Avatar of Vocabulary Set A2 - Letter A

Vocabulaireverzameling A2 - Letter A in Oxford 3000 - A2: Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'A2 - Letter A' in 'Oxford 3000 - A2' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

ability

/əˈbɪl.ə.t̬i/

(noun) vermogen, bekwaamheid

Voorbeeld:

She has the ability to learn new languages quickly.
Ze heeft het vermogen om snel nieuwe talen te leren.

able

/ˈeɪ.bəl/

(adjective) in staat, bekwaam, kundig

Voorbeeld:

She is able to speak three languages fluently.
Ze is in staat om drie talen vloeiend te spreken.

abroad

/əˈbrɑːd/

(adverb) in het buitenland, naar het buitenland, overal

Voorbeeld:

She decided to study abroad for a year.
Ze besloot een jaar in het buitenland te studeren.

accept

/əkˈsept/

(verb) accepteren, aannemen, instemmen met

Voorbeeld:

She accepted the gift with a smile.
Ze accepteerde het cadeau met een glimlach.

accident

/ˈæk.sə.dənt/

(noun) ongeluk, ongeval, toeval

Voorbeeld:

He was involved in a car accident.
Hij was betrokken bij een auto-ongeluk.

according to

/əˈkɔːrdɪŋ tə/

(preposition) volgens

Voorbeeld:

According to the weather forecast, it will rain tomorrow.
Volgens de weersvoorspelling zal het morgen regenen.

achieve

/əˈtʃiːv/

(verb) bereiken, behalen, volbrengen

Voorbeeld:

She worked hard to achieve her goals.
Ze werkte hard om haar doelen te bereiken.

act

/ækt/

(verb) handelen, doen, acteren;

(noun) daad, handeling, wet

Voorbeeld:

It's time to act.
Het is tijd om te handelen.

active

/ˈæk.tɪv/

(adjective) actief, energiek, van kracht

Voorbeeld:

He leads a very active lifestyle, always hiking and cycling.
Hij leidt een zeer actieve levensstijl, altijd wandelend en fietsend.

actually

/ˈæk.tʃu.ə.li/

(adverb) eigenlijk, inderdaad, echt

Voorbeeld:

I thought it would be difficult, but it was actually quite easy.
Ik dacht dat het moeilijk zou zijn, maar het was eigenlijk best makkelijk.

adult

/ˈæd.ʌlt/

(noun) volwassene;

(adjective) volwassen, rijp

Voorbeeld:

Children must be accompanied by an adult.
Kinderen moeten worden begeleid door een volwassene.

advantage

/ədˈvæn.t̬ɪdʒ/

(noun) voordeel, pluspunt;

(verb) bevoordelen, voordeel geven

Voorbeeld:

His height gave him an advantage in basketball.
Zijn lengte gaf hem een voordeel in basketbal.

adventure

/ədˈven.tʃɚ/

(noun) avontuur, spanning;

(verb) avonturieren, wagen

Voorbeeld:

They went on a thrilling adventure in the Amazon rainforest.
Ze gingen op een spannende avontuur in het Amazoneregenwoud.

advertise

/ˈæd.vɚ.taɪz/

(verb) adverteren, reclame maken, bekendmaken

Voorbeeld:

We need to advertise our new product more effectively.
We moeten ons nieuwe product effectiever adverteren.

advertisement

/ˌæd.vɚˈtaɪz.mənt/

(noun) advertentie, reclame

Voorbeeld:

The company placed an advertisement in the local newspaper.
Het bedrijf plaatste een advertentie in de lokale krant.

advertising

/ˈæd.vɚ.taɪ.zɪŋ/

(noun) reclame, adverteren

Voorbeeld:

The company invested heavily in online advertising.
Het bedrijf investeerde zwaar in online reclame.

affect

/əˈfekt/

(verb) beïnvloeden, aantasten, aandoen

Voorbeeld:

The weather will affect our travel plans.
Het weer zal onze reisplannen beïnvloeden.

after

/ˈæf.tɚ/

(preposition) na, achter;

(adverb) daarna, later;

(conjunction) achter, op zoek naar

Voorbeeld:

She arrived after the meeting had started.
Ze arriveerde nadat de vergadering was begonnen.

against

/əˈɡenst/

(preposition) tegen, voor

Voorbeeld:

The decision went against my wishes.
De beslissing ging tegen mijn wensen in.

ah

/ɑː/

(exclamation) ah, oh

Voorbeeld:

Ah, that feels so good!
Ah, dat voelt zo goed!

airline

/ˈer.laɪn/

(noun) luchtvaartmaatschappij

Voorbeeld:

Which airline are you flying with?
Met welke luchtvaartmaatschappij vlieg je?

alive

/əˈlaɪv/

(adjective) levend, in leven, levendig

Voorbeeld:

Is your grandmother still alive?
Is je grootmoeder nog in leven?

all

/ɑːl/

(determiner) alle, heel;

(pronoun) alles, iedereen;

(adverb) helemaal, volledig

Voorbeeld:

She ate all the cake.
Ze at alle cake op.

all right

/ɔːl ˈraɪt/

(adjective) in orde, wel aardig, acceptabel;

(adverb) goed, redelijk

Voorbeeld:

The movie was all right, but not great.
De film was wel aardig, maar niet geweldig.

allow

/əˈlaʊ/

(verb) toestaan, toelaten, mogelijk maken

Voorbeeld:

My parents don't allow me to stay out late.
Mijn ouders staan me niet toe om laat buiten te blijven.

almost

/ˈɑːl.moʊst/

(adverb) bijna, nagenoeg

Voorbeeld:

I'm almost done with my homework.
Ik ben bijna klaar met mijn huiswerk.

alone

/əˈloʊn/

(adjective) alleen, eenzaam, zelfstandig;

(adverb) alleen, met rust

Voorbeeld:

She likes to be alone sometimes.
Ze is graag soms alleen.

along

/əˈlɑːŋ/

(adverb) langs, mee, erbij;

(preposition) samen met, in overeenstemming met

Voorbeeld:

We walked along the beach.
We liepen langs het strand.

already

/ɑːlˈred.i/

(adverb) al, reeds, nu al

Voorbeeld:

She has already finished her homework.
Ze heeft haar huiswerk al af.

alternative

/ɑːlˈtɝː.nə.t̬ɪv/

(adjective) alternatief, ander;

(noun) alternatief, keuze

Voorbeeld:

Do you have an alternative solution?
Heb je een alternatieve oplossing?

although

/ɑːlˈðoʊ/

(conjunction) hoewel, ofschoon;

(adverb) hoewel, echter

Voorbeeld:

Although it was raining, we went for a walk.
Hoewel het regende, gingen we wandelen.

among

/əˈmʌŋ/

(preposition) tussen, onder, uit

Voorbeeld:

He was standing among the trees.
Hij stond tussen de bomen.

amount

/əˈmaʊnt/

(noun) hoeveelheid, bedrag;

(verb) bedragen, neerkomen op

Voorbeeld:

A large amount of money was stolen.
Een grote hoeveelheid geld werd gestolen.

ancient

/ˈeɪn.ʃənt/

(adjective) oud, oudtijds, bejaard

Voorbeeld:

The pyramids are ancient structures.
De piramides zijn oude bouwwerken.

ankle

/ˈæŋ.kəl/

(noun) enkel

Voorbeeld:

She twisted her ankle while playing soccer.
Ze verdraaide haar enkel tijdens het voetballen.

any

/ˈen.i/

(determiner) enig, enige, elke;

(pronoun) enig, iemand;

(adverb) enigszins, helemaal

Voorbeeld:

Do you have any questions?
Heb je nog vragen?

anybody

/ˈen.iˌbɑː.di/

(pronoun) iemand, niemand

Voorbeeld:

Did anybody see what happened?
Heeft iemand gezien wat er gebeurde?

any more

/ˌen.i ˈmɔːr/

(adverb) niet meer, nog meer

Voorbeeld:

She doesn't live here any more.
Ze woont hier niet meer.

anyway

/ˈen.i.weɪ/

(adverb) hoe dan ook, toch, bovendien

Voorbeeld:

I don't think it's a good idea. Anyway, it's too late now.
Ik denk niet dat het een goed idee is. Hoe dan ook, het is nu te laat.

anywhere

/ˈen.i.wer/

(adverb) ergens, nergens

Voorbeeld:

Can we go anywhere quiet?
Kunnen we ergens rustig heen?

app

/æp/

(noun) app, applicatie

Voorbeeld:

I downloaded a new photo editing app.
Ik heb een nieuwe foto-bewerkings-app gedownload.

appear

/əˈpɪr/

(verb) verschijnen, opduiken, lijken

Voorbeeld:

A ship appeared on the horizon.
Een schip verscheen aan de horizon.

appearance

/əˈpɪr.əns/

(noun) uiterlijk, verschijning, optreden

Voorbeeld:

Her sudden appearance surprised everyone.
Haar plotselinge verschijning verraste iedereen.

apply

/əˈplaɪ/

(verb) solliciteren, aanvragen, aanbrengen

Voorbeeld:

You should apply for the job by Friday.
Je moet voor vrijdag op de baan solliciteren.

architect

/ˈɑːr.kə.tekt/

(noun) architect, bedenker, ontwerper

Voorbeeld:

The architect presented the blueprints for the new library.
De architect presenteerde de blauwdrukken voor de nieuwe bibliotheek.

architecture

/ˈɑːr.kə.tek.tʃɚ/

(noun) architectuur, bouwkunst, structuur

Voorbeeld:

She studied architecture at university.
Ze studeerde architectuur aan de universiteit.

argue

/ˈɑːrɡ.juː/

(verb) betogen, pleiten, ruziën

Voorbeeld:

The lawyer tried to argue that his client was innocent.
De advocaat probeerde te betogen dat zijn cliënt onschuldig was.

argument

/ˈɑːrɡ.jə.mənt/

(noun) ruzie, discussie, geschil

Voorbeeld:

They had a fierce argument about politics.
Ze hadden een heftige ruzie over politiek.

army

/ˈɑːr.mi/

(noun) leger, menigte, grote groep

Voorbeeld:

The army was deployed to the border.
Het leger werd naar de grens gestuurd.

arrange

/əˈreɪndʒ/

(verb) schikken, ordenen, regelen

Voorbeeld:

She arranged the flowers in a vase.
Ze schikte de bloemen in een vaas.

arrangement

/əˈreɪndʒ.mənt/

(noun) regeling, voorbereiding, opstelling

Voorbeeld:

We need to make arrangements for the party.
We moeten regelingen treffen voor het feest.

as

/æz/

(conjunction) terwijl, als, omdat;

(adverb) als, zoals;

(preposition) zoals, zo

Voorbeeld:

He sang as he walked down the street.
Hij zong terwijl hij over straat liep.

asleep

/əˈsliːp/

(adjective) slapend, in slaap, verdoofd

Voorbeeld:

The baby is finally asleep.
De baby is eindelijk in slaap.

assistant

/əˈsɪs.tənt/

(noun) assistent, hulp;

(adjective) assisterend, helpende

Voorbeeld:

She works as a personal assistant to the CEO.
Ze werkt als persoonlijke assistent van de CEO.

athlete

/ˈæθ.liːt/

(noun) atleet, sportman, sportvrouw

Voorbeeld:

The young athlete trained every day for the competition.
De jonge atleet trainde elke dag voor de wedstrijd.

attack

/əˈtæk/

(noun) aanval, kritiek;

(verb) aanvallen, bekritiseren

Voorbeeld:

The army launched a surprise attack on the enemy.
Het leger lanceerde een verrassingsaanval op de vijand.

attend

/əˈtend/

(verb) bijwonen, volgen, zorgen voor

Voorbeeld:

She decided to attend the conference.
Ze besloot de conferentie te bijwonen.

attention

/əˈten.ʃən/

(noun) aandacht, concentratie, zorg;

(exclamation) houding, militaire aandacht

Voorbeeld:

Please pay attention to the instructions.
Let alstublieft op de instructies.

attractive

/əˈtræk.tɪv/

(adjective) aantrekkelijk, charmant

Voorbeeld:

She wore a very attractive dress to the party.
Ze droeg een zeer aantrekkelijke jurk naar het feest.

audience

/ˈɑː.di.əns/

(noun) publiek, toehoorders, lezerspubliek

Voorbeeld:

The band played to a large audience.
De band speelde voor een groot publiek.

author

/ˈɑː.θɚ/

(noun) auteur, schrijver;

(verb) schrijven, opstellen

Voorbeeld:

She is the author of three best-selling novels.
Zij is de auteur van drie bestverkopende romans.

available

/əˈveɪ.lə.bəl/

(adjective) beschikbaar, verkrijgbaar

Voorbeeld:

The book is available at the library.
Het boek is beschikbaar in de bibliotheek.

average

/ˈæv.ɚ.ɪdʒ/

(noun) gemiddelde, doorsnee;

(adjective) gemiddeld, doorsnee;

(verb) gemiddeld zijn, een gemiddelde bereiken

Voorbeeld:

The average score on the test was 75.
De gemiddelde score op de test was 75.

avoid

/əˈvɔɪd/

(verb) vermijden, ontwijken

Voorbeeld:

She tried to avoid eye contact.
Ze probeerde oogcontact te vermijden.

award

/əˈwɔːrd/

(noun) onderscheiding, prijs;

(verb) toekennen, uitreiken

Voorbeeld:

She received an award for her outstanding performance.
Ze ontving een onderscheiding voor haar uitstekende prestatie.

awful

/ˈɑː.fəl/

(adjective) verschrikkelijk, afschuwelijk, vreselijk;

(adverb) verschrikkelijk, erg

Voorbeeld:

The weather was awful yesterday.
Het weer was gisteren verschrikkelijk.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland