Vocabulaireverzameling A1 - Letter T in Oxford 3000 - A1: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling 'A1 - Letter T' in 'Oxford 3000 - A1' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren(noun) tafel, tabel, overzicht;
(verb) uitstellen, opschorten
Voorbeeld:
(verb) nemen, pakken, brengen;
(noun) opname, shot, greep
Voorbeeld:
(verb) praten, spreken, lezing geven;
(noun) gesprek, praatje, lezing
Voorbeeld:
(adjective) lang, hoog, overdreven
Voorbeeld:
(noun) taxi;
(verb) taxien, rijden met een taxi
Voorbeeld:
(verb) onderwijzen, leren, bijbrengen
Voorbeeld:
(noun) leraar, docent
Voorbeeld:
(noun) team, ploeg, span;
(verb) samenwerken, een team vormen
Voorbeeld:
(noun) tiener, puber
Voorbeeld:
(noun) telefoon;
(verb) bellen, telefoneren
Voorbeeld:
(noun) televisie, tv, televisietoestel
Voorbeeld:
(verb) vertellen, zeggen, onderscheiden;
(noun) teken, aanwijzing
Voorbeeld:
(number) tien;
(noun) tiental, groep van tien
Voorbeeld:
(noun) tennis
Voorbeeld:
(adjective) verschrikkelijk, vreselijk, erg
Voorbeeld:
(noun) test, proef, toets;
(verb) testen, uitproberen, op de proef stellen
Voorbeeld:
(noun) tekst, geschrift, sms;
(verb) sms'en, een sms sturen
Voorbeeld:
(conjunction) dan, behalve;
(preposition) dan
Voorbeeld:
(verb) bedanken;
(noun) dank;
(exclamation) dank, bedankt
Voorbeeld:
(exclamation) bedankt, dank;
(plural noun) dank, dankbetuiging
Voorbeeld:
(determiner) die, dat;
(pronoun) dat, die;
(adverb) zo, zodanig;
(conjunction) dat, die
Voorbeeld:
(determiner) de, het;
(adverb) hoe
Voorbeeld:
(noun) theater, theaterkunst, toneel
Voorbeeld:
(determiner) hun
Voorbeeld:
(adverb) toen, destijds, daarna;
(conjunction) dan, dus;
(adjective) toenmalig, destijds
Voorbeeld:
(adverb) daar, erheen, er;
(pronoun) daar, die plaats;
(interjection) er, daar
Voorbeeld:
(pronoun) zij, ze
Voorbeeld:
(noun) ding, voorwerp, zaak
Voorbeeld:
(verb) denken, vinden, nadenken;
(noun) gedachte, overweging
Voorbeeld:
(ordinal number) derde;
(noun) derde;
(adverb) derde
Voorbeeld:
(adjective) dorstig, uitgedroogd, verlangend
Voorbeeld:
(number) dertien
Voorbeeld:
(determiner) deze, dit;
(pronoun) dit;
(adverb) zo, zodanig
Voorbeeld:
(number) duizend;
(noun) duizenden, een groot aantal
Voorbeeld:
(preposition) door, gedurende, tijdens;
(adverb) door, klaar met, afgerond;
(adjective) klaar met, af
Voorbeeld:
(noun) donderdag
Voorbeeld:
(noun) kaartje, ticket, boete;
(verb) bekeuren, een boete geven
Voorbeeld:
(noun) tijd, uur, keer;
(verb) timen, klokken, afstemmen
Voorbeeld:
(adjective) moe, vermoeid, zat
Voorbeeld:
(noun) titel, functie, kampioenschap;
(verb) tituleren, benoemen
Voorbeeld:
(preposition) naar, aan, voor
Voorbeeld:
We are going to the store.
(adverb) vandaag, vandaag de dag, tegenwoordig;
(noun) vandaag, vandaag de dag, het heden
Voorbeeld:
(adverb) samen, bij elkaar, tot een geheel;
(adjective) op orde, evenwichtig
Voorbeeld:
(noun) toilet, wc
Voorbeeld:
(noun) tomaat
Voorbeeld:
(adverb) morgen;
(noun) morgen
Voorbeeld:
(adverb) vanavond;
(noun) vanavond
Voorbeeld:
(adverb) te, ook, daarbij
Voorbeeld:
(noun) tand, vertanding
Voorbeeld:
(noun) onderwerp, thema
Voorbeeld:
(noun) toerist, reiziger
Voorbeeld:
(noun) stad, plaats, inwoners van de stad
Voorbeeld:
(noun) verkeer, handel, smokkel;
(verb) verhandelen, smokkelen
Voorbeeld:
(noun) trein, sleep;
(verb) trainen, opleiden, oefenen
Voorbeeld:
(verb) reizen, verplaatsen, zich voortbewegen;
(noun) reis, reizen
Voorbeeld:
(noun) boom, diagram;
(verb) de boom injagen, opjagen
Voorbeeld:
(noun) reis, uitstapje, struikelpartij;
(verb) struikelen, vallen, reizen
Voorbeeld:
(plural noun) broek
Voorbeeld:
(adjective) waar, echt, trouw;
(adverb) nauwkeurig, precies
Voorbeeld:
(verb) proberen, uitproberen, testen;
(noun) poging, proef
Voorbeeld:
(noun) T-shirt
Voorbeeld:
(noun) dinsdag
Voorbeeld:
(verb) draaien, wenden, afbuigen;
(noun) bocht, beurt
Voorbeeld:
(noun) tv, televisie, uitzending
Voorbeeld:
(number) twaalf;
(noun) twaalf
Voorbeeld:
(number) twintig;
(noun) twintigje, biljet van twintig
Voorbeeld:
(adverb) tweemaal, twee keer
Voorbeeld:
(noun) type, soort, lettertype;
(verb) typen, intypen
Voorbeeld: