Vocabulaireverzameling Eenheid 7: Recepten en Eetgewoonten in Graad 9: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling 'Eenheid 7: Recepten en Eetgewoonten' in 'Graad 9' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren(adjective) allergisch, een hekel hebben aan
Voorbeeld:
(noun) selderij
Voorbeeld:
(verb) hakken, snijden, slaan;
(noun) slag, hak, kotelet
Voorbeeld:
(noun) homp, stuk, deel;
(verb) in stukken hakken, in brokken snijden
Voorbeeld:
(noun) kubus, klontje, blokje;
(verb) tot de derde macht verheffen, kuberen, in blokjes snijden
Voorbeeld:
(verb) frituren, diepfrituren
Voorbeeld:
(verb) dompelen, dippen, dalen;
(noun) daling, duik, dip
Voorbeeld:
(verb) afvoeren, leegpompen, aftappen;
(noun) afvoer, goot, riool
Voorbeeld:
(verb) garneren, versieren, beslag leggen op;
(noun) garnering, versiering
Voorbeeld:
(verb) raspen, kraken, schuren;
(noun) rooster, haardrooster
Voorbeeld:
(noun) grill, barbecue, grillrestaurant;
(verb) grillen, barbecueën, ondervragen
Voorbeeld:
(noun) ingrediënt, bestanddeel, factor
Voorbeeld:
(verb) marineren, laten bezinken
Voorbeeld:
(adjective) voedzaam, voedingsrijk
Voorbeeld:
(verb) schillen, pellen, bladderen;
(noun) schil, schillen
Voorbeeld:
(noun) garnaal
Voorbeeld:
(noun) puree;
(verb) purere, fijnprakken
Voorbeeld:
(verb) braden, roosteren, roasten;
(noun) braadstuk, gebraad, roast;
(adjective) gebraden, geroosterd
Voorbeeld:
(noun) sjalot
Voorbeeld:
(verb) sudderen, zachtjes koken, broeien;
(noun) sudder, broei
Voorbeeld:
(noun) plak, schijf, deel;
(verb) snijden, schijven, slicen
Voorbeeld:
(verb) verspreiden, uitbreiden, uitspreiden;
(noun) verspreiding, uitbreiding, broodbeleg
Voorbeeld:
(verb) strooien, sprenkelen;
(noun) snufje, motregen
Voorbeeld:
(noun) starter, startmotor, voorgerecht
Voorbeeld:
(verb) verhongeren, honger lijden, erg hongerig zijn
Voorbeeld:
(noun) stoom, stoomkracht, stoomenergie;
(verb) stomen, voortbewegen met stoom, woedend zijn
Voorbeeld:
(noun) stoofpot, ragout;
(verb) stoven, sudderen, piekeren
Voorbeeld:
(verb) roerbakken;
(noun) roerbakgerecht, wokgerecht
Voorbeeld:
(noun) avondeten, souper
Voorbeeld:
(adjective) mals, zacht, gevoelig;
(noun) offerte, aanbesteding, sloep;
(verb) aanbieden, indienen
Voorbeeld:
(adjective) veelzijdig, flexibel
Voorbeeld:
(noun) azijn
Voorbeeld:
(noun) garde;
(verb) kloppen, garde, snel verplaatsen
Voorbeeld:
(verb) koken, opkoken, koken van woede;
(noun) zweer, furunkel
Voorbeeld:
(verb) combineren, verenigen, samenvoegen;
(noun) maaidorser, combine
Voorbeeld:
(verb) spetteren, plonsen, prominent plaatsen;
(noun) plons, spat, vlek
Voorbeeld:
(noun) sojasaus
Voorbeeld:
(verb) gooien, werpen, woelen;
(noun) worp, gooi
Voorbeeld:
(adjective) kruiden-, plantaardig
Voorbeeld:
(noun) specialiteit, vakgebied, streekproduct
Voorbeeld:
(noun) lasagne
Voorbeeld: