Vocabulaireverzameling B1 - Essentiële Werkwoorden 2 in Niveau B1: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling 'B1 - Essentiële Werkwoorden 2' in 'Niveau B1' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren(noun) ervaring, belevenis;
(verb) ervaren, ondervinden
Voorbeeld:
(noun) gezicht, wijzerplaat, wand;
(verb) onder ogen zien, tegemoet treden, liggen
Voorbeeld:
(verb) vouwen, opvouwen, failliet gaan;
(noun) vouw, kudde, groep
Voorbeeld:
(noun) kracht, energie, geweld;
(verb) dwingen, forceren
Voorbeeld:
(noun) hand, handschrift, wijzer;
(verb) overhandigen, aanreiken
Voorbeeld:
(verb) hangen, ophangen, verhangen;
(noun) val, ophanging
Voorbeeld:
(noun) hoofd, kop, leider;
(verb) gaan, zich begeven, leiden;
(adjective) hoofd, voorste
Voorbeeld:
(phrasal verb) wachten, vasthouden, grijpen;
(exclamation) wacht, stop
Voorbeeld:
(noun) knuffel, omhelzing;
(verb) knuffelen, omhelzen
Voorbeeld:
(verb) negeren, voorbijgaan aan
Voorbeeld:
(noun) inslag, botsing, impact;
(verb) beïnvloeden, raken, treffen
Voorbeeld:
(verb) aangeven, wijzen op, duiden op
Voorbeeld:
(noun) invloed, invloedrijke persoon, influencer;
(verb) beïnvloeden
Voorbeeld:
(noun) ijzer, strijkijzer;
(verb) strijken;
(adjective) ijzeren
Voorbeeld:
(noun) etiket, label, stempel;
(verb) etiketteren, labelen, bestempelen
Voorbeeld:
(noun) gebrek, tekort;
(verb) missen, ontbreken
Voorbeeld:
(verb) leggen, eieren leggen;
(noun) ligging, indeling;
(adjective) leken, niet-geestelijk
Voorbeeld:
(noun) limiet, grens, maximum;
(verb) beperken, begrenzen
Voorbeeld:
(noun) rommel, puinhoop, probleem;
(verb) vervuilen, rommelig maken, verknoeien
Voorbeeld:
(verb) mengen, mixen, socialiseren;
(noun) mix, mengsel
Voorbeeld:
(noun) aantekening, notitie, briefje;
(verb) opmerken, noteren, opschrijven
Voorbeeld:
(verb) gebeuren, plaatsvinden, opkomen
Voorbeeld:
(verb) overtuigen, overhalen, doen geloven
Voorbeeld:
(noun) plaats, plek, huis;
(verb) plaatsen, leggen, herkennen
Voorbeeld:
(noun) gif, vergif;
(verb) vergiftigen, verpesten, schaden
Voorbeeld:
(verb) stromen, gieten, schenken;
(noun) stroom, regenval
Voorbeeld:
(verb) drukken, persen, strijken;
(noun) pers, media, drukpers
Voorbeeld:
(noun) programma, schema, uitzending;
(verb) programmeren, instellen, plannen
Voorbeeld:
(verb) bewijzen, aantonen, blijken
Voorbeeld:
(verb) kwalificeren, in aanmerking komen, nuanceren
Voorbeeld:
(verb) weerspiegelen, terugkaatsen, nadenken
Voorbeeld:
(verb) verbinden, relateren, zich inleven
Voorbeeld:
(verb) vrijlaten, loslaten, uitbrengen;
(noun) vrijlating, uitgave
Voorbeeld:
(verb) overblijven, resten, blijven;
(noun) resten, overblijfselen
Voorbeeld:
(verb) herinneren, doen denken aan
Voorbeeld:
(verb) vertegenwoordigen, symboliseren, optreden voor
Voorbeeld: