Avatar of Vocabulary Set A2 - Letter F

Vocabulaireverzameling A2 - Letter F in Oxford 3000 - A2: Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'A2 - Letter F' in 'Oxford 3000 - A2' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

factor

/ˈfæk.tɚ/

(noun) factor, oorzaak, deler;

(verb) meenemen, incalculeren, ontbinden

Voorbeeld:

Cost was a major factor in our decision.
Kosten waren een belangrijke factor in onze beslissing.

factory

/ˈfæk.tɚ.i/

(noun) fabriek

Voorbeeld:

The new car factory will create many jobs.
De nieuwe autofabriek zal veel banen creëren.

fail

/feɪl/

(verb) falen, mislukken, verzuimen;

(noun) mislukking, falen

Voorbeeld:

He tried his best, but he still failed the exam.
Hij deed zijn best, maar hij faalde toch voor het examen.

fair

/fer/

(adjective) eerlijk, rechtvaardig, licht;

(noun) kermis, beurs;

(verb) verlichten, ophelderen;

(adverb) eerlijk, rechtvaardig

Voorbeeld:

The teacher was always fair to all her students.
De lerares was altijd eerlijk tegen al haar studenten.

fall

/fɑːl/

(verb) vallen, dalen, afnemen;

(noun) val, daling, herfst

Voorbeeld:

The apple fell from the tree.
De appel viel van de boom.

fan

/fæn/

(noun) ventilator, waaier, fan;

(verb) waaieren, aanwakkeren, verspreiden

Voorbeeld:

Turn on the fan, it's getting hot in here.
Zet de ventilator aan, het wordt hier warm.

farm

/fɑːrm/

(noun) boerderij, hoeve;

(verb) verbouwen, boeren

Voorbeeld:

My grandparents live on a large farm in the countryside.
Mijn grootouders wonen op een grote boerderij op het platteland.

farming

/ˈfɑːr.mɪŋ/

(noun) landbouw, boerenbedrijf

Voorbeeld:

Organic farming methods are becoming more popular.
Biologische landbouwmethoden worden steeds populairder.

fashion

/ˈfæʃ.ən/

(noun) mode, stijl, manier;

(verb) vormen, maken

Voorbeeld:

She always dresses in the latest fashion.
Ze kleedt zich altijd volgens de laatste mode.

fat

/fæt/

(noun) vet;

(adjective) dik, vet, groot

Voorbeeld:

The chef trimmed the excess fat from the meat.
De chef sneed het overtollige vet van het vlees.

fear

/fɪr/

(noun) angst, vrees, ontzag;

(verb) vrezen, bang zijn voor, bezorgd zijn om

Voorbeeld:

She felt a sudden surge of fear when she heard the strange noise.
Ze voelde een plotselinge golf van angst toen ze het vreemde geluid hoorde.

feature

/ˈfiː.tʃɚ/

(noun) kenmerk, eigenschap, reportage;

(verb) kenmerken, bevatten, een prominente rol spelen

Voorbeeld:

The new phone has many exciting features.
De nieuwe telefoon heeft veel spannende functies.

feed

/fiːd/

(verb) voeden, voeren, toevoeren;

(noun) voeding, voer, feed

Voorbeeld:

She needs to feed her baby every three hours.
Ze moet haar baby elke drie uur voeden.

female

/ˈfiː.meɪl/

(adjective) vrouwelijk;

(noun) vrouw

Voorbeeld:

The female lioness led the hunt.
De vrouwelijke leeuwin leidde de jacht.

fiction

/ˈfɪk.ʃən/

(noun) fictie, verzonnen verhalen, verzinsel

Voorbeeld:

She prefers reading fiction to non-fiction.
Ze leest liever fictie dan non-fictie.

field

/fiːld/

(noun) veld, akker, gebied;

(verb) beantwoorden, afhandelen

Voorbeeld:

The farmer walked across the field to check on his crops.
De boer liep over het veld om zijn gewassen te controleren.

fight

/faɪt/

(noun) gevecht, ruzie, wedstrijd;

(verb) vechten, strijden

Voorbeeld:

The two boxers were ready for a big fight.
De twee boksers waren klaar voor een groot gevecht.

figure

/ˈfɪɡ.jɚ/

(noun) cijfer, getal, figuur;

(verb) denken, verwachten, uitvinden

Voorbeeld:

The latest unemployment figures are alarming.
De laatste werkloosheidscijfers zijn alarmerend.

film

/fɪlm/

(noun) film, laagje;

(verb) filmen, opnemen

Voorbeeld:

We watched a horror film last night.
We hebben gisteravond een horrorfilm gekeken.

final

/ˈfaɪ.nəl/

(adjective) laatste, definitief, bindend;

(noun) finale, eindexamen

Voorbeeld:

This is the final warning.
Dit is de laatste waarschuwing.

finally

/ˈfaɪ.nəl.i/

(adverb) eindelijk, uiteindelijk, tenslotte

Voorbeeld:

After hours of searching, they finally found the lost dog.
Na uren zoeken vonden ze de verloren hond eindelijk.

finger

/ˈfɪŋ.ɡɚ/

(noun) vinger;

(verb) aanraken, voelen

Voorbeeld:

She pointed with her index finger.
Ze wees met haar wijsvinger.

finish

/ˈfɪn.ɪʃ/

(noun) einde, afloop, afwerking;

(verb) afmaken, voltooien, eindigen

Voorbeeld:

We reached the finish line after a long race.
We bereikten de finishlijn na een lange race.

first

/ˈfɝːst/

(adjective) eerste;

(adverb) eerst, als eerste;

(noun) eerste, de eerste

Voorbeeld:

She was the first person to arrive.
Zij was de eerste persoon die aankwam.

firstly

/ˈfɝːst.li/

(adverb) ten eerste, allereerst

Voorbeeld:

Firstly, I want to thank everyone for coming.
Ten eerste wil ik iedereen bedanken voor hun komst.

fish

/fɪʃ/

(noun) vis;

(verb) vissen, vissen naar, uitvragen

Voorbeeld:

We caught a big fish in the lake.
We vingen een grote vis in het meer.

fishing

/ˈfɪʃ.ɪŋ/

(noun) vissen, visserij;

(verb) vissend, aan het vissen

Voorbeeld:

We went fishing in the lake this morning.
We zijn vanochtend gaan vissen in het meer.

fit

/fɪt/

(verb) passen, zitten, passen bij;

(noun) pasvorm, passing, aanval;

(adjective) fit, in vorm, geschikt

Voorbeeld:

These shoes fit perfectly.
Deze schoenen passen perfect.

fix

/fɪks/

(verb) repareren, herstellen, bevestigen;

(noun) oplossing, reparatie, dosis

Voorbeeld:

Can you fix my broken chair?
Kun je mijn kapotte stoel repareren?

flat

/flæt/

(adjective) vlak, plat, dun;

(noun) appartement, flat;

(adverb) plat, horizontaal

Voorbeeld:

The road was long and flat.
De weg was lang en vlak.

flu

/fluː/

(noun) griep

Voorbeeld:

I've got the flu and feel terrible.
Ik heb de griep en voel me verschrikkelijk.

fly

/flaɪ/

(verb) vliegen, schieten, voorbijvliegen;

(noun) vlieg, gulp

Voorbeeld:

Birds fly south for the winter.
Vogels vliegen naar het zuiden voor de winter.

flying

/ˈflaɪ.ɪŋ/

(adjective) vliegend, snel, vluchtig;

(noun) vliegen, vlucht

Voorbeeld:

The bird was flying high above the trees.
De vogel was hoog boven de bomen aan het vliegen.

focus

/ˈfoʊ.kəs/

(noun) focus, aandachtspunt, scherpte;

(verb) focussen, concentreren, scherpstellen

Voorbeeld:

The focus of the meeting was on budget cuts.
De focus van de vergadering lag op bezuinigingen.

following

/ˈfɑː.loʊ.ɪŋ/

(adjective) volgend, daaropvolgend;

(noun) aanhang, volgers, publiek;

(preposition) na, volgend op

Voorbeeld:

The following day, we went to the beach.
De volgende dag gingen we naar het strand.

foreign

/ˈfɔːr.ən/

(adjective) vreemd, buitenlands, onbekend

Voorbeeld:

She speaks three foreign languages fluently.
Ze spreekt vloeiend drie vreemde talen.

forest

/ˈfɔːr.ɪst/

(noun) bos, woud;

(verb) bebossen, aanplanten

Voorbeeld:

We went for a walk in the forest.
We gingen wandelen in het bos.

fork

/fɔːrk/

(noun) vork, splitsing, vertakking;

(verb) splitsen, vertakken, vorken

Voorbeeld:

Please pass me a fork to eat my salad.
Geef me alsjeblieft een vork om mijn salade te eten.

formal

/ˈfɔːr.məl/

(adjective) formeel, officieel, gestructureerd

Voorbeeld:

The meeting requires formal attire.
De vergadering vereist formele kleding.

fortunately

/ˈfɔːr.tʃən.ət.li/

(adverb) gelukkig, fortuinlijk

Voorbeeld:

Fortunately, no one was seriously injured in the accident.
Gelukkig raakte niemand ernstig gewond bij het ongeluk.

forward

/ˈfɔːr.wɚd/

(adverb) vooruit, naar voren, verder;

(adjective) voorwaarts, voorste, brutaal;

(verb) doorsturen, verzenden;

(noun) aanvaller, spits

Voorbeeld:

Please move forward to make space for others.
Ga alstublieft naar voren om ruimte te maken voor anderen.

free

/friː/

(adjective) vrij, onafhankelijk, gratis;

(verb) bevrijden, vrijlaten;

(adverb) gratis, kosteloos

Voorbeeld:

She felt free after leaving her old job.
Ze voelde zich vrij na het verlaten van haar oude baan.

fresh

/freʃ/

(adjective) vers, fris, schoon;

(adverb) opnieuw, vers

Voorbeeld:

She bought fresh vegetables from the market.
Ze kocht verse groenten op de markt.

fridge

/frɪdʒ/

(noun) koelkast

Voorbeeld:

Please put the milk back in the fridge.
Zet de melk alsjeblieft terug in de koelkast.

frog

/frɑːɡ/

(noun) kikker, kikkerhaak

Voorbeeld:

The frog jumped into the pond.
De kikker sprong in de vijver.

fun

/fʌn/

(noun) plezier, pret, vermaak;

(adjective) leuk, grappig, vermakelijk

Voorbeeld:

We had a lot of fun at the party.
We hadden veel plezier op het feest.

furniture

/ˈfɝː.nɪ.tʃɚ/

(noun) meubels, meubilair

Voorbeeld:

We bought new furniture for the living room.
We kochten nieuwe meubels voor de woonkamer.

further

/ˈfɝː.ðɚ/

(adverb) verder, meer;

(adjective) verder, additioneel;

(verb) bevorderen, stimuleren

Voorbeeld:

Let's walk a little further.
Laten we een beetje verder lopen.

future

/ˈfjuː.tʃɚ/

(noun) toekomst, vooruitzichten;

(adjective) toekomstig

Voorbeeld:

We need to plan for the future.
We moeten plannen voor de toekomst.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland