Vocabulaireverzameling A1 - Basiswerkwoorden 2 in Niveau A1: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling 'A1 - Basiswerkwoorden 2' in 'Niveau A1' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren(verb) horen, vernieuwingen ontvangen
Voorbeeld:
(verb) luisteren, gehoorzamen, aandacht schenken
Voorbeeld:
(verb) zien, waarnemen, begrijpen;
(noun) bisdom, zetel;
(exclamation) zie, begrijp
Voorbeeld:
(verb) kijken, zoeken, lijken;
(noun) blik, uitstraling, uiterlijk
Voorbeeld:
(verb) kijken, observeren, opletten;
(noun) horloge, wacht, bewaking
Voorbeeld:
(verb) aanraken, raken, aangrijpen;
(noun) aanraking, gevoel, vleugje
Voorbeeld:
(verb) voelen, aanraken, vinden;
(noun) gevoel, aanraking, intuïtie
Voorbeeld:
(noun) reuk, reukvermogen, geur;
(verb) ruiken, besnuffelen, geuren
Voorbeeld:
(noun) smaak, voorkeur;
(verb) proeven, smaken
Voorbeeld:
(verb) praten, spreken, lezing geven;
(noun) gesprek, praatje, lezing
Voorbeeld:
(verb) roepen, schreeuwen, bellen;
(noun) bezoek, oproep, telefoontje
Voorbeeld:
(preposition) zoals, gelijk aan, bijvoorbeeld;
(verb) leuk vinden, houden van, willen;
(conjunction) als, zoals;
(adverb) zei, was van mening;
(interjection) zoiets als, was van mening;
(noun) gelijke, soortgelijke
Voorbeeld:
(noun) liefde, geliefde;
(verb) houden van, liefhebben, genieten van
Voorbeeld:
(verb) haten, afschuw hebben van;
(noun) haat, afkeer
Voorbeeld:
(verb) weten, kennen, bekend zijn met
Voorbeeld:
(verb) leren, aanleren, erfahren
Voorbeeld:
(verb) vragen, informeren, verzoeken;
(noun) vraag, verzoek
Voorbeeld:
(noun) antwoord, reactie;
(verb) antwoorden, beantwoorden
Voorbeeld:
(noun) studie, leren, werkkamer;
(verb) studeren, leren, bestuderen
Voorbeeld:
(verb) onderwijzen, leren, bijbrengen
Voorbeeld:
(verb) nodig hebben, moeten;
(noun) behoefte, noodzaak
Voorbeeld:
(verb) willen, behoeven, ontbreken;
(noun) gebrek, behoefte
Voorbeeld:
(noun) winkel, zaak, werkplaats;
(verb) winkelen, kopen, verlinken
Voorbeeld:
(noun) deel, aandeel;
(verb) delen, meedelen
Voorbeeld:
(verb) leggen, plaatsen, brengen;
(noun) stoot, worp
Voorbeeld:
(verb) voorbereiden, klaarmaken, zich voorbereiden
Voorbeeld:
(noun) plan, ontwerp, plattegrond;
(verb) plannen, organiseren
Voorbeeld:
(noun) park, reservaat;
(verb) parkeren
Voorbeeld:
(noun) naam, reputatie;
(verb) noemen, benoemen
Voorbeeld:
(verb) uitleggen, verklaren, rechtvaardigen
Voorbeeld:
(verb) vullen, opvullen, invullen;
(noun) vulling, hoeveelheid
Voorbeeld:
(verb) vliegen, schieten, voorbijvliegen;
(noun) vlieg, gulp
Voorbeeld:
(noun) vorm, soort, formulier;
(verb) vormen, creëren, ontstaan
Voorbeeld:
(verb) krijgen, verkrijgen, ontvangen;
(noun) opbrengst, vangst
Voorbeeld:
(verb) slaan, raken, treffen;
(noun) slag, treffer, hit
Voorbeeld:
(verb) worden, staan, passen
Voorbeeld: