Avatar of Vocabulary Set Werkwoorden gerelateerd aan kleding

Vocabulaireverzameling Werkwoorden gerelateerd aan kleding in Kleding en Mode: Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'Werkwoorden gerelateerd aan kleding' in 'Kleding en Mode' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

coordinate

/koʊˈɔːr.dən.eɪt/

(verb) coördineren, afstemmen, matchen;

(noun) coördinaat, coördinaten;

(adjective) gelijkwaardig, coördinerend

Voorbeeld:

We need to coordinate our efforts to finish the project on time.
We moeten onze inspanningen coördineren om het project op tijd af te krijgen.

zip

/zɪp/

(noun) rits, pit, energie;

(verb) ritsen, dichtritsen, scheuren

Voorbeeld:

She closed her jacket with a zip.
Ze sloot haar jas met een rits.

wear

/wer/

(verb) dragen, slijten, verslijten;

(noun) slijtage, gebruik, kleding

Voorbeeld:

She likes to wear bright colors.
Ze draagt graag felle kleuren.

button

/ˈbʌt̬.ən/

(noun) knoop, knop;

(verb) knopen, dichtknopen, op een knop drukken

Voorbeeld:

She sewed a new button on her coat.
Ze naaide een nieuwe knoop op haar jas.

change

/tʃeɪndʒ/

(noun) verandering, wijziging, wisselgeld;

(verb) veranderen, wijzigen, omwisselen

Voorbeeld:

We need to make some changes to the plan.
We moeten enkele wijzigingen aanbrengen in het plan.

clothe

/kloʊð/

(verb) kleden, aankleden, bedekken

Voorbeeld:

She helped her child clothe himself for school.
Ze hielp haar kind zich te kleden voor school.

dress

/dres/

(noun) jurk;

(verb) aankleden, dresseren, bereiden

Voorbeeld:

She wore a beautiful blue dress to the party.
Ze droeg een prachtige blauwe jurk naar het feest.

fasten

/ˈfæs.ən/

(verb) vastmaken, bevestigen, sluiten

Voorbeeld:

Please fasten your seatbelt.
Gelieve uw veiligheidsgordel vast te maken.

fit

/fɪt/

(verb) passen, zitten, passen bij;

(noun) pasvorm, passing, aanval;

(adjective) fit, in vorm, geschikt

Voorbeeld:

These shoes fit perfectly.
Deze schoenen passen perfect.

flare

/fler/

(noun) lichtflits, fakkel, lichtkogel;

(verb) opvlammen, schitteren, uitlopen

Voorbeeld:

A sudden flare of light illuminated the night sky.
Een plotselinge lichtflits verlichtte de nachtelijke hemel.

match

/mætʃ/

(noun) wedstrijd, match, lucifer;

(verb) overeenkomen, passen bij, matchen

Voorbeeld:

The football match ended in a draw.
De voetbalwedstrijd eindigde in een gelijkspel.

strip

/strɪp/

(verb) strippen, ontdoen van, uitkleden;

(noun) reep, strook, strip

Voorbeeld:

He began to strip the old paint from the door.
Hij begon de oude verf van de deur te strippen.

take off

/teɪk ɔf/

(phrasal verb) uitdoen, afdoen, opstijgen

Voorbeeld:

Please take off your shoes before entering the house.
Gelieve uw schoenen uit te doen voordat u het huis binnengaat.

take

/teɪk/

(verb) nemen, pakken, brengen;

(noun) opname, shot, greep

Voorbeeld:

She decided to take a book from the shelf.
Ze besloot een boek van de plank te pakken.

throw on

/θroʊ ɑn/

(phrasal verb) snel aantrekken, aangooien

Voorbeeld:

I just threw on some clothes and ran out the door.
Ik gooide gewoon wat kleren aan en rende de deur uit.

try on

/traɪ ɑn/

(phrasal verb) passen, aantrekken

Voorbeeld:

She decided to try on the dress before buying it.
Ze besloot de jurk te passen voordat ze hem kocht.

unbutton

/ʌnˈbʌt̬.ən/

(verb) ontknopen, losknopen

Voorbeeld:

Please unbutton your coat before you sit down.
Gelieve uw jas te ontknopen voordat u gaat zitten.

undress

/ʌnˈdres/

(verb) uitkleden, ontkleden

Voorbeeld:

She began to undress for bed.
Ze begon zich uit te kleden voor het slapengaan.

unfasten

/ʌnˈfæs.sən/

(verb) losmaken, ontgrendelen

Voorbeeld:

She reached up to unfasten the top button of her dress.
Ze reikte om de bovenste knoop van haar jurk te losmaken.

untie

/ʌnˈtaɪ/

(verb) losmaken, ontknopen

Voorbeeld:

She carefully untied the knot.
Ze maakte de knoop voorzichtig los.

unzip

/ʌnˈzɪp/

(verb) ritsen, openritsen, uitpakken

Voorbeeld:

Please unzip your bag for inspection.
Gelieve uw tas te ritsen voor inspectie.

style

/staɪl/

(noun) stijl, mode, manier;

(verb) stylen, vormgeven, ontwerpen

Voorbeeld:

The new building has a modern style.
Het nieuwe gebouw heeft een moderne stijl.

remove

/rɪˈmuːv/

(verb) verwijderen, afnemen, wegnemen

Voorbeeld:

Please remove your shoes before entering the house.
Gelieve uw schoenen te verwijderen voordat u het huis binnengaat.

zip up

/zɪp ʌp/

(phrasal verb) dichtritsen, omhoog ritsen

Voorbeeld:

Can you help me zip up my dress?
Kun je me helpen mijn jurk dicht te ritsen?

pull on

/pʊl ɑːn/

(phrasal verb) aantrekken, opschieten met kleding, trekken aan

Voorbeeld:

She quickly pulled on her coat and left.
Ze trok snel haar jas aan en vertrok.

pull off

/pʊl ɔf/

(phrasal verb) voor elkaar krijgen, klaarspelen, afrijden

Voorbeeld:

They managed to pull off the biggest deal of the year.
Ze slaagden erin de grootste deal van het jaar voor elkaar te krijgen.

dress down

/dres daʊn/

(phrasal verb) informeler kleden, casual kleden, streng toespreken

Voorbeeld:

It's a casual Friday, so you can dress down today.
Het is een casual vrijdag, dus je kunt vandaag informeler kleden.

dress up

/ˌdres ˈʌp/

(phrasal verb) verkleden, opdoffen, opknappen

Voorbeeld:

The children love to dress up in their parents' old clothes.
De kinderen vinden het heerlijk om zich te verkleden in de oude kleren van hun ouders.

slip-on

/ˈslɪp.ɑːn/

(noun) instapper, slipper;

(adjective) instap, zonder veters

Voorbeeld:

He prefers slip-ons for their convenience.
Hij geeft de voorkeur aan instappers vanwege hun gemak.

suit

/suːt/

(noun) pak, kostuum, rechtszaak;

(verb) passen, schikken, staan

Voorbeeld:

He wore a dark blue suit to the interview.
Hij droeg een donkerblauw pak naar het interview.

unbuckle

/ʌnˈbʌk.əl/

(verb) losmaken, ontgrendelen

Voorbeeld:

He reached down to unbuckle his seatbelt.
Hij reikte naar beneden om zijn veiligheidsgordel los te maken.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland