Avatar of Vocabulary Set De materiële wereld

Vocabulaireverzameling De materiële wereld in SAT Science-woordenschat: Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'De materiële wereld' in 'SAT Science-woordenschat' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

scrape

/skreɪp/

(verb) schrapen, krabben, schaven;

(noun) schraap, schaafwond, kraak

Voorbeeld:

He used a knife to scrape the paint off the old table.
Hij gebruikte een mes om de verf van de oude tafel te schrapen.

submerge

/səbˈmɝːdʒ/

(verb) onderdompelen, ondergaan, duiken

Voorbeeld:

The submarine began to submerge as it left the harbor.
De onderzeeër begon te duiken toen hij de haven verliet.

grind

/ɡraɪnd/

(verb) malen, verpulveren, schuren;

(noun) sleuven, zwoegen, malen

Voorbeeld:

She used a mortar and pestle to grind the spices.
Ze gebruikte een vijzel om de kruiden te malen.

pulverize

/ˈpʌl.və.raɪz/

(verb) verpulveren, fijnmalen, verpletteren

Voorbeeld:

The machine is used to pulverize the rocks into gravel.
De machine wordt gebruikt om de rotsen tot grind te verpulveren.

dampen

/ˈdæm.pən/

(verb) bevochtigen, vochtig maken, dempen

Voorbeeld:

Dampen the cloth before wiping the table.
Maak de doek vochtig voordat je de tafel afveegt.

drench

/drentʃ/

(verb) doordrenken, doorweken, natmaken;

(noun) drenk, vloeibaar medicijn voor dieren

Voorbeeld:

The sudden downpour drenched us to the bone.
De plotselinge stortbui doordrenkte ons tot op het bot.

nourish

/ˈnɝː.ɪʃ/

(verb) voeden, voedsel geven, koesteren

Voorbeeld:

A good diet will nourish your body.
Een goed dieet zal je lichaam voeden.

taint

/teɪnt/

(verb) besmetten, verontreinigen, aantasten;

(noun) zweem, smak, vlek

Voorbeeld:

The scandal will taint his reputation.
Het schandaal zal zijn reputatie besmetten.

collide

/kəˈlaɪd/

(verb) botsen, kollideren, conflicteren

Voorbeeld:

The two cars collided at the intersection.
De twee auto's botsten op het kruispunt.

clog

/klɑːɡ/

(noun) klomp;

(verb) verstoppen, blokkeren

Voorbeeld:

She wore traditional Dutch clogs.
Ze droeg traditionele Nederlandse klompen.

penetrate

/ˈpen.ə.treɪt/

(verb) doordringen, binnendringen, infiltreren

Voorbeeld:

The bullet penetrated the wall.
De kogel drong door de muur.

graze

/ɡreɪz/

(verb) grazen, schampen, raken;

(noun) schaafwond, schram

Voorbeeld:

Cows were grazing peacefully in the meadow.
Koeien waren vredig aan het grazen in de wei.

burst

/bɝːst/

(verb) barsten, knappen, uitbarsten;

(noun) uitbarsting, vlaag

Voorbeeld:

The balloon burst with a loud pop.
De ballon barstte met een luide knal.

fracture

/ˈfræk.tʃɚ/

(noun) breuk, scheur, scheiding;

(verb) breken, scheuren, splijten

Voorbeeld:

The impact caused a fracture in the bone.
De impact veroorzaakte een breuk in het bot.

rupture

/ˈrʌp.tʃɚ/

(noun) scheur, breuk, scheuring;

(verb) scheuren, breken

Voorbeeld:

The sudden pressure caused a rupture in the pipe.
De plotselinge druk veroorzaakte een scheur in de pijp.

cleave

/kliːv/

(verb) splijten, kloven, vasthouden aan

Voorbeeld:

The axe was used to cleave the log in two.
De bijl werd gebruikt om het blok hout in tweeën te splijten.

dismantle

/dɪˈsmæn.t̬əl/

(verb) demonteren, afbreken, ontmantelen

Voorbeeld:

The team worked to dismantle the old engine.
Het team werkte om de oude motor te demonteren.

unscrew

/ʌnˈskruː/

(verb) losschroeven, losdraaien

Voorbeeld:

You need to unscrew the back panel to replace the battery.
Je moet het achterpaneel losschroeven om de batterij te vervangen.

shatter

/ˈʃæt̬.ɚ/

(verb) verbrijzelen, versplinteren, vernietigen;

(noun) verbrijzeling, versplintering

Voorbeeld:

The glass vase fell and shattered on the floor.
De glazen vaas viel en verbrijzelde op de vloer.

collapse

/kəˈlæps/

(verb) instorten, ineenstorten, bezinken;

(noun) instorting, ineenstorting, val

Voorbeeld:

The old bridge finally collapsed under the heavy load.
De oude brug bezweek uiteindelijk onder de zware lading.

demolish

/dɪˈmɑː.lɪʃ/

(verb) slopen, afbreken, vernietigen

Voorbeeld:

The old factory was demolished to make way for new apartments.
De oude fabriek werd gesloopt om plaats te maken voor nieuwe appartementen.

soot

/sʊt/

(noun) roet;

(verb) beroeten, zwart maken met roet

Voorbeeld:

The chimney was covered in thick soot.
De schoorsteen was bedekt met dikke roet.

exterior

/ɪkˈstɪr.i.ɚ/

(noun) buitenkant, exterieur, uiterlijk;

(adjective) extern, buiten-

Voorbeeld:

The exterior of the house was painted a light blue.
De buitenkant van het huis was lichtblauw geverfd.

immersion

/ɪˈmɝː.ʃən/

(noun) onderdompeling, diepe betrokkenheid

Voorbeeld:

The complete immersion of the body in water is part of the ritual.
De volledige onderdompeling van het lichaam in water is onderdeel van het ritueel.

emission

/iˈmɪʃ.ən/

(noun) uitstoot, emissie, uitgave

Voorbeeld:

The factory reduced its carbon emissions.
De fabriek verminderde haar koolstofuitstoot.

inscription

/ɪnˈskrɪp.ʃən/

(noun) inscriptie, opschrift, opdracht

Voorbeeld:

The ancient tomb had an elaborate inscription on its entrance.
Het oude graf had een uitgebreide inscriptie bij de ingang.

particle

/ˈpɑːr.t̬ə.kəl/

(noun) deeltje, spoor, subatomair deeltje;

(particle) partikel, voegwoord

Voorbeeld:

There wasn't a particle of dust in the room.
Er was geen deeltje stof in de kamer.

blaze

/bleɪz/

(noun) brand, vlammenzee, gloed;

(verb) branden, vlammen, markeren

Voorbeeld:

The forest was engulfed in a massive blaze.
Het bos werd opgeslokt door een enorme brand.

slat

/slæt/

(noun) lei, leisteen, kandidatenlijst;

(verb) plannen, vaststellen, afkraken

Voorbeeld:

The roof was covered with dark slate tiles.
Het dak was bedekt met donkere leien pannen.

enclosure

/ɪnˈkloʊ.ʒɚ/

(noun) omheining, verblijf, omsloten ruimte

Voorbeeld:

The zoo has a large enclosure for the lions.
De dierentuin heeft een grote omheining voor de leeuwen.

recess

/ˈrɪː.ses/

(noun) reces, pauze, schorsing;

(verb) verdiepen, terugtrekken, inbouwen

Voorbeeld:

The court is currently in recess until next Monday.
De rechtbank is momenteel in reces tot volgende week maandag.

alcove

/ˈæl.koʊv/

(noun) nis, uitsparing

Voorbeeld:

The bed was placed in a cozy alcove.
Het bed werd in een gezellige nis geplaatst.

dent

/dent/

(noun) deuk, vermindering;

(verb) deuken, indeuken, verminderen

Voorbeeld:

There's a small dent in the car door.
Er zit een kleine deuk in de autodeur.

rim

/rɪm/

(noun) velg, rand, boord;

(verb) omzomen, omranden

Voorbeeld:

The bicycle wheel's rim was bent after the accident.
De velg van het fietswiel was verbogen na het ongeluk.

socket

/ˈsɑː.kɪt/

(noun) fitting, stopcontact, contactdoos

Voorbeeld:

The light bulb screws into the lamp socket.
De gloeilamp schroeft in de lampenfitting.

ridge

/rɪdʒ/

(noun) rug, bergrug, heuvelrug;

(verb) ribbelen, ploegen

Voorbeeld:

We hiked along the mountain ridge.
We wandelden langs de bergrug.

groove

/ɡruːv/

(noun) groef, gleuf, sleurgroef;

(verb) groeven, gleuven, grooven

Voorbeeld:

The record player needle fit perfectly into the groove.
De naald van de platenspeler paste perfect in de groef.

curbside

/ˈkɝːb.saɪd/

(noun) stoeprand, wegberm;

(adjective) aan de stoeprand, langs de stoep

Voorbeeld:

Please leave your recycling bins at the curbside for collection.
Gelieve uw recyclingbakken aan de stoeprand te plaatsen voor ophaling.

slab

/slæb/

(noun) plaat, plak;

(verb) in plakken snijden, vormen tot een plaat

Voorbeeld:

They laid a concrete slab for the new patio.
Ze legden een betonnen plaat voor het nieuwe terras.

abrasion

/əˈbreɪ.ʒən/

(noun) schaafwond, schram, slijtage

Voorbeeld:

The cyclist had a minor abrasion on his knee after the fall.
De fietser had een lichte schaafwond op zijn knie na de val.

friction

/ˈfrɪk.ʃən/

(noun) wrijving, frictie

Voorbeeld:

The car tires need good friction to grip the road.
De autobanden hebben goede wrijving nodig om grip op de weg te krijgen.

trench

/trentʃ/

(noun) loopgraaf, sleuf;

(verb) uitgraven, sleuven graven

Voorbeeld:

The soldiers dug a deep trench for protection.
De soldaten groeven een diepe loopgraaf ter bescherming.

varnish

/ˈvɑːr.nɪʃ/

(noun) vernis, lak, schijn;

(verb) vernissen, lakken, verbloemen

Voorbeeld:

She applied a coat of varnish to the wooden table.
Ze bracht een laag vernis aan op de houten tafel.

void

/vɔɪd/

(adjective) ongeldig, nietig, leeg;

(noun) leegte, vacuüm;

(verb) annuleren, ongeldig verklaren

Voorbeeld:

The contract was declared void due to a technicality.
Het contract werd ongeldig verklaard vanwege een technische fout.

vacuum

/ˈvæk.juːm/

(noun) vacuüm, stofzuiger;

(verb) stofzuigen

Voorbeeld:

Scientists created a near-perfect vacuum in the lab.
Wetenschappers creëerden een bijna perfect vacuüm in het laboratorium.

airborne

/ˈer.bɔːrn/

(adjective) door de lucht verspreid, luchtgedragen, in de lucht

Voorbeeld:

The dust particles became airborne after the strong winds.
De stofdeeltjes werden door de lucht verspreid na de sterke wind.

dingy

/ˈdɪn.dʒi/

(adjective) smoezelig, armoedig, dof

Voorbeeld:

The room was dingy and smelled of old smoke.
De kamer was smoezelig en rook naar oude rook.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland