Avatar of Vocabulary Set Alcoholconsumptie

Vocabulaireverzameling Alcoholconsumptie in Eten, Drinken en Serveren: Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'Alcoholconsumptie' in 'Eten, Drinken en Serveren' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

drink

/drɪŋk/

(noun) drankje, drank, slok;

(verb) drinken, alcohol drinken

Voorbeeld:

Would you like a drink?
Wilt u een drankje?

abuse

/əˈbjuːz/

(noun) misbruik, mishandeling;

(verb) misbruiken, mishandelen

Voorbeeld:

Drug abuse is a serious problem.
Drugsmisbruik is een ernstig probleem.

sober up

/ˈsoʊbər ʌp/

(phrasal verb) nuchter worden, uitnuchteren, serieus worden

Voorbeeld:

He needs to sober up before he drives home.
Hij moet nuchter worden voordat hij naar huis rijdt.

swill

/swɪl/

(noun) zwijnenvoer, spoeling, slok;

(verb) zwelgen, gulzig drinken, spoelen

Voorbeeld:

The farmer poured the leftover swill into the pigs' trough.
De boer goot de overgebleven zwijnenvoer in de trog van de varkens.

toast

/toʊst/

(noun) toast, geroosterd brood, toost;

(verb) roosteren, proosten, een toost uitbrengen

Voorbeeld:

I had butter and jam on my toast for breakfast.
Ik had boter en jam op mijn toast voor het ontbijt.

lace

/leɪs/

(noun) kant, veter, koord;

(verb) veteren, rijgen, aanlengen

Voorbeeld:

The wedding dress was adorned with intricate lace.
De trouwjurk was versierd met ingewikkeld kant.

knock back

/nɑk bæk/

(phrasal verb) achteroverslaan, opdrinken, veel kosten

Voorbeeld:

He can knock back several beers in an hour.
Hij kan in een uur meerdere biertjes achteroverslaan.

booze

/buːz/

(noun) drank, alcohol;

(verb) drinken, zuipen

Voorbeeld:

He had too much booze at the party.
Hij had te veel drank op het feest.

carouse

/kəˈraʊz/

(verb) feesten, uitbundig drinken;

(noun) fuif, drinkgelag

Voorbeeld:

They spent the night carousing in the local pub.
Ze brachten de nacht feestend door in de plaatselijke kroeg.

cut off

/kʌt ˈɔːf/

(phrasal verb) afsnijden, afknippen, onderbreken

Voorbeeld:

The surgeon had to cut off the gangrenous limb.
De chirurg moest het gangreneuze ledemaat afsnijden.

revel

/ˈrev.əl/

(verb) feesten, zich verlustigen;

(noun) feestgedruis, uitbundigheid

Voorbeeld:

They reveled all night at the party.
Ze feestten de hele nacht op het feest.

tipple

/ˈtɪp.əl/

(verb) borrelen, drinken;

(noun) borrel, alcoholische drank

Voorbeeld:

He likes to tipple on weekends.
Hij houdt ervan om in het weekend te borrelen.

pub crawl

/ˈpʌb krɔːl/

(noun) kroegentocht

Voorbeeld:

We're planning a pub crawl for my birthday.
We plannen een kroegentocht voor mijn verjaardag.

proof

/pruːf/

(noun) bewijs, proef, proefdruk;

(verb) bewijzen, waterdicht maken, beschermen;

(adjective) -dicht, -bestendig

Voorbeeld:

Do you have any proof that he was involved?
Heb je enig bewijs dat hij erbij betrokken was?

high

/haɪ/

(adjective) hoog, maximaal, belangrijk;

(adverb) hoog;

(noun) hoogtepunt, record

Voorbeeld:

The mountain is very high.
De berg is erg hoog.

happy hour

/ˈhæp.i ˌaʊər/

(noun) happy hour

Voorbeeld:

Let's meet for happy hour after work.
Laten we na het werk afspreken voor happy hour.

hangover

/ˈhæŋˌoʊ.vɚ/

(noun) kater, overblijfsel, restant

Voorbeeld:

I woke up with a terrible hangover after the party.
Ik werd wakker met een vreselijke kater na het feest.

Dutch courage

/ˌdʌtʃ ˈkɝː.ɪdʒ/

(idiom) Hollandse moed, drankmoed

Voorbeeld:

He finally asked her out after a few drinks, fueled by a bit of Dutch courage.
Hij vroeg haar eindelijk uit na een paar drankjes, aangemoedigd door een beetje Hollandse moed.

designated driver

/ˌdez.ɪɡ.neɪ.tɪd ˈdraɪ.vər/

(noun) bob, aangewezen chauffeur

Voorbeeld:

I'm the designated driver tonight, so no drinks for me.
Ik ben vanavond de bob, dus geen drankjes voor mij.

cheers

/tʃɪrz/

(exclamation) proost, bedankt, doei;

(noun) gejuich, applaus;

(verb) juichen, aanmoedigen

Voorbeeld:

Let's raise our glasses and say, "Cheers!"
Laten we onze glazen heffen en zeggen: "Proost!"

delirium tremens

/dɪˌlɪr.i.əm ˈtrem.enz/

(noun) delirium tremens, alcoholische waanzin

Voorbeeld:

After days without alcohol, he started experiencing delirium tremens.
Na dagen zonder alcohol begon hij delirium tremens te ervaren.

alcoholism

/ˈæl.kə.hɑː.lɪ.zəm/

(noun) alcoholisme

Voorbeeld:

Alcoholism is a serious public health issue.
Alcoholisme is een ernstig volksgezondheidsprobleem.

driving under the influence

/ˈdraɪvɪŋ ˌʌndər ðə ˈɪnfluəns/

(phrase) rijden onder invloed, rijden onder invloed van alcohol of drugs

Voorbeeld:

He was arrested for driving under the influence after failing a sobriety test.
Hij werd gearresteerd voor rijden onder invloed nadat hij een nuchterheidstest had gefaald.

DWI

/ˌdiː.dʌb.əl.juːˈaɪ/

(abbreviation) rijden onder invloed

Voorbeeld:

He was arrested for DWI after failing a sobriety test.
Hij werd gearresteerd voor rijden onder invloed nadat hij een nuchterheidstest had gefaald.

drunk

/drʌŋk/

(adjective) dronken;

(noun) dronkaard, alcoholist;

(past participle) gedronken

Voorbeeld:

He was so drunk he could barely stand.
Hij was zo dronken dat hij nauwelijks kon staan.

alcoholic

/ˌæl.kəˈhɑː.lɪk/

(noun) alcoholist;

(adjective) alcoholisch

Voorbeeld:

He admitted he was an alcoholic and sought help.
Hij gaf toe dat hij een alcoholist was en zocht hulp.

sloshed

/slɑːʃt/

(adjective) bezopen, dronken;

(verb) klotsen, plenzen

Voorbeeld:

He was completely sloshed after just a few beers.
Hij was helemaal bezopen na slechts een paar biertjes.

tipsy

/ˈtɪp.si/

(adjective) aangeschoten, lichtelijk dronken

Voorbeeld:

After two glasses of wine, she started to feel a little tipsy.
Na twee glazen wijn begon ze zich een beetje aangeschoten te voelen.

plastered

/ˈplæs.tɚd/

(adjective) bepleisterd, platgeplakt, lam;

(verb) bepleisteren, plakken

Voorbeeld:

The walls of the old house were plastered with a fresh coat.
De muren van het oude huis waren bepleisterd met een verse laag.

blind drunk

/blaɪnd ˈdrʌŋk/

(adjective) stomdronken, ladderzat

Voorbeeld:

He was blind drunk and couldn't even stand up straight.
Hij was stomdronken en kon niet eens rechtop staan.

buzz

/bʌz/

(noun) gezoem, geruis, ophef;

(verb) zoemen, trillen, zoeven

Voorbeeld:

The buzz of the bees filled the air.
Het gezoem van de bijen vulde de lucht.

drunken

/ˈdrʌŋ.kən/

(adjective) dronken, beneveld

Voorbeeld:

He was arrested for drunken driving.
Hij werd gearresteerd voor dronken rijden.

hammered

/ˈhæm.ɚd/

(adjective) lam, dronken, verpletterd;

(verb) hameren, slaan, afkraken

Voorbeeld:

He got completely hammered at the party last night.
Hij werd gisteravond helemaal lam op het feest.

inebriated

/ɪˈniː.bri.eɪ.t̬ɪd/

(adjective) dronken, beneveld

Voorbeeld:

He was so inebriated that he could barely stand.
Hij was zo dronken dat hij nauwelijks kon staan.

intoxicated

/ɪnˈtɑːk.sɪ.keɪ.t̬ɪd/

(adjective) onder invloed, dronken, bedwelmd

Voorbeeld:

He was clearly intoxicated and unable to drive.
Hij was duidelijk onder invloed en niet in staat om te rijden.

wasted

/ˈweɪs.tɪd/

(adjective) verspild, verloren, uitgemergeld;

(past participle) verspilde, verloren

Voorbeeld:

It was a wasted opportunity to make a difference.
Het was een verspilde kans om een verschil te maken.

wino

/ˈwaɪ.noʊ/

(noun) drankzuchtige, zuiplap

Voorbeeld:

The old man, a known wino, was often seen sleeping on park benches.
De oude man, een bekende drankzuchtige, werd vaak slapend op parkbankjes gezien.

drunkard

/ˈdrʌŋ.kɚd/

(noun) dronkaard, alcoholist

Voorbeeld:

He was known in the village as the local drunkard.
Hij stond in het dorp bekend als de plaatselijke dronkaard.

sober

/ˈsoʊ.bɚ/

(adjective) nuchter, ernstig, serieus;

(verb) nuchter worden, ontnuchteren, ernstiger maken

Voorbeeld:

He was completely sober after the party.
Hij was helemaal nuchter na het feest.

teetotal

/ˌtiːˈtoʊ.təl/

(adjective) geheelonthouder, alcoholvrij;

(noun) geheelonthouder

Voorbeeld:

He's been teetotal for five years now.
Hij is nu al vijf jaar geheelonthouder.

rehab

/ˈriː.hæb/

(noun) revalidatie, rehab;

(verb) revalideren, renoveren

Voorbeeld:

He went to rehab for his alcohol addiction.
Hij ging naar revalidatie voor zijn alcoholverslaving.

sobriety

/səˈbraɪ.ə.t̬i/

(noun) nuchterheid, onthouding, ernst

Voorbeeld:

He has maintained his sobriety for five years.
Hij heeft zijn nuchterheid vijf jaar lang behouden.

teetotaller

/ˌtiːˈtoʊ.təl.ər/

(noun) geheelonthouder

Voorbeeld:

My grandmother has been a teetotaller her entire life.
Mijn grootmoeder is haar hele leven een geheelonthouder geweest.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland