Avatar of Vocabulary Set Eenheid 7: Recepten en Eetgewoonten

Vocabulaireverzameling Eenheid 7: Recepten en Eetgewoonten in Graad 9: Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'Eenheid 7: Recepten en Eetgewoonten' in 'Graad 9' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

allergic

/əˈlɝː.dʒɪk/

(adjective) allergisch, een hekel hebben aan

Voorbeeld:

I'm allergic to peanuts.
Ik ben allergisch voor pinda's.

celery

/ˈsel.ɚ.i/

(noun) selderij

Voorbeeld:

She added chopped celery to the soup.
Ze voegde gehakte selderij toe aan de soep.

chop

/tʃɑːp/

(verb) hakken, snijden, slaan;

(noun) slag, hak, kotelet

Voorbeeld:

He began to chop wood for the fire.
Hij begon hout te hakken voor het vuur.

chunk

/tʃʌŋk/

(noun) homp, stuk, deel;

(verb) in stukken hakken, in brokken snijden

Voorbeeld:

He cut a large chunk of bread.
Hij sneed een grote homp brood.

cube

/kjuːb/

(noun) kubus, klontje, blokje;

(verb) tot de derde macht verheffen, kuberen, in blokjes snijden

Voorbeeld:

The children were playing with wooden cubes.
De kinderen speelden met houten kubussen.

deep-fry

/ˌdiːpˈfraɪ/

(verb) frituren, diepfrituren

Voorbeeld:

She decided to deep-fry the chicken for dinner.
Ze besloot de kip te frituren voor het avondeten.

dip

/dɪp/

(verb) dompelen, dippen, dalen;

(noun) daling, duik, dip

Voorbeeld:

She dipped her toe in the cold water.
Ze dompelde haar teen in het koude water.

drain

/dreɪn/

(verb) afvoeren, leegpompen, aftappen;

(noun) afvoer, goot, riool

Voorbeeld:

She drained the pasta in a colander.
Ze goot de pasta af in een vergiet.

garnish

/ˈɡɑːr.nɪʃ/

(verb) garneren, versieren, beslag leggen op;

(noun) garnering, versiering

Voorbeeld:

Garnish the dish with fresh parsley.
Garneer het gerecht met verse peterselie.

grate

/ɡreɪt/

(verb) raspen, kraken, schuren;

(noun) rooster, haardrooster

Voorbeeld:

She began to grate the cheese for the pasta.
Ze begon de kaas te raspen voor de pasta.

grill

/ɡrɪl/

(noun) grill, barbecue, grillrestaurant;

(verb) grillen, barbecueën, ondervragen

Voorbeeld:

We cooked burgers on the grill.
We kookten hamburgers op de grill.

ingredient

/ɪnˈɡriː.di.ənt/

(noun) ingrediënt, bestanddeel, factor

Voorbeeld:

The main ingredient of this cake is flour.
Het belangrijkste ingrediënt van deze cake is bloem.

marinate

/ˌmer.əˈneɪd/

(verb) marineren, laten bezinken

Voorbeeld:

Marinate the chicken in lemon juice and herbs for an hour.
Marineer de kip een uur in citroensap en kruiden.

nutritious

/nuːˈtrɪʃ.əs/

(adjective) voedzaam, voedingsrijk

Voorbeeld:

This meal is both delicious and nutritious.
Deze maaltijd is zowel lekker als voedzaam.

peel

/piːl/

(verb) schillen, pellen, bladderen;

(noun) schil, schillen

Voorbeeld:

She carefully peeled the apple before slicing it.
Ze schilde de appel voorzichtig voordat ze hem sneed.

prawn

/prɑːn/

(noun) garnaal

Voorbeeld:

We ordered a dish with grilled prawns.
We bestelden een gerecht met gegrilde garnalen.

purée

/ˌpjʊˈreɪ/

(noun) puree;

(verb) purere, fijnprakken

Voorbeeld:

She made a delicious apple purée for the baby.
Ze maakte een heerlijke appelpuree voor de baby.

roast

/roʊst/

(verb) braden, roosteren, roasten;

(noun) braadstuk, gebraad, roast;

(adjective) gebraden, geroosterd

Voorbeeld:

We decided to roast a chicken for dinner.
We besloten een kip te braden voor het avondeten.

shallot

/ʃəˈlɑːt/

(noun) sjalot

Voorbeeld:

Finely chop the shallots for the vinaigrette.
Hak de sjalotten fijn voor de vinaigrette.

simmer

/ˈsɪm.ɚ/

(verb) sudderen, zachtjes koken, broeien;

(noun) sudder, broei

Voorbeeld:

Let the sauce simmer for 20 minutes.
Laat de saus 20 minuten sudderen.

slice

/slaɪs/

(noun) plak, schijf, deel;

(verb) snijden, schijven, slicen

Voorbeeld:

Can I have a slice of cake?
Mag ik een plak cake?

spread

/spred/

(verb) verspreiden, uitbreiden, uitspreiden;

(noun) verspreiding, uitbreiding, broodbeleg

Voorbeeld:

The fire spread rapidly through the forest.
Het vuur verspreidde zich snel door het bos.

sprinkle

/ˈsprɪŋ.kəl/

(verb) strooien, sprenkelen;

(noun) snufje, motregen

Voorbeeld:

She likes to sprinkle cheese on her pasta.
Ze strooit graag kaas over haar pasta.

starter

/ˈstɑːr.t̬ɚ/

(noun) starter, startmotor, voorgerecht

Voorbeeld:

He was the starter for the marathon.
Hij was de starter van de marathon.

starve

/stɑːrv/

(verb) verhongeren, honger lijden, erg hongerig zijn

Voorbeeld:

Many people starve in war-torn regions.
Veel mensen verhongeren in door oorlog verscheurde gebieden.

steam

/stiːm/

(noun) stoom, stoomkracht, stoomenergie;

(verb) stomen, voortbewegen met stoom, woedend zijn

Voorbeeld:

The kettle produced a lot of steam.
De waterkoker produceerde veel stoom.

stew

/stuː/

(noun) stoofpot, ragout;

(verb) stoven, sudderen, piekeren

Voorbeeld:

She prepared a hearty beef stew for dinner.
Ze bereidde een stevige runderstoofpot voor het avondeten.

stir-fry

/ˈstɜːr.fraɪ/

(verb) roerbakken;

(noun) roerbakgerecht, wokgerecht

Voorbeeld:

She decided to stir-fry some vegetables for dinner.
Ze besloot wat groenten te roerbakken voor het avondeten.

supper

/ˈsʌp.ɚ/

(noun) avondeten, souper

Voorbeeld:

We usually have supper around 7 PM.
We eten meestal avondeten rond 19.00 uur.

tender

/ˈten.dɚ/

(adjective) mals, zacht, gevoelig;

(noun) offerte, aanbesteding, sloep;

(verb) aanbieden, indienen

Voorbeeld:

The steak was perfectly cooked and very tender.
De biefstuk was perfect gebakken en erg mals.

versatile

/ˈvɝː.sə.t̬əl/

(adjective) veelzijdig, flexibel

Voorbeeld:

She is a versatile artist who can paint, sculpt, and draw.
Zij is een veelzijdige kunstenaar die kan schilderen, beeldhouwen en tekenen.

vinegar

/ˈvɪn.ə.ɡɚ/

(noun) azijn

Voorbeeld:

She added a splash of vinegar to the salad dressing.
Ze voegde een scheutje azijn toe aan de saladedressing.

whisk

/wɪsk/

(noun) garde;

(verb) kloppen, garde, snel verplaatsen

Voorbeeld:

She used a whisk to beat the eggs until they were fluffy.
Ze gebruikte een garde om de eieren luchtig te kloppen.

boil

/bɔɪl/

(verb) koken, opkoken, koken van woede;

(noun) zweer, furunkel

Voorbeeld:

The water began to boil rapidly.
Het water begon snel te koken.

combine

/kəmˈbaɪn/

(verb) combineren, verenigen, samenvoegen;

(noun) maaidorser, combine

Voorbeeld:

We need to combine our efforts to finish this project on time.
We moeten onze inspanningen bundelen om dit project op tijd af te krijgen.

splash

/splæʃ/

(verb) spetteren, plonsen, prominent plaatsen;

(noun) plons, spat, vlek

Voorbeeld:

The children loved to splash in the puddles.
De kinderen vonden het heerlijk om in de plassen te spetteren.

soy sauce

/ˈsɔɪ ˌsɔːs/

(noun) sojasaus

Voorbeeld:

Add a splash of soy sauce to the stir-fry for extra flavor.
Voeg een scheutje sojasaus toe aan de roerbak voor extra smaak.

toss

/tɑːs/

(verb) gooien, werpen, woelen;

(noun) worp, gooi

Voorbeeld:

He tossed the ball to his dog.
Hij gooide de bal naar zijn hond.

herbal

/ˈɝː.bəl/

(adjective) kruiden-, plantaardig

Voorbeeld:

She prefers herbal tea over coffee.
Zij verkiest kruidenthee boven koffie.

speciality

/ˌspeʃ.iˈæl.ə.t̬i/

(noun) specialiteit, vakgebied, streekproduct

Voorbeeld:

His speciality is ancient Roman history.
Zijn specialiteit is de oude Romeinse geschiedenis.

lasagne

/ləˈzɑː.njə/

(noun) lasagne

Voorbeeld:

For dinner, we had delicious homemade lasagne.
Voor het avondeten hadden we heerlijke zelfgemaakte lasagne.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland