Vocabulaireverzameling De materiële wereld in SAT Science-woordenschat: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling 'De materiële wereld' in 'SAT Science-woordenschat' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren(verb) schrapen, krabben, schaven;
(noun) schraap, schaafwond, kraak
Voorbeeld:
(verb) onderdompelen, ondergaan, duiken
Voorbeeld:
(verb) malen, verpulveren, schuren;
(noun) sleuven, zwoegen, malen
Voorbeeld:
(verb) verpulveren, fijnmalen, verpletteren
Voorbeeld:
(verb) bevochtigen, vochtig maken, dempen
Voorbeeld:
(verb) doordrenken, doorweken, natmaken;
(noun) drenk, vloeibaar medicijn voor dieren
Voorbeeld:
(verb) voeden, voedsel geven, koesteren
Voorbeeld:
(verb) besmetten, verontreinigen, aantasten;
(noun) zweem, smak, vlek
Voorbeeld:
(verb) botsen, kollideren, conflicteren
Voorbeeld:
(noun) klomp;
(verb) verstoppen, blokkeren
Voorbeeld:
(verb) doordringen, binnendringen, infiltreren
Voorbeeld:
(verb) grazen, schampen, raken;
(noun) schaafwond, schram
Voorbeeld:
(verb) barsten, knappen, uitbarsten;
(noun) uitbarsting, vlaag
Voorbeeld:
(noun) breuk, scheur, scheiding;
(verb) breken, scheuren, splijten
Voorbeeld:
(noun) scheur, breuk, scheuring;
(verb) scheuren, breken
Voorbeeld:
(verb) splijten, kloven, vasthouden aan
Voorbeeld:
(verb) demonteren, afbreken, ontmantelen
Voorbeeld:
(verb) losschroeven, losdraaien
Voorbeeld:
(verb) verbrijzelen, versplinteren, vernietigen;
(noun) verbrijzeling, versplintering
Voorbeeld:
(verb) instorten, ineenstorten, bezinken;
(noun) instorting, ineenstorting, val
Voorbeeld:
(verb) slopen, afbreken, vernietigen
Voorbeeld:
(noun) roet;
(verb) beroeten, zwart maken met roet
Voorbeeld:
(noun) buitenkant, exterieur, uiterlijk;
(adjective) extern, buiten-
Voorbeeld:
(noun) onderdompeling, diepe betrokkenheid
Voorbeeld:
(noun) uitstoot, emissie, uitgave
Voorbeeld:
(noun) inscriptie, opschrift, opdracht
Voorbeeld:
(noun) deeltje, spoor, subatomair deeltje;
(particle) partikel, voegwoord
Voorbeeld:
(noun) brand, vlammenzee, gloed;
(verb) branden, vlammen, markeren
Voorbeeld:
(noun) lei, leisteen, kandidatenlijst;
(verb) plannen, vaststellen, afkraken
Voorbeeld:
(noun) omheining, verblijf, omsloten ruimte
Voorbeeld:
(noun) reces, pauze, schorsing;
(verb) verdiepen, terugtrekken, inbouwen
Voorbeeld:
(noun) nis, uitsparing
Voorbeeld:
(noun) deuk, vermindering;
(verb) deuken, indeuken, verminderen
Voorbeeld:
(noun) velg, rand, boord;
(verb) omzomen, omranden
Voorbeeld:
(noun) fitting, stopcontact, contactdoos
Voorbeeld:
(noun) rug, bergrug, heuvelrug;
(verb) ribbelen, ploegen
Voorbeeld:
(noun) groef, gleuf, sleurgroef;
(verb) groeven, gleuven, grooven
Voorbeeld:
(noun) stoeprand, wegberm;
(adjective) aan de stoeprand, langs de stoep
Voorbeeld:
(noun) plaat, plak;
(verb) in plakken snijden, vormen tot een plaat
Voorbeeld:
(noun) schaafwond, schram, slijtage
Voorbeeld:
(noun) wrijving, frictie
Voorbeeld:
(noun) loopgraaf, sleuf;
(verb) uitgraven, sleuven graven
Voorbeeld:
(noun) vernis, lak, schijn;
(verb) vernissen, lakken, verbloemen
Voorbeeld:
(adjective) ongeldig, nietig, leeg;
(noun) leegte, vacuüm;
(verb) annuleren, ongeldig verklaren
Voorbeeld:
(noun) vacuüm, stofzuiger;
(verb) stofzuigen
Voorbeeld:
(adjective) door de lucht verspreid, luchtgedragen, in de lucht
Voorbeeld:
(adjective) smoezelig, armoedig, dof
Voorbeeld: