Vocabulaireverzameling Oxford 5000 - C1 - Letter T in Oxford 5000 - C1: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling 'Oxford 5000 - C1 - Letter T' in 'Oxford 5000 - C1' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren(verb) aanpakken, tackle, ingreep;
(noun) takel, gerei, tackle
Voorbeeld:
(noun) tactiek, strategie, aanpak
Voorbeeld:
(adjective) tactisch, militair, oorlogs-
Voorbeeld:
(noun) belastingbetaler
Voorbeeld:
(verb) verleiden, verlokken, in de verleiding brengen
Voorbeeld:
(noun) huurder, bewoner
Voorbeeld:
(adjective) mals, zacht, gevoelig;
(noun) offerte, aanbesteding, sloep;
(verb) aanbieden, indienen
Voorbeeld:
(noun) ambtstermijn, dienstverband, vaste aanstelling
Voorbeeld:
(adjective) terminaal, eind-, dodelijk;
(noun) terminal, station, aansluiting
Voorbeeld:
(verb) beëindigen, afsluiten, ontslaan
Voorbeeld:
(noun) terrein, land
Voorbeeld:
(adjective) geweldig, fantastisch, verschrikkelijk
Voorbeeld:
(verb) getuigen, verklaren, getuigen van
Voorbeeld:
(noun) getuigenis, verklaring, bewijs
Voorbeeld:
(noun) textuur, structuur, aanvoelen;
(verb) textureren, structureren
Voorbeeld:
(adverb) dankbaar, met dank, gelukkig
Voorbeeld:
(adjective) theatraal, toneel-, overdreven
Voorbeeld:
(noun) theologie
Voorbeeld:
(adjective) theoretisch
Voorbeeld:
(adverb) daarna, vervolgens
Voorbeeld:
(adverb) waardoor, daardoor
Voorbeeld:
(adjective) attent, bedachtzaam, nadenkend
Voorbeeld:
(adjective) gedachteprovocerend, stimulerend
Voorbeeld:
(noun) draad, discussie;
(verb) rijgen, inrijgen
Voorbeeld:
(noun) drempel, grens, begin
Voorbeeld:
(adjective) dolblij, verrukt
Voorbeeld:
(verb) gedijen, floreren, bloeien
Voorbeeld:
(noun) getij, tij, stroom;
(verb) overbruggen, helpen
Voorbeeld:
(verb) aanspannen, vastdraaien, strakker maken
Voorbeeld:
(noun) hout, timmerhout, houtbomen;
(exclamation) hout, boom valt
Voorbeeld:
(adjective) tijdig, opportuun;
(adverb) tijdig, opportuun
Voorbeeld:
(noun) tabak
Voorbeeld:
(noun) tolerantie, verdraagzaamheid, weerstand
Voorbeeld:
(verb) tolereren, dulden, verdragen
Voorbeeld:
(noun) tol, gevolg, schade;
(verb) luiden, slaan
Voorbeeld:
(noun) top, bovenkant, bovenstuk;
(adjective) bovenste, hoogste, top;
(verb) toppen, overtreffen, afdekken;
(adverb) boven, bovenop
Voorbeeld:
(noun) marteling, foltering, kwelling;
(verb) martelen, folteren
Voorbeeld:
(verb) gooien, werpen, woelen;
(noun) worp, gooi
Voorbeeld:
(noun) totaal, som;
(adjective) totaal, geheel, volledig;
(verb) bedragen, optellen tot
Voorbeeld:
(adjective) giftig, toxisch, schadelijk
Voorbeeld:
(noun) spoor, teken, rest;
(verb) traceren, achterhalen, opsporen
Voorbeeld:
(noun) handelsmerk, merk;
(verb) registreren als handelsmerk, merken
Voorbeeld:
(noun) pad, spoor, sporen;
(verb) volgen, sporen, slepen
Voorbeeld:
(noun) aanhangwagen, trailer, voorfilm
Voorbeeld:
(noun) transactie, zakelijke deal, afhandeling
Voorbeeld:
(noun) transcript, verslag, academisch transcript
Voorbeeld:
(noun) transformatie, verandering, omvorming
Voorbeeld:
(noun) openbaar vervoer, transit, doorvoer;
(verb) doorvoeren, doorkruisen
Voorbeeld:
(noun) overdracht, transmissie, versnellingsbak
Voorbeeld:
(noun) transparantie, doorzichtigheid, openheid
Voorbeeld:
(adjective) transparant, doorzichtig, duidelijk
Voorbeeld:
(noun) trauma, schokkende ervaring, letsel
Voorbeeld:
(noun) verdrag, overeenkomst
Voorbeeld:
(adjective) enorm, geweldig, reusachtig
Voorbeeld:
(adjective) tribaal, stam-
Voorbeeld:
(noun) tribunaal, rechtbank
Voorbeeld:
(noun) eerbetoon, hulde, tribunal
Voorbeeld:
(noun) trekker, ontspanner, trigger;
(verb) activeren, veroorzaken, uitlokken
Voorbeeld:
(noun) trio, drietal
Voorbeeld:
(noun) triomf, overwinning, succes;
(verb) triomferen, zegevieren, winnen
Voorbeeld:
(noun) trofee, beker, souvenir
Voorbeeld:
(adjective) moeilijk, problematisch, bezorgd
Voorbeeld:
(noun) curator, beheerder
Voorbeeld:
(noun) collegegeld, lesgeld, onderwijs
Voorbeeld:
(phrasal verb) uitpakken, blijken, opdagen
Voorbeeld:
(noun) omzet, personeelsverloop, verloop
Voorbeeld:
(verb) draaien, vervormen, kronkelen;
(noun) draai, kronkel, wending
Voorbeeld: