeld:
(noun) kanker, Kreeft, sterrenbeeld Kreeft
Voorbeeld:
(noun) chemotherapie
Voorbeeld:
(noun) tekort, gebrek, tekortkoming
Voorbeeld:
(noun) ziekte, aandoening
Voorbeeld:
(noun) groei, toename, ontwikkeling
Voorbeeld:
(plural noun) netelroos, urticaria
Voorbeeld:
(noun) incisie, snede, inkeping
Voorbeeld:
(noun) baby, zuigeling;
(adjective) zuigeling, beginnend, rudimentair
Voorbeeld: