Vocabulaireverzameling Alcoholconsumptie in Eten, Drinken en Serveren: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling 'Alcoholconsumptie' in 'Eten, Drinken en Serveren' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren(noun) drankje, drank, slok;
(verb) drinken, alcohol drinken
Voorbeeld:
(noun) misbruik, mishandeling;
(verb) misbruiken, mishandelen
Voorbeeld:
(phrasal verb) nuchter worden, uitnuchteren, serieus worden
Voorbeeld:
(noun) zwijnenvoer, spoeling, slok;
(verb) zwelgen, gulzig drinken, spoelen
Voorbeeld:
(noun) toast, geroosterd brood, toost;
(verb) roosteren, proosten, een toost uitbrengen
Voorbeeld:
(noun) kant, veter, koord;
(verb) veteren, rijgen, aanlengen
Voorbeeld:
(phrasal verb) achteroverslaan, opdrinken, veel kosten
Voorbeeld:
(noun) drank, alcohol;
(verb) drinken, zuipen
Voorbeeld:
(verb) feesten, uitbundig drinken;
(noun) fuif, drinkgelag
Voorbeeld:
(phrasal verb) afsnijden, afknippen, onderbreken
Voorbeeld:
(verb) feesten, zich verlustigen;
(noun) feestgedruis, uitbundigheid
Voorbeeld:
(verb) borrelen, drinken;
(noun) borrel, alcoholische drank
Voorbeeld:
(noun) kroegentocht
Voorbeeld:
(noun) bewijs, proef, proefdruk;
(verb) bewijzen, waterdicht maken, beschermen;
(adjective) -dicht, -bestendig
Voorbeeld:
(adjective) hoog, maximaal, belangrijk;
(adverb) hoog;
(noun) hoogtepunt, record
Voorbeeld:
(noun) happy hour
Voorbeeld:
(noun) kater, overblijfsel, restant
Voorbeeld:
(idiom) Hollandse moed, drankmoed
Voorbeeld:
(noun) bob, aangewezen chauffeur
Voorbeeld:
(exclamation) proost, bedankt, doei;
(noun) gejuich, applaus;
(verb) juichen, aanmoedigen
Voorbeeld:
(noun) delirium tremens, alcoholische waanzin
Voorbeeld:
(noun) alcoholisme
Voorbeeld:
(phrase) rijden onder invloed, rijden onder invloed van alcohol of drugs
Voorbeeld:
(abbreviation) rijden onder invloed
Voorbeeld:
(adjective) dronken;
(noun) dronkaard, alcoholist;
(past participle) gedronken
Voorbeeld:
(noun) alcoholist;
(adjective) alcoholisch
Voorbeeld:
(adjective) bezopen, dronken;
(verb) klotsen, plenzen
Voorbeeld:
(adjective) aangeschoten, lichtelijk dronken
Voorbeeld:
(adjective) bepleisterd, platgeplakt, lam;
(verb) bepleisteren, plakken
Voorbeeld:
(adjective) stomdronken, ladderzat
Voorbeeld:
(noun) gezoem, geruis, ophef;
(verb) zoemen, trillen, zoeven
Voorbeeld:
(adjective) dronken, beneveld
Voorbeeld:
(adjective) lam, dronken, verpletterd;
(verb) hameren, slaan, afkraken
Voorbeeld:
(adjective) dronken, beneveld
Voorbeeld:
(adjective) onder invloed, dronken, bedwelmd
Voorbeeld:
(adjective) verspild, verloren, uitgemergeld;
(past participle) verspilde, verloren
Voorbeeld:
(noun) drankzuchtige, zuiplap
Voorbeeld:
(noun) dronkaard, alcoholist
Voorbeeld:
(adjective) nuchter, ernstig, serieus;
(verb) nuchter worden, ontnuchteren, ernstiger maken
Voorbeeld:
(adjective) geheelonthouder, alcoholvrij;
(noun) geheelonthouder
Voorbeeld:
(noun) revalidatie, rehab;
(verb) revalideren, renoveren
Voorbeeld:
(noun) nuchterheid, onthouding, ernst
Voorbeeld:
(noun) geheelonthouder
Voorbeeld: